(Dit verhaal gaat voornamelijk over mij persoonlijk. Het is geen verhaal om echt heel trots op te zijn, ik ben, blijkt dus, ook geen heilige of zo. Maar het is wel een verhaal dat geschreven en gepubliceerd moet worden, vind ik dan wel weer.)
In die tijd had ik, zoals de meesten van ons dat hadden,
een stapmaatje, nu ja, meerdere stapmaten, maar twee sprongen eruit, ene Peter
en ene Johan. Beiden waren collega korporaals, zij waren allebei GSKNST, konstabels, dus. Samen met
Paul 2 en/of Kees vormden we ook een klaverjas genootschap. Tijdens de middagpauze,
we waren vaak voorschafters* zoals dat heet, dan ga je al om 1115 eten in plaats van 1200 en heb je dus een uurtje meer om te rusten of te ontspannen. Mits
de werkzaamheden dat toelieten, natuurlijk. Dan zetelden we ons rond de
onderzoektafel in de ZB en de kaarten gingen rond. Paul en de arts waren vaak
een koppel, soms deed ik mee, als een van hen niet kon en Peter en Johan waren
een koppel, waarbij ik, mocht een van hen de wacht hebben, insprong. Klaverjassen
is een groot ding bij de vloot, maar niet bij het Korps, vreemd genoeg, nu ja, eigenlijk niet zo vreemd, je moet tot meer dan vier kunnen tellen, dus alles na, een, twee, drie, zet af geweer is natuurlijk moeilijk.
(Later, tijdens een wintertraining, heb ik het klaverjassen geïntroduceerd
in onze gecombineerde MARNS en Vloot ZB-groep, ergens in een kazerne in Steinkjer, in het westen van Noorwegen, waar het echt koud was, waar het echt sneeuwde en zo en dus niet de paniek die vandaag in ons land (300119) verwacht werd.)
Maar goed, die bepaalde zondag in Lissabon
wilden we, mijn maten en ik, een stapje aan land zetten. Nu had Johan de wacht, in de TC, vreemd
genoeg. Maar men ging ervan uit dat je geen hoog technische opleiding nodig
had om de alarmlichten die mochten afgaan, te beantwoorden met een oproep aan
de dienstdoende TDW’er.
Dus Peet en ik liepen de plank af, gingen de
kade op en de stad in. Lissabon is een bijzonder fraaie stad. Het staat vol met
de prachtigste gebouwen en kerken en musea. Zoals jullie zullen begrijpen gingen
Peter en ik natuurlijk de wal op om die kerken en musea te bekijken, dat begrijpen jullie wel. Maar
hoeveel van die dingen kan je in een ochtend en een middag bekijken? Van buiten
dan? Niet zoveel, vooral omdat het beren koud was geworden nadat een hevige
regenbui de stad en ons doorweekt had. Omdat het bij het vertrek van boord nog
heerlijk weer was geweest, een graadje of twintig met een aangenaam zonnetje,
hadden we alleen een jeans en een T-shirt aan. Geen jasje of jack bij ons, dus.
Tja, wat doe je als je van buiten zeiknat bent?
Dan ook maar van binnen zeiknat worden dus. Te dien einde bevinden zich in
Lissabon, maar daar niet alleen, natuurlijk, de nodige uitnodigende etablissementen.
Veel, heel veel van die etablissementen en ze hadden allemaal hun deuren geopend. We zagen een
dergelijk etablissement met een fraai uiterlijk en door het raam zagen we dat
het een gezellige tent leek, met veel hout en zo.
Dus gingen we schuilen en bestelden groene thee,
die geel was met een witte kraag en niet te drinken. Wat een smerig brouwsel
was dat, zeg. Ik weet echt het merk niet meer, maar ik zou der ook geen reclame
voor kunnen maken ook al zou men mij wel betalen. Waarschuwing: Portugees bier! Houdt je er verre van.
Maar ja, we waren, na een half glas bier, natuurlijk nog veel te droog van binnen dan in verhouding tot buiten en we lieten de waard dan ook weten dat we iets anders wilden. Van sterke drank moesten we niet zo veel hebben, op dat tijdstip van de dag in ieder geval, dan. De waard had onze onderlinge gesprekken een beetje gevolgd en had al begrepen dat wij ‘Ollandesie’ waren. Hij begon zich te verontschuldigen dat hij geen ‘Eineken’ had, maar hij had wel een goed Vino Verde. Groene wijn? Wat is groene wijn? Hij pakte een fles uit de koeling en liet die aan ons zien. Nu had die fles dezelfde vorm als die van een fles rosé, die ik, jaren her, eens had leeg gelebberd op een eiland in de Azoren, waar we met een uit de West terugkerend stationsschip eens een weekend hadden doorgebracht. (In die tijd dronk ik nog weleens rosé, maar ik vind er nu geen ruk meer aan, hoor.)
Ik knikte enthousiast naar de man en hij schonk met gulