woensdag 30 januari 2019

Lissabon en ik en Peter en de Golf van Biskaje.

De lange valreep in Lissabon

(Dit verhaal gaat voornamelijk over mij persoonlijk. Het is geen verhaal om echt heel trots op te zijn, ik ben, blijkt dus, ook geen heilige of zo. Maar het is wel een verhaal dat geschreven en gepubliceerd moet worden, vind ik dan wel weer.)

In die tijd had ik, zoals de meesten van ons dat hadden, een stapmaatje, nu ja, meerdere stapmaten, maar twee sprongen eruit, ene Peter en ene Johan. Beiden waren collega korporaals, zij waren allebei GSKNST, konstabels, dus. Samen met Paul 2 en/of Kees vormden we ook een klaverjas genootschap. Tijdens de middagpauze, we waren vaak voorschafters* zoals dat heet, dan ga je al om 1115 eten in plaats van 1200 en heb je dus een uurtje meer om te rusten of te ontspannen. Mits de werkzaamheden dat toelieten, natuurlijk. Dan zetelden we ons rond de onderzoektafel in de ZB en de kaarten gingen rond. Paul en de arts waren vaak een koppel, soms deed ik mee, als een van hen niet kon en Peter en Johan waren een koppel, waarbij ik, mocht een van hen de wacht hebben, insprong. Klaverjassen is een groot ding bij de vloot, maar niet bij het Korps, vreemd genoeg, nu ja, eigenlijk niet zo vreemd, je moet tot meer dan vier kunnen tellen, dus alles na, een, twee, drie, zet af geweer is natuurlijk moeilijk.
(Later, tijdens een wintertraining, heb ik het klaverjassen geïntroduceerd in onze gecombineerde MARNS en Vloot ZB-groep, ergens in een kazerne in Steinkjer, in het westen van Noorwegen, waar het echt koud was, waar het echt sneeuwde en zo en dus niet de paniek die vandaag in ons land (300119) verwacht werd.)
Maar goed, die bepaalde zondag in Lissabon wilden we, mijn maten en ik, een stapje aan land zetten. Nu had Johan de wacht, in de TC, vreemd genoeg. Maar men ging ervan uit dat je geen hoog technische opleiding nodig had om de alarmlichten die mochten afgaan, te beantwoorden met een oproep aan de dienstdoende TDW’er.
Dus Peet en ik liepen de plank af, gingen de kade op en de stad in. Lissabon is een bijzonder fraaie stad. Het staat vol met de prachtigste gebouwen en kerken en musea. Zoals jullie zullen begrijpen gingen Peter en ik natuurlijk de wal op om die kerken en musea te bekijken, dat begrijpen jullie wel. Maar hoeveel van die dingen kan je in een ochtend en een middag bekijken? Van buiten dan? Niet zoveel, vooral omdat het beren koud was geworden nadat een hevige regenbui de stad en ons doorweekt had. Omdat het bij het vertrek van boord nog heerlijk weer was geweest, een graadje of twintig met een aangenaam zonnetje, hadden we alleen een jeans en een T-shirt aan. Geen jasje of jack bij ons, dus.
Tja, wat doe je als je van buiten zeiknat bent? Dan ook maar van binnen zeiknat worden dus. Te dien einde bevinden zich in Lissabon, maar daar niet alleen, natuurlijk, de nodige uitnodigende etablissementen. Veel, heel veel van die etablissementen en ze hadden allemaal hun deuren geopend. We zagen een dergelijk etablissement met een fraai uiterlijk en door het raam zagen we dat het een gezellige tent leek, met veel hout en zo.
Dus gingen we schuilen en bestelden groene thee, die geel was met een witte kraag en niet te drinken. Wat een smerig brouwsel was dat, zeg. Ik weet echt het merk niet meer, maar ik zou der ook geen reclame voor kunnen maken ook al zou men mij wel betalen. Waarschuwing: Portugees bier! Houdt je er verre van. 
Maar ja, we waren, na een half glas bier, natuurlijk nog veel te droog van binnen dan in verhouding tot buiten en we lieten de waard dan ook weten dat we iets anders wilden. Van sterke drank moesten we niet zo veel hebben, op dat tijdstip van de dag in ieder geval, dan. De waard had onze onderlinge gesprekken een beetje gevolgd en had al begrepen dat wij ‘Ollandesie’ waren. Hij begon zich te verontschuldigen dat hij geen ‘Eineken’ had, maar hij had wel een goed Vino Verde. Groene wijn? Wat is groene wijn? Hij pakte een fles uit de koeling en liet die aan ons zien. Nu had die fles dezelfde vorm als die van een fles rosé, die ik, jaren her, eens had leeg gelebberd op een eiland in de Azoren, waar we met een uit de West terugkerend stationsschip eens een weekend hadden doorgebracht. (In die tijd dronk ik nog weleens rosé, maar ik vind er nu geen ruk meer aan, hoor.) 
Ik knikte enthousiast naar de man en hij schonk met gulle hand de glazen vol en borg de fles weer op. We proefden, nee, niet zoals echte wijnkenners, hoor, een teugje en dan slurpende, wat viezige geluiden makend, a la Gort, nee, wij proefden ‘ad fundum’ zoals dat heet en plaatsten de lege glazen met een tik en goedkeurend knikkend terug op de fraaie en al heel ouwe tapkast. De waard, de koelkast deur nog open en de fles nog in de hand, keek wat verwonderd om, begreep dat wij het lekker vonden en er kwamen escudo tekens in zijn bruine mediterrane ogen. 
(Er kloppen in deze overigens korte zin, twee dingen niet: de escudo is niet meer de munt van Portugal en het land ligt niet en lag nooit aan de Middellandse Zee, maar een kniesoor, nietwaar?) 
Hij begreep dat wij niet bang waren om op een escudootje te kijken. Nu moet ik zeggen dat een fles van die wijn net zoveel koste als een biertje aan boord, hoor. En de fles was niet al te groot en ja, de glazen waren wel vrij groot. Na die ene fles besloten we te gaan, nog meer musea en kerken bezichtigen en zo. Maar de barman zag dat met meer dan hele lede ogen aan en gaf zowaar een fles weg. Die man was duidelijk geen BOTT geweest, begrepen we, dus ja, we namen de gift met graagte aan, besloten om die fles dan ook maar te legen en daarna weer meer kerken en zo... 
De regen begon met heel veel enthousiasme neer te plenzen en we zouden dan dus nog maar even wachten tot het droog was. Ondertussen kletsten we honderduit met de barman, zongen, we hadden het ondertussen weer wat warmer gekregen, wat ondeugende zeemansliedjes en man, wat was het gezellig allemaal. Der druppelden wat buren en stamgasten van het kroegje binnen en, met de prijs van zo een fles, we waren geen krenten, gaven we aardig wat glazen weg. We werden gevierd en werden vrienden en ja, zo verging een regenachtige middag in Lissabon.
De regen ging wat minderen, de zon kwam derbij, zoals jaren later ene Piet uit Harlingen zou zeggen, en ja, we kregen wat honger en zo. Daar had de waard een goed antwoord op, hij verzorgde allemaal hapjes en zo. Kwallententakels met krulsla, schapenhersenen met zure room, veldmuisjes in het zuur en dat soort hele gezonde maar vreemde dingen. We waren daar niet zo gek op en dus zochten we een plek met gezonde en lokale voeding, dus elke McDonalds of Burger King zou doen.
Toen we buiten stapten, na een uitgebreid afscheid met veel zoenen en knuffels en groeten aan de beste koningin van de wereld en zo, brak juist de zon door. En ja, een hele warme zon. We kregen beiden een enorme dreun. Peet begon te wankelen als een oude ezel die gevraagd werd om nog eens een uur een kar te trekken tegen een berg op, maar ik werd juist kippetje fit. Peet kon echt niet meer verder. Maar: ik had ondertussen geen idee meer waar de haven was of hoever, sterker, de naam van het schip was ik zelfs kwijt en ik had al helemaal geen zin om Peet, hij was dan wel niet echt zwaar, maar toch een solide vent, te ondersteunen tot aan boord. Dus legde ik hem even op de stoep, naast de vuilnisbakken, gewoon even rusten, toch? Ik ging even naast hem zitten, even roken en de situatie bekijken.
Ondertussen speurde ik naar een taxi en ja, die zijn er in Lissabon meer dan fietsers in Amsterdam. Ik stak mijn arm op, de taxi stopte en ik laadde Peter in. De chauffeur begon een hels ratelend verhaal, waarschijnlijk over niet spugen in zijn taxi, maar ik wuifde een Portugees biljet onder zijn neus en hij lachte vriendelijk en begon over Beatriz, reina de ‘Ollande, zoiets. Hij zette ons keurig af aan boord.
Ik zeulde mijn gabber uit de taxi en pootte hem neer. Peet keek, schudde zijn kop en was weer helemaal het heertje, dat in vreselijke tegenstelling tot me zelf. Ik kreeg een dreun voor mijn kanis, niet normaal.
Voor me zag ik een enorme lange gangplank, die ik van mijn leven, dat besefte ik nog wel, nooit op zou kunnen. Peet daarentegen, die dacht dat ik hem wel zou volgen, dartelde naar boven. Ik zeeg neer aan het begin van die lange valreep en kroop, echt kroop, helemaal onder de indruk van de Vino Verde, naar boven. De mannen boven, de wacht en de oplopers hebben zich de ter... gelachen heb ik, veel later, ik lag een hele dag in coma daarna, begrepen.
Goh, der kwam geen einde aan dat stuk. Uiteindelijk ving Paul 2 me op en bracht me naar mijn bedje. Toen ik wakker werd zat Peter met een grijns van hier tot Lissabon, zeg maar, naast me. ‘Lekkere wijn, was dat niet?’ vroeg hij nog.

Op de terugreis kregen we, in de beruchte golf van Biskaje, een enorme storm te verwerken. De meesten van ons, bevaren zeelui, hadden wel eens wat wind en water meegemaakt, maar dit natuurgeweld was heel erg en het bleek een mega storm te zijn, hoorden we allemaal later.
Werkzaamheden waren bijna onmogelijk, de ouwe besloot dat er alleen zeewacht werd gehouden. Ik had, aan het begin van de storm, nog wat willen werken aan allerlei formulieren, maar de stoel, die natuurlijk vast geklonken zat aan het dek, maar wel een draaibare zetel had, wierp me van links naar rechts. Ook de typemachine sprong op mijn schoot en nee, het was onmogelijk om iets te doen. Rusten ging niet, je werd je kooi uit gelazerd dus liep ik, nu ja struikelde ik even naar de brug om een strootje te doen. De ouwe had besloten dat het ‘rood sluiten’ was, dat wil zeggen dat alle luiken en deuren naar open dekken afgesloten waren en hij had een passage verbod over alle open dekken verordonneerd. Toen ik op de brug kwam zag ik vele grijsgroene gezichten. Het brugdek ligt natuurlijk meters hoger dan het H-dek en de slingering was hier veel meer voelbaar. Overal om het schip heen zag ik enorme grijze zeeën die hoog opspatten tegen de brug en de boeg continue onderwater wilden duwen. De lucht was bijna zwart, van de vele en dreigende wolken, af en toe verlicht met hevige bliksemschichten. Het was, in een woord beangstigend.
Ome Kees zat in zijn stoel en observeerde alles, gaf op zijn rustige manier aanwijzingen aan de roerganger en aan de officier van de wacht en straalde gewoon rust en kalmte uit, alsof hij dit dagelijks meemaakte. Ik bleef even, bewonderde de rust van onze ouwe en voelde me zelf ook geruster en ging dan maar naar het korporaalsverblijf. (We hadden een soort notitieblok aan de ziekenboeg deur waarop je kon zien waar wij drieën, mocht een van ons dringend nodig zijn, op dat moment was, bevestigd.)
In het verblijf was de chaos compleet. Krukken waren om gelazerd, los glaswerk bedolf de grond, allerlei papieren en oude tijdschriften dobberden rond, want ja, de spoelbak van de tap was natuurlijk overstroomd. Ik hielp de weinige mannen die nog op hun voeten stonden, de ergste zooi op te ruimen en daarna zetten we ons schrap op de aan het schot en aan het dek vastgenagelde banken en tafels.
Die dag hadden er speklappen op het menu gestaan, maar ja, veel mannen aan boord hadden niet veel trek gehad. Een bevriende kok had een enorme bak van die traktaties, het is een van mijn favoriete happen, naar beneden gebracht en man, wat hebben we zitten smullen en schransen.

De schade was overigens behoorlijk aan boord. Heel veel kommaliewant, was naar de gallemiezen gegaan en natuurlijk waren er veel niet goed gesjorde spullen naar de klo...!  Ondanks het actieve en alerte optreden van de nauten, was er toch een van de sloepen uit haar blokken gegooid en redelijk tot zwaar beschadigd. Maar er werden geen dekhuizen ingedeukt, zoals we dat eerder wel eens hadden meegemaakt op de jagers.
Er waren wat gewonden, mannen met gekneusde enkels en vooral mannen met veel blauwe plekken en kneuzingen, maar dat was allemaal goed te behandelen.
Toch waren we allen, behoorlijk door wind en ze gewassen zeelui, onder de indruk van de krachten van de wind en de zee, maar vooral onder de indruk van het zeemanschap van onze ouwe, Ome Kees en ja, dat zeemanschap gaf een goed en veilig gevoel.

zondag 27 januari 2019

Kerstdagen: schip van de wacht (Vriend Gypsie)


Schip van de wacht (Kerstdagen op zee)

“Vroeguh, toen was alles betuh”, hoor je vaak vertellen. Nu ja, in mijn ogen is niets minder waar, maar iedereen mag zijn eigen mening verkondigen, dat is het fijne van een democratie, natuurlijk.Maar vroeger hadden we wel een schip van de wacht. 
(Dat was voordat allerlei toeslagen en financiële verbeteringen voor Janmaat werden ingevoerd zoals: vaartoelage, compensatieregelingen en wat is er nog meer. Vroeguh, kreeg je alleen maar een paar florijnen havengeld, in een buitenlandse haven alleen maar dan. Als je ging stappen, bestal je je gezin eigenlijk, je verdiende met het varen en ver weg zijn van je gezin geen ene piek meer, hoor, vaak het tegenovergestelde.)
Maar goed, ik had het in de titel het heel even over schip van de wacht en oudere lezers begrijpen wat ik daar mee bedoel. Zo’n schip, dat was aangewezen als schip van de wacht, was bijna altijd een jager of, later, een fregat. Dat aangewezen schip ging dan op maandag, iets na de middag, naar zee en voer dan langs de kust, vanaf Zeeland tot de Duitse wadden eilanden, maakte een rondje booreilanden en hield goed uitzicht op overtredingen die door andere schepen werden begaan. Vaak was dat toezien op het illegaal lozen van oliehoudende vloeistoffen van tankers of zo. Soms ook was het tussenbeide komen in ruzies die vissers onderling hadden. Dat gebeurde nogal eens en ik geloof dat ome Kees ooit een waarschuwingsschot heeft laten afvuren, maar het kan ook een romantische herinnering zijn, natuurlijk. Kortom: het schip van de wacht was een week op zee en voer en oefende vrij veel in die week.
Enfin, ook de Almo moest aan haar verplichtingen voldoen en ja, omdat wij het jongste schip van de vloot waren, mochten wij de kerst van 1982 op zee doorbrengen. Ja, dat gaf gemengde gevoelens, natuurlijk. Kerst is toch voornamelijk een familiefeest, nietwaar, maar goed, er zijn ergere dingen en na die schip van de wacht periode zouden we (twee weken lang) met winterverlof gaan en dus oud en nieuw gewoon thuis doorbrengen. Nu viel het zo dat de Kerstdagen op een maandag en een dinsdag vielen.
Omdat uitvaren met Kerst geen optie was, nu ja, begrijpelijk, gingen we dus de vrijdag daarvoor al vertrekken. Nu zijn zaterdagen op zee halve werkdagen, die voornamelijk bestonden uit, voor de niet wachtlopenden, uit schoon schippen. Ik heb dat persoonlijk altijd een prettig karwei gevonden, zo, na het verband uur, zoals dat heette, met sop en dot en een hoop water de hele ziekenboeg van top tot teen te spic en spannen. Vaak waren mijn ziekenpa’s, de P’s genoemd dus, betrokken bij activiteiten in het caf of ingedeeld bij de CLD* en kon ik lekker, onder het luisteren naar de AMUS*, mijn ding doen.
Vaak was aan het einde van de dag een inspectie van de CDT en dan stond je bij de open deur en meldde je, in mijn geval dan: ‘Ziekenboeg gereed voor inspectie, commandant.’ De ouwe, de first, de CLD en de Kaan stapten dan binnen en keken en maakten een rondje. Nu was ome Kees niet zo een ouwe die met witte handschoenen aan onder een totaal vergeten hoekje vuil wilde vinden, maar de eerste officier(en) konden en deden dat vaak wel, dus je kreeg op je zuiger van de eerste man en niet van de ouwe. Handig bekeken, psychologisch gezien, natuurlijk. Vervolgens ging je als een gek aan het werk om juist dat vervuilde hoekje schoon te maken.
Daarna was het schaften en middagrust en de rest van de zaterdag kon je naar eigen behoren invullen. De zondag op zee was, voor de boerennachtgasten*, gewoon een vrije dag, behoudens noodzakelijke werkzaamheden. We amuseerden ons in ieder geval. Kerstdagen, zijnde christelijke feestdagen en dus zondagen, niet voor de wachtlopers, natuurlijk, waren natuurlijk ook vrije dagen.
Ik heb al eerder mijn vriend Gipsy ten tonele gevoerd, een vakman en een hele serieuze vent tijdens de werkdagen, maar een pretnummer ‘eerste klas’, ook al was hij dan wel al korporaal, na de werkzaamheden. Hij was vrij van wacht, behoudens de NBCD-rondes die we een keer in de zoveel dagen moesten lopen.
Dat van die rondes moet ik natuurlijk even uitleggen. Omdat het schip vol met allerlei sensoren zat voor allerlei metingen en meldingen gaat er natuurlijk niets boven een kien zeemansoog dat alles nog eens extra controleert, toch? Dus werd er elke nacht tot tweemaal toe een al eerdergenoemde NBCD-ronde gelopen ronde gelopen door een KPL, die boerennachtsgast was. Die ronde was best uitgebreid hoor. Je begon achteraan bij de meelbergplaats, meel kan gaan broeien natuurlijk en zo vlamvatten, je liep langs de meest waanzinnige compartimenten van het schip, de lik, ja echt, de cel voor gevangenen, die bestond op die schepen, het studieverblijf, noem maar op en je eindigde je ronde in de Licht Ontvlambare Stoffen bergplaats, helemaal in de piek. Die licht ontvlambare dingen waren natuurlijk verf en terpentijn en allemaal chemische troep, die inderdaad gevaarlijk waren. Vervolgens ging je dan nog eens zes ladders op, trappen hebben schepen niet, ladders heten die dingen, en je meldde je af op de brug. Daar rookte ik vaak nog even een strootje op de brugvleugel, lulde nog wat met roerganger en of uitkijk, vaak was dat toen al een gecombineerde functie, of met de seiner van de wacht en met de LTZ die het schip beheerde die wacht.
Ook nam ik, als de officier van de wacht het goed vond, het roer, zette hem van de automaat en de officier liet me dan een bepaalde koers sturen. Dat was' heel leuk, eigenlijk. Kortom dat waren helemaal niet zulke inspannende rondjes en, het is waar, je leerde het schip, nee, jouw schip, kennen als de bekende broekzak.

Enfin, terugkomend op die Kerstmis op zee show', zoals wij, korpedanten, dat later zijn gaan noemen. De eerste kerstdag (dus de maandag, we hadden, zoals je begrijpt, dus al anderhalve dag ‘rust’ gehad, even benadrukkend, was natuurlijk het hoogtepunt van die week. De LDV had voor een fantastisch kerstdiner gezorgd. Er was veel, er was meer, er was van alles en nog veel meer. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik nog nooit zo veel en zo lekker heb gegeten. Ik zelf kook lekker, mijn lief kan ook heel lekker koken hoor, mijn kinderen hebben ook die gave, natuurlijk, maar tegen de top koks aan boord van die toen nog jonge dame, kunnen wij geen van allenhet  op.
Natuurlijk, zoals bij andere zondagen op zee, hadden we ons beste blauw aan, zeker voor het diner. (Zelfs wachtsvolk verscheen in blauw, met bintangs en al.)
Enfin, er was ondertussen een /verkiezing geweest voor KPL’s oudste* en, waarschijnlijk omdat mijn vriend Gipsy de stembiljetten had vervalst, was ik aangesteld als oudste.
(Ik ga niet verder op het verhaal in dat de toen uittredende oudste, die SGT was geworden en op de bekende manier naar de Gouden Bal was vervoerd, en mij de dag daarop al problemen bezorgde. Nu ja, niet hij, maar een van de notoire figuren aan boord, ene A. Wel op ingaan? Met tegenzin, dat begrijpen jullie wel. 
Goed dan, traditioneel wordt de te bevorderen man in een brancard gehesen, je kent ze wel, die rieten dingen die je op kan rollen zodat de patiënt flink is vastgesnoerd, vervolgens wordt die recht op gezet en wordt hem een biertje, of meerdere, gevoerd, later, gevolgd door een hapje. De man kan zich niet verweren, eten en drinken worden hem, als bij een gans voor de ganzenleverpastei, in zijn strot gewrongen. Tja, dat is natuurlijk vragen om problemen en in dit geval helemaal, de man in kwestie was altijd al een matige drinker geweest. Tsja, problemen bleven dus niet uit. Met een enorme golf kwamen drank en snacks weer naar buiten en kletterden op het dek van het KPL’s verblijf neer. Collega A., nooit verlegen om een stunt, pakte een lepel uit zijn broekzak, schepte de zurig walmende massa op en stak het in zijn mond. “Zonde van het eten toch?” riep hij. An sich, als we entre nous waren geweest, was dat niet zo erg, misschien. Maar omdat de ouwe was uitgenodigd voor dit festijn en die het ook allemaal meemaakte en zich vervolgens verontschuldigde en vertrok, was het natuurlijk wat jammer dat het gebeurde. De ochtend erna moest ik dan ook voorkomen bij ome Kees en kreeg een preek van de ouwe waar de honden geen droog brood van lusten. Ik kreeg onder uit de pul, natuurlijk. Ik excuseerde me en nam de schuld op me en bezwoer de CDT dat het nooit meer zou gebeuren en ja, het gebeurde ook nooit meer. (Ik had de mannen, ik was net een dag oudste, behoorlijk toegesproken en men begreep dat wij, die echt wel een streepje voor hadden bij de ouwe, dat niet moesten verkwanselen door zogenaamde lolligheid.)
Goed, na het kerstdiner was er een zogenaamd ‘open huis’. Dat wil zeggen dat, gedurende een uurtje of twee, alle verblijven van het schip geopend waren voor het publiek, zeg maar: iedereen kon een biertje komen drinken, op kosten van de desbetreffende gemeenschap, in dat verblijf. Nodeloos te zeggen dat de Leeuwenkuil uit zijn voegen barstte. Gipsy was een top gastheer in ons verblijf. Hij had wel een tweede barman bij zich, maar deed het leeuwendeel alleen. Hij zorgde niet alleen voor de steeds weer volle glazen, maar ook zijn muziekkeuze prevaleerde. Dat bleek vooral het nummer van Harry Slinger: "Je loog tegen mij ...” te zijn, maar ook Vienna van Ultravox en Golden Brown en zo. Heerlijke muziek die hij allemaal op een of twee cassettebandjes had opgenomen en die nu bleven circuleren. Het was oergezellig en het bleef nog lang rumoerig aan boord.
Kerstdag twee was het een beetje van hetzelfde. Ook nu liepen we in blauw, ook nu had de LDV voor een prima hap gezorgd, veel van de leftovers van de vorige dag en dat helemaal terecht natuurlijk, maar wel weer met allemaal verrassende wendingen op het menu en, zoals altijd, heerlijk!
Daarna draaiden we nog eens een muziekje, namen een biertje, deden een klaverjasje en ja, zo werd het avond, een film speelde, welke weet ik niet meer, maar er kwam een scene in voor waarin een Indiaan een Cowboy een speer door de borst wierp, hetgeen onze facteur deed uitroepen: “Goh, hij mag hem houden!”
Toen werd het woensdagmorgen en was het weer gewoon een normale werkdag. We hadden net een zaterdagmiddag en drie zondagen gehad met veel eten en met ook nog redelijk wat drank en die woensdagmorgen begon voor ons allen allemaal wat katterig. Tegen een uur of acht, we begonnen allemaal rond half acht aan de dag, weet je nog, kreeg ik een telefoontje van de chef van Gipsy of die zich toevallig ziek had gemeld en in zijn tampatje* lag. Nee, dus, niet dat ik wist. Tegen tienen liep ik, nog wat suffig, naar mijn verblijf en dronk daar, met meer collegae die ook wat pips en katterig waren mijn bakkie koffie. “Hebben jullie Gipsy gezien?” vroeg ik. “Zijn chef mist hem.” “Gipsy missen? Kan niet, niemand mist Gipsy”, was het sympathieke antwoord. En meer van dat soort grappen kreeg ik te horen. Ik besloot om, na de koffie, eens naar zijn hut te gaan. Na een kwartiertje stonden we op, maakten onze mokken schoon en wilden weer naar de diverse werkplekken verdwijnen. De deur werd opengegooid en Gipsy verscheen. In zijn beste blauw, cassettebandjes in zijn hand en liep, zonder links of rechts te kijken, naar zijn werkplek, achter de tap. Hij duwde “Ik loog tegen jou” in de gleuf, zette de muziek op heel luid, pakte een glas en tapte zich secuur een biertje in, dat klokkend in zijn keelgat verdween. “Mannen, feessie!” brulde hij. Wij waren stomverbaasd.
“He man, het is vandaag woensdag hoor, het is een werkdag, kom op joh”, riepen wij over de luide muziek heen. Hij keek ons verbaasd aan, deed de tapkraan nog eens los en zei: “Nou ja, ik ben nu toch al te laat, dus ik blijf hier maar.”
Zijn dag was nog lang en vloeibaar.



donderdag 24 januari 2019

HMS AJAX (Faslane 2)


Tijdens onze Faslane periode hadden we een zogenaamd ‘oppo’ schip. Dat is RN speak voor een ‘opposite number’, of wel een collega die aan boord van een anders schip hetzelfde werk doet, vrij, heel vrij, vertaald, natuurlijk. Maar natuurlijk ook een 'buddy' schip, zoals in dit geval. Zij moest ook, samen met ons schip, de RN Onderzeeërs helpen afoefenen. HMS Ajax (F114) was een fregat van de zogenaamde Leander klas, denk aan onze Van Speijk klasse van de jaren zeventig en tachtig. Ze was toen ook al geen piepkuiken meer, ze was in 1964 in dienst gesteld en had er al een redelijk lang en vrij gelukkig leven op zitten. Ik schreef al even eerder over haar.
We voeren dan op maandag morgen naar zee, oefenden een week en waren vrijdag middag, on time for tea, terug in Faslane. In de weekends lagen we vaak zij aan zij afgemeerd en de bemanning, in elk geval wij, Korpen en hun ‘Leading Hands’ en ‘PO’s’ gingen goed met elkaar om, hoewel er altijd rivaliteit zal zijn tussen beide marines. Maar vaak dronken we bij hun bier en aten ze bij ons, in ieder geval vaak op zondag want: rijsttafel. Ik moet zeggen dat de Butsen ook wel kunnen koken, maar hun menu is een beetje machtig, veel ‘fish and chips’ en zo, maar ze aten wel geweldig lekkere curries, zeg maar hun rijsttafels.
Goed, nu heeft de naam AJAX natuurlijk een geweldige aantrekkingskracht op vrijwel de hele Nederlandse natie en ja, dat naambord van dat schip, dat was ook wel heel fraai. Ook hun scheepsbel zou wel staan in het caf, dacht men. Ik ga heel eerlijk zijn, ik weet niet zeker of dit plan gerijpt is in het caf, in de Leeuwenkuil, of in het hoofd van onze toenmalige First, hoewel ik het hem best zou kunnen aanrekenen. Dat was een man apart, ik beschreef hem al even kort.
Maar goed, een plan werd gesmeed, een plan rijpte, werd overdacht, werd ‘gefinetuned’, werd nog eens besproken en ja, dan, op die en die avond en op dat en dat moment, na wat hartversterkingen, moest het er maar van komen. Op een zaterdag avond, na een gezellige bijeenkomst in een van de verblijven, werd het, heel sluw, ten uitvoer gebracht. Om het naambord te ‘leasen’ aan de kant van de Engelse OOFv/dW, zou gelijk staan aan suïcide natuurlijk, die gewapende man en zijn leerling zouden meteen aanslaan, dus dat ging hem niet worden. Maar gelukkig hebben oorlogsschepen aan beide zijden van de schoorsteen zo een bord, dus dat probleem was niet zo groot. Maar ja, der liepen natuurlijk diverse figuren rond en deden ook rondes aan boord, dus moet de timing perfect zijn. Uiteindelijk lukte het naambord wel. Nu de scheepsbel nog. Daar stond de eerdergenoemde functionaris met zijn helper natuurlijk wel vlakbij. (Net als bij ons goede schip, hangt zo een bel, binnenliggend, bij de valplank.) Er moest dus een afleidingsmanoeuvre worden verzonnen. In dit geval lag de AJAX als binnenste schip, tegen de kade aan. Wij, de buren, liepen dan via een tussen beide schepen liggende korte valreep naar het buurschip, staken dan hun halfdek over en gingen via hun plank van boord. De afleidingsmanoeuvre bestond eruit dat een paar van onze mannen een enorme vechtpartij op de kade zouden simuleren, waarna een ander ploegje de bel zou jatten. Aldus geschiedde, niet.
De Butsen zijn natuurlijk ook Janmaten en kenden het klappen van de zweep. Ze hadden waarschijnlijk die geintjes zelf ook bij de hand gehad, dus ze keken geamuseerd vanaf hun plank toe hoe de mannen zich een beetje voor joker lieten zetten en lachten wat meewarig toen het spelletje ophield. Goed, slechts de helft van de missie was geslaagd, maar toch had een van onze verblijven, het naambord.

Dat bleef natuurlijk niet onopgemerkt. Dat kon ook niet onopgemerkt blijven.
’s Maandags bij vertrek naar zee, kwam er een schijtseintje, op de lamp. De CDT van de Ajax, dat was toen Captain Jeremy Michael Porter RN, die schepen hadden een heuse KTZ als ouwe, was, zoals men zegt: ‘not amused’ en hij overlegde met ome Kees. Ome Kees kende zijn mannen en liet op de Dagelijkse Orders weten dat hij ook not amused was en dat hij verder geen acties zou ondernemen mits het naambord gevonden en terug gegeven zou worden.
Ja, als ome Kees not amused was, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de hele bemanning, dus die maandag werd BOZ-rol op post gepraaid en werd een naambord en een fles jonge klare naar de AJAX overgegeven.
We bleven trouwens nog lang goed hoor, met die mannen. Hoewel ze een voetbalwedstrijd van ons elftal verloren met 10 – 0, op een veld dat enigszins schuin afliep, hoewel enigszins? Het doel aan de ene kant lag geloof ik een halve meter hoger dan het andere doel.

maandag 21 januari 2019

Faslane, de Falklands


Het was eigenlijk een bizar iets. Tijdens een, nu eens kort, bezoek aan Plymouth, we kwamen er zo vaak in die tijd dat onze mensen vaak mopperden dat we er misschien beter een huis konden huren in die stad, dan wel of ‘ingeschreven konden worden bij bureau huisvesting, daar, was de klacht. Maar toch voelden we dat we ons helemaal thuis in die vrij saaie haven. Hoewel er niet veel te beleven viel, maar het volk was aardig want vaak Royal Navy volk, ouders, echtgenotes of kinderen van RN-mannen. En, oh ja, je had er een aardige zaterdag markt waar ik geregeld gebruikte boeken kocht, werken van Hammond Innes, Douglas Reeman van Basset of Trew, maar ook vaak fraaie en goedkope boeken over marineschepen en maritieme historie. In mijn boekenkasten staan er nog de nodige van, met enorme korting uit die Ramsj gekocht.
Tijdens een van onze zaterdagmorgen loopjes, die ik soms alleen of met wat maatjes maakte, zagen we twee fregatten van de RN in de haven liggen, met allebei een Argentijnse vlag op het halfdek. Het waren, volgens mij, twee fregatten van de ‘Amazon’ klasse, maar goed, dat weet ik niet helemaal zeker. De Argentijnen hadden, begreep ik, maar ik vind dat niet zo snel terug, twee fregatten van de RN overgenomen. Wat ik wel zeker weet is dat enige tijd later de ‘Falkland’ oorlog uitbrak. Dus even een hele korte geschiedenis. 
In de zuidelijke Atlantische oceaan ligt een Eilandengroep, de Falkland eilanden, ingenomen door de Britten, ergens in de achttiende eeuw, als tussenstation voor de walvisvaarders of/en the RN, zeg maar. De Argentijnen claimden dat die groep eilanden al door de eeuwen heen Argentijns was, (Las Malvinas) terwijl de gehele en hele kleine, bevolking uit Engelse ‘kolonisten’ zeg maar, bestond. Een Argentijnse legereenheid ging de eilanden bezetten en de vrouwelijke premier van de UK, "the Iron Lady”, Margaret Thatcher, aarzelde geen moment en zond een zogenaamde ‘task force’ naar de, overigens totaal onbeduidende eilandengroep die nauwelijks 3200 inwoners kent. Maar goed, terecht waren de ‘Butsen’ op hun plasser getrapt. Het mini brandje werd niet in de kiem gesmoord maar werd echter een heuse oorlog waarbij duizenden militairen aan beide kanten sneuvelden. Ook maritiem technisch ging het niet helemaal goed. De Argentijnse kruiser AMA Belgrano, de oude USS Phoenix, werd tot zinken gebracht door de onderzeeër HMS Conqueror. HMS Sheffield werd ook een slachtoffer. Ook een paar Amazon klasse schepen overleefden die oorlog niet of ternauwernood.
Het tot zinken brengen van de net eerdergenoemde Sheffield, bracht veel reuring teweeg. Het schip werd getroffen door een Exocet raket, een wapen dat de Engelsen zelf maakten en aan de Argentijnen hadden verkocht. Vermoedelijk herkende het onderschepping systeem aan boord van de Sheffield het wapen niet, als zijnde een eigen wapen. Nu ja, dat hele Sheffield incident, kregen wij, maar ook op andere fregatten, voorgeschoteld als oefenstof tijdens de NOST, de Navy Officers Sea Training, een ‘opwerktraject’ voor NAVO-schepen. (Vaak vervloekt, je werkte je de Jan tandjes, je oefende je de Tinken vering, maar wel helemaal goed voor schip en bemanning, zeg ik nu, nog uitblazend na de laatste Sea Rider inspectie.)
Overigens, een kleine noot: onze ouwe Dikke Boot, Hr. Ms. Karel Doorman deed ook dienst in die Argentijnse Marine, nu als AMA Veinticinco de Mayo. Ze speelde een kleine tot geen rol, in die oorlog, ze werd teruggetrokken uit vrees dat ze getorpedeerd zou worden, net als de Belgrano.
(Ook de RFA Sir Tristram werd zwaar beschadigd. Ze werd met een of ander heel groot liftschip aan boord genomen en gerepareerd in de UK. Ik heb jaren later een hele fijne tijd aan boord van die Sir Tristram doorgebracht en ben zelfs gedurende een week, chef ziekenboeg op haar geweest. Da's een heel maf verhaal, maar dat vertel ik (n) ooit nog wel eens.)

Maar enfin en soit en zo, nu even opschieten. Toen al onze proef- en opwerkvaarten afgelopen waren, was het in de holst van de Falkland oorlog, of wel de oorlog om de Malvinas, zoals de Argentijnen dat zeggen. Nee, het was aanvankelijk ‘a little war”, zoals de Limeys dat toen nog zo vrolijk zeiden, maar het kostte hen wel een hoop schepen, maar, erger nog, een hoop getrainde maten en mariniers. Dat het Empire uiteindelijk won, was natuurlijk te danken aan de RN en de Royal Marines. (Maar ze hadden, zei ik al, een enorme prijs betaald. Het boek: Rainbow Soldiers, ISBN 0722191995, van ene Walter Winward, is een schitterend verhaal over die oorlog en dus een aanradertje!)
De NAVO werd helemaal buiten die, door Mrs. Thatcher, zeg maar, gewonnen oorlog gehouden. Edoch, niet onze KM. Nu ja, we deden niet aan die oorlog mee, dat niet, maar we waren in zoverre wel betrokken bij die strijd, dat de Butsen (dat zeggen onze MARN’s tegen hun Engelse collegae) nu natuurlijk hun vloot, in ieder geval dat wat ervan over was, naar het zuiden van de Atlantische oceaan moesten dirigeren en dat wel ASAP*. Daar zijn heldenverhalen over verteld en geschreven. Ik, praktiserend Anglofiel, geloof dat allemaal. Ik ga heus geen lans breken voor die gasten die, na honderd jaar nog niet weten dat ze aan de verkeerde kant van de weg rijden of die nog steeds hun patat, nou ja, patat, uit een krant schaften, met verkeerde vis erbij met van die walgelijke vinegar maar: in Navy zaken weten ze wel wat ze doen.
Maar goed. De RN had een hele zooi subs, kort voor submarines of wel onderzeeërs die natuurlijk ook moesten worden ingezet. (Een van hen heeft trouwens een fraaie prijs behaald. HMS Conqueror torpedeerde de ARA Belgrano, een, weliswaar al veertig jaar oude kruiser, maar toch en zie boven.) Maar ja, hun boven water schepen waren dus allemaal aan het opwerken en die subs hadden nu geen doel- en oefenschepen om mee af te oefenen. Dus vroeg Maggie aan onze regering of wij wilden helpen. When the going gets tough etc. Dat was natuurlijk weer aanleiding tot een hoop politiek gezeur en gedoe want dan zouden we ook indirect in die oorlog betrokken worden en zo, maar de bazen van de KM waren kort door de bocht: er moest toch al een Nederlandse onderzeeër naar de UK om te oefenen en ja, die moest dus oefenen met een Nederlands fregat, dat was logisch, nietwaar? De politici buitelden over elkaar heen vanwege de fijne en no-nonsense oplossing die de marine baas weer gevonden had en stemden hartgrondig in. Dus werd de Almo naar Faslane en omstreken gestuurd om daar de resterende Engelse onderzeeërs af te oefenen.
Maar, niet alleen de onderzeedienst bemanningen moesten die oefeningen ondergaan, maar ook een heleboel choppers, heli’s, dus, moesten aan- en opvliegen op een bij voorkeur zoveel mogelijk hellend en steigerend dek. Nu ja, dat deden wij en de zeegang dan wel voor hen. Maar ook Engelse bevoorradingsschepen moesten het vak nog leren en dat dan van een professionele bemanning zoals de onze.
Ik weet dat we in die tijd heel veel te doen hadden met de RFA Black Rover. We hadden er, naar het bekende wijsje van de Dubliners, een hele populaire Ierse folkgroep, een tekstje op gemaakt, dat we, na elke keer laden zongen. “And we no, no, never, no, no, never no more, will we load from Black Rover, no never no more.” Vaak beantwoorden ze dat met een flauw lied over windmills en zo. Ja, het was wel wat studentikoos, maar het gaf wel de band aan tussen de schepen.
En, achteraf bezien, werd dat afoefenen daar in Schotland met heel veel plezier gedaan. In mijn herinneringen hebben we een week of acht in het gebied aan de Schotse westkust doorgebracht. Onze basis was Faslane (Naval Base) aan het Gare Loch. Een basis die heel anders heet, overigens en helemaal verborgen is in al die Lochs en andere zee inhammen in dat woeste Schotland. Faslane was/is de basis voor de Engelse atoom subs. (Nu werd onze detachering daar voor het Nederlandse volk behoorlijk geheimgehouden. Atoom subs en linkse politieke groeperingen, zoals die toen redelijk aan de macht waren, lagen niet zo goed in die jaren, en nog steeds niet, geloof ik. Er was al sinds jaren een kamp van geitenwollen harry’s en Heidi’s, in die buurt, waaronder ook een Nederlandse politica die helemaal teugen waren deel aan namen, en het zou een rel van ongekende afkomst zijn, zeg: herrie met heel veel sambal, als het bekend zou worden dat wij, cloggies, terzijde mee zouden doen aan de Falkland oorlog. In die tijd bestond de CPN nog en de PSP, allebei marxistische partijen die nu, een op een overgegaan zijn in de SP en Groen Links, voor zover ik het begrijp.)

Was dat opwerken in/bij Faslane een straf? Nou, ik geloof niet dat wij dat zo zagen. We gingen vaak op maandagmorgen om 0800 naar zee, (Zulu of Bravo? Ik heb der nooit wat van gesnapt) en vrijdagmiddag, just in time for thea, waren we dan weer terug. Dat deden we bijna altijd in het gezelschap van HMS Ajax, kijk, dat is nu eens een naam die ik kan en durf uit te spreken. De Ajax was een al wat oudere Leander klasse fregat. De Engelse Van Speyk’ s, zeg maar, maar dan net andersom. Wij hadden in licentiebouw de Van Speyk fregatten gebaseerd op de Leanders, maar wel aan onze normen aangepast, natuurlijk. Die Ajax, spreek uit: Ejeks, was een mooi en goed schip en we hadden hele goede contacten met haar en met haar bemanning. Wij dronken bij hen, ze aten bij ons en dat over en weer.
Maar door de week vielen wij hun onderzeeërs aan, zij vielen ons dan weer aan en volgens onze onderzeeboot bestrijding team, wonnen wij, elke keer weer. Volgens de Engelsen overigens wonnen zij, elke keer weer. Feit is, dat we na afloop van onze missie een prachtig en complimenteus telegram kregen van hun vlagofficier die ons hartelijk dankte voor onze professionaliteit. Hij had weinig schepen meegemaakt, schreef hij, die zo een inzet, bereidheid en zo een vakmanschap en enthousiasme hadden om Engelse schepen tot zinken te brengen, ten toon hadden gespreid, als een vroegere vijand en latere bondgenoot. Nu ja, niet na de vierde Engelse, in zijn language: ‘Fourth Dutch war’. Of zoiets.
In ieder geval kregen we eens een seintje van een CDT van een van die Engelse ‘subs’. Het was zo, dat, du moment je een onderzeeër peilde, er een oefenhandgranaat overboord werd gegooid. Die deed verder niks, maar maakte wel een harde knal. (Zie het verhaal over Teun, verder op.) Het seintje van die Engelsman was: “Stop trowing your bloody handgrenades, you’re giving the crew a headache, zo piss off, you’re too good.” Om dus alleen maar aan te geven dat ons OZB-bestrijdingsteam behoorlijk ‘on the ball’ was.

(Met dank aan de bijdrage van Hans. Hij vertelde een fraaie anekdote over het ASAP aflossen van een Engelse ‘Wannabee sub CDT De man had te veel gelebberd en maakte enorme fouten dus werd hij, zonder enig pardon van boord gehaald, met een heli.’ Maar ook herinneringen aan Dolle Driekus vloeien nu de ouder wordende geest binnen. Hij werd een van de laatste echte ‘types’, zoals die wat excentrieke figuren worden genoemd, bij de baas. Dacht je? Maar we hadden geloof ik allemaal van dat soort figuren aan boord. Ik ga nu een man noemen, natuurlijk alleen zijn voornaam. Een stoker: Jan! Hij was zo groot en grofstoffelijk dat je hem het liefste uit de weg zou gaan, zeker bij verduisterd varen of bij oefeningen met zwart licht*. Maar, hij was ook een van de meest zachtmoedige figuren aan boord. Hij had zich ooit, nog op de Snellius, in het dok, ontfermd over twee ‘hang- of zwerfkonijntjes’, ergens opgepikt tussen de rails van de kranen, verlaten door het nest, die in zijn blauwe werkhemd een warm nest vonden. Hij voerde ze met de fles en zo, staat me bij. Toen een van de twee helaas in het lege droogdok was gevallen en daarbij triestig was omgekomen, huilde hij tranen met tuiten.
Deze Jan is momenteel een van de weinige Shihans in de wereld. Ik ben zelf niet zo goed in die termen, maar ‘stoker’ Jan is dus een van de meest vooraanstaande gevechtsinstructeurs ter wereld, zo niet de meest vooraanstaande, in die sporten. Pet af, buigen en ook heel diep en helemaal gemeend. Ik weet dat 'ie de serie leest, dus Jan: hierbij!)

Stappen in die tijd van Faslane? Faslane Naval Base was niks, eigenlijk. Nou ja, wilde je stappen dan moest je eigenlijk wel naar Helensburgh, een gat, of naar Glasgow, maar die laatste stad was een behoorlijk eindje weg. Je kwam dan onder ook andere langs Loch Lomond.
(Striplezers, nu ja, Kuifje strip lezers in ieder geval, weten dat Loch Lomond whisky een running gag is in heel veel Kuifje albums. Zo drinkt de Kapitein, Haddock, geregeld (teveel) Loch Lomond en Kuifje ontvlucht eens een zooi boeven, zittend op een ketelwagen van dat merk. Zijn trouwe hond Bobby zit echter onder een lekkage van die Scotch en heeft een gillend stuk in zijn edele delen, na een paar pagina’s.)
Faslane is dus noppes. In Faslane zelf had je wel een kroeg hoor. Die werd gerund door ene Moira. Een Schotse die dan wel niet zo oud was als de Hooglanden zelf, maar wel een figuur had als die Hooglanden zelf, met heuvels en dalen met fraaie doorkijkjes, zeg maar. Als je me vat, dan, maar dat zal wel niet, want jullie zijn allemaal nette heren dan wel dames, natuurlijk.
Glasgow, daar kon je naar toe met een soort opstap busje, maar om die stad te bereiken reden we eerst (toen) door allemaal nare en saaie buitenwijken, allemaal van die Coronation Street straten en ja, ik zelf vond er aanvankelijk weinig aan, als ik eerlijk ben, maar toen ik de binnenstad had bereikt en de stad echt goed bekeek, werd ik wanhopig verliefd op die stad. Later kon ik haar nog eens bekijken en ja, wat een fraaie en bruisende stad is het eigenlijk!

Ik moet nog wel even een verhaal kwijt over een van onze opvarenden, een NAUT, ene Rob. Hij was, hoe zeg ik dat netjes, een soort ‘natuurmens’ zeg maar. Kennen jullie je klassiekers, zoals de strip: Suske en Wiske? Dan weten jullie dat daar ene Jerommeke in voorkomt. Een natuurmens, hij was heel clever, voor de dood niet bang en walgelijk sterk. Ik heb me, door ene KWMR laten vertellen dat, net voordat we lasten gingen overnemen, vier man met het zogenaamde testgewicht aan het sjouwen waren. Dat test gewicht was 150 kilo zwaar en werd eerst een paar keer tussen de schepen overgezet om te zien of de lijnen die test wel konden ondergaan, voordat de eigenlijke lasten werden overgezet. Zijn collegae knoeiden een beetje, struikelden wat heen en weer en hij zag het hoofdschuddend aan, duwde zijn collegae opzij, zei iets van sukkels of zo en sjouwde in zijn eentje het genoemde gewicht naar de daarvoor bestemde plek. Zie hier: Rob. De man was overigens ook een van die figuren die, net als die bepaalde KWMR helemaal in het straatje van de Almo paste. Zo kwam hij ooit in een Kneipe in Hamburg. Daar waren veel dames aanwezig van lichte en dus van hele sympathieke zeden, zoals men dat ooit noemde. De bar zat helemaal vol, onder andere met veel van die dames. Rob kwam binnen, wilde een biertje kopen en plaats nemen aan de bar. Hij zag dat al die krukken helemaal bezet waren door in ragfijn en bijna niets verhullend ondergoed gehulde dames. Maar: Rob wilde zitten met zijn biertje en dat ook aan de tap. Hij bedacht zich niet, haalde met zijn maat 45 uit en schopte een kruk onder het zitvlak van een van de dames van de vlakte uit: “Jij wordt betaald om te leggen, ik betaal om te zitten”, vertelde hij haar kort en bondig.
Rob heeft in Glagow trouwens wel een hele korte verkering met een WPC* (een vrouwelijke politieagente) gehad. Dacht hij. Hij zoende haar, toen ze hem wilde oppakken, omdat hij in een standbeeld was geklommen, vol op de, je weet wel. Die ‘verkering’ eindigde overigens in een cel van de MOD* police.

Ik zelf heb, dat was net na de Falkland oorlog, ook nog eens zo een raar stap akkefietje gehad. Ik ging nooit stappen natuurlijk, nu ja, bijna nauwelijks, heel soms, een enkele keer dan. Die avond, een tijdje later en het was in Portsmouth, was ik met die heel bepaalde KWMR, ene A.E. de wal op. We hadden vooraf een klein biertje gepakt in de Leeuwenkuil, hadden nog even een lokale Pub bezocht en waren in een opperbeste stemming. We hadden weer een week heel hard gewerkt en hard gevaren, we hadden veel gedaan, mooi werk afgeleverd en het schip zag er weer helemaal “kek” (een uitdrukking van onze NAVO, ook al zo een apart figuur) uit. Dus ja, we pakten een pint ergens en mijn stapmaat wilde weleens een lied zingen als hij een biertje op had. Zijn repertoire keuze was niet helemaal doordacht. Want om nu “Don’t cry for me Argentina” te zingen, terwijl de laatste Engelse schepen vol kogelgaten en met moeite opgelapt terug de haven binnenkwamen? Het leverde geen punten op en zeker geen omkerende stoelen of zo. 
Wel een hoop kritiek van de Engelse vakjury en een sprint onzerzijds om aan een pak slaag te ontkomen.
Tja, stappen, dat zeemansleven, dat is wel zwaar.

donderdag 17 januari 2019

Bremen 3 en laatste

En zo is het verhaal over Bremen ook weer afgerond. 


Ik vond Bremen achter af, geen geweldige haven, als ik eerlijk ben. Natuurlijk heeft de stad na al de bombardementen van '44 en '45, nog wel wat fraaie gebouwen overgehouden en er is een leuk beeldje van de ‘Bremer Stadsmuzikanten’, die van dat sprookje, maar verder, nee, niet echt. Nu komt dat waarschijnlijk meer doordat ik zelf helemaal niet goed in mijn vel zat in die periode. Mijn huwelijk liep, ja, het is ook een wat persoonlijke geschiedenis dit boek, nu ja deze Blogs, natuurlijk, bijna op elke klip waar het maar op kon lopen en de toenmalige echtgenote en ik hadden elkaar niet veel meer te vertellen. We waren nog wel ‘bij elkaar’ vanwege onze zoon, maar dat was het dan ook zo ongeveer. Dat gaat een mens niet in zijn kouwe kleren zitten, op den duur.
Nu hadden de collegae ook wel in de smiezen dat het allemaal niet zo lekker ging, vermoedde ik dan. Ik kreeg namelijk nooit post. Van thuis dan. Dienstpost zat, dat wel. Onze facteur, een vreselijke enthousiaste, een andere dan die uit Emden, ene Hans. Het was ook wel een leuke en jonge kerel, maar had dat ook in de mot natuurlijk en op een gegeven moment, we waren die vrijdag net in Bremen aangekomen en hij was wat later met de post dan anders, belde hij naar het korporaalsverblijf, ik hing daar even uit, toevallig, en vertelde me dat er post voor me was. "Privé", zei" de schurk erbij. Nou, nou, toe maar. Ik ging, toch wel, op een holletje, naar de ziekenboeg en inderdaad, er stond, op het bureau een kaartje. Een kaartje van Bremen. Van die stadsmuzikanten. Met de tekst: “Lieve ziekenpa, je krijgt nooit post, dus nu krijg je er eentje van mij. Je facteurtje”.
Natuurlijk was ik even teleurgesteld, maar ik kon er natuurlijk ook wel weer hartelijk om lachen. (Ja, zo was die sfeer aan boord nu eenmaal.) En ja, een goede grap verdient een goede tegen grap natuurlijk. Ik liep dus naar achteren en belde boven aan de trap naar het korporaals verblijf met een telefoon voor algeheel gebruik, naar de man in onze bar. Dat was mijn oude vriend Gipsy. Ik vroeg naar en kreeg ook de facteur. Zo boos en kwaad mogelijk, ondanks de lach in mijn hart, zei ik dat ik zijn geintje helemaal niet kon waarderen en dat ik hem wel even voor zijn rare muil zou meppen en meer nare en strenge woorden van die strekking. Ik knalde de hoorn op de haak. De facteur dacht waarschijnlijk dat ik vanuit de ziekenboeg belde en dat hij nog wel de tijd had om te kunnen vluchten. Ik hoorde deur van het verblijf opengaan en mijn vriend de postbode verschrikt roepen ‘dat ik witheet was en hem in elkaar wilde hengsten’. “We moeten hem tegenhouden”, hoorde ik een andere collega, Gipsy naar het bleek, zeggen. Ik had me wat verborgen in een hoek en iets later zag ik de wat wit vertrokken kop van de postbode naar boven komen, gevolgd door nog twee maten. Ik stapte uit mijn schuilplaats tevoorschijn en opeens bevroor hij, de korp, die me aan zag komen. De twee anderen hadden niets door natuurlijk en knalden op de opgaande trap, volle bak op hem. Het hele gedoe leek meer iets uit een komische film dan drie onderofficieren van de strenge koninklijke marine die een trap bestegen. Ik begon te steigeren van de lach en ook de drie mannen begrepen dat het een grap was. We namen er een op, de grap werd herhaaldelijk doorverteld door gasten die de wacht hadden gehad en het verhaal niet hadden meegemaakt en nu ja, het bleef nog wel lang licht, die avond.

Een ander incident dat mijn zaterdag avond wel helemaal opvulde en die mij de zondagmorgen een speurtocht deed laten maken begon met een bezoek van een onderofficier aan de ziekenboeg. Ik had die zaterdag de wacht overgenomen van Kees en Paul, die graag eens wilden kijken of Bremen inderdaad zo saai was als ik vertelde en ik had nog een hoop werk te doen. Kees was al terug van de wal, hij vond de stad ook niet erg veel en ging een filosofisch dispuut voeren in de longroom met de Eerste Man, vertelde hij. Ja, zo vertelde ik het ook weleens aan de maten als ik een biertje ging halen. Ik had een heleboel medische administratieve zaken te doen, waar ik het nu niet over ga hebben, dienstpost, zoals ik al zei. In ieder geval, ik schoot lekker op, toen er aan de deur van de ziekenboeg werd geklopt, ik die opende en een patiënt binnen zag komen. Die patiënt zag er niet uit! Een dik opgezwollen oog, een gescheurde lip, een scheur in de huid van de schedel, overal schaafwonden en zo en een behoorlijke drankadem.
Ik herkende de man, na veel observeren wel. Het was een onderofficier van ons schip en ook nog eens iemand die in de hiërarchie van de LD boven mij stond.
‘Joh, que passa?’ vroeg ik in mijn beste Duits. Je kent het wel. Mensen met een dikke lip en zo, lu…. bijna geen Nederlands meer. In een soort Pools, of zo, vertelde hij, de patiënt, een beetje door zijn neus sprekend ook nog, dat ‘ie met zijn fiets in een tramrail was blijven haken en zo op zijn muil was gegaan. Het klonk ongeveer zo: ‘Ik bej ovje jen trjamrjails gevalje me me fjiets en sjo op mijn muil gegjaan’.
Ik belde de arts toch maar even. Die man moest ook maar eens wat doen voor zijn dikke traktement, nietwaar? Ik onderzocht de patiënt ondertussen en vond het wel wat raar, allemaal. Als je op je plaat gaat met de fiets, dan land je meestal op één kant. Wist ik uit ervaring, als hartstochtelijke fietser, die af en toe ook weleens viel. Dan heb je dus vaak aan een kant van je hoofd of je lijf allerlei wonden. Maar hij had èn een dikke lip èn een bloedneus èn een dicht oog links, maar ook een soort snijwond aan zijn hoofd rechts en dat klopte niet helemaal. Bovendien had hij ook nog eens een dreun op zijn rechteroor opgelopen.
Dokter Kees kwam en zag en deed wat neurologisch onderzoek en gaf wat adviezen en ik nam de man dus een nachtje ‘ter observatie’ op, zoals dat zo fraai medisch heet. Natuurlijk verzorgde ik zijn wonden, met Betadine jodium en verband middelen en zo en vroeg of ik nog wat collegae moest waarschuwen? Nou, alleen de sergeant bottelier even, want die was zijn vervanger. Goed, verder liep het allemaal wel goed af, gelukkig, maar de schrik zat er bij hem goed in. De Sergeant bottelier kwam, vernam de bijzonderheden, tutte en frutte en zowat, bracht een fles bier, die ik niet gezien heb, maar die ik uiteraard wel verboden zou hebben als ik die gezien zou hebben en de man vertrok weer, een dikke grijns op zijn gezicht. Waarom? Vond hij het fijn dat zijn collega in de ziekenboeg lag? Nee, zo een man was hij niet. Dus ja, toch klopte er iets niet, dat voelde ik.
Ik liep de volgende ochtend eens de hangar binnen, waar de fietsen waren gestald en bekeek de fiets van de man. Ik voelde me een beetje een soort Maigret. Het was een oud soort racefiets, je kent ze nog wel, met schakel commandeurs nog op de buis en van die stadsremmetjes en zo aan het stuur. De fiets was, behalve dat ze wat oud en wat smerig was, helemaal schadevrij. Ja, maf. Als je met een fiets op je plaat gaat, dan is over het algemeen allen het stuurlint beschadigd, de trapper aan de kant van de val wat verbogen en is de remgreep verplaatst aan de kant waarop je gevallen bent. Maar niets van dat alles, de fiets leek op van alles, behalve op een fiets die een crash had meegemaakt. Ik was de middag daarvoor zelf even de wal op geweest, een kopje thee gaan drinken, je kent het wel. Ik had in de hele stad wel enkele tramrails gezien, eerlijk gezegd, maar niet in de wijk waar hij over vertelde.

Maanden later, de wonden waren natuurlijk gewoon mooi genezen, hij ging bijna van boord om een andere functie te gaan doen, schoot ik hem, tijdens een afscheid BBQ op het hangardek, nog eens aan. Hij had een lekker biertje op, hij lulde gemakkelijk en ik vroeg hem hoe dat ongeval met die fiets nu werkelijk zat. “Tja, dat was heel lullig en je had gelijk dat je het niet helemaal vertrouwde. Ik ken al jaren een vrouwtje in Bremen. Dus was ik daar die vrijdag naar toe gegaan en ja, ik was blijven snurken. Ze is wel getrouwd, hoor, maar die vent van haar werkt in de offshore en zou eigenlijk pas over twee weken terugkomen van zijn booreiland. Dus speelde ik een beetje booreiland bij haar. Nou ja, je vat hem al, natuurlijk. Hij kwam twee weken eerder thuis. Man, man, man, wat was die kerel groot! En sterk. Hij mepte me alle kanten op, ik had geen tijd om me te verdedigen. Ik ben uiteindelijk kunnen vluchten door de keuken en zij flikkerde me mijn kleren achterna vanuit de slaapkamer.”
Ik ben hem verder helemaal uit het oog verloren. Ik heb alleen nog eens over hem gehoord dat hij in een werkkast met een schoonmaakster van de kazerne waar hij toen geplaatst was, in flagrante delicto werd geschaakt de commandant die een inspectieronde maakte op een vrijdag.

Even terugkomend op mijn huwelijk: ik ben een dik jaar na mijn Almo periode overigens gescheiden, ben nu nog steeds heel gelukkig (al weer bijna 35 jaar) hertrouwd met mijn, nu ja dé echte lief, zeg maar, we en ik hebben vier geweldige kinderen en we zijn de hele trotse opa en oma van de twee fraaiste en liefste en ja, natuurlijk, slimste kleinkinderen van de wereld.

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...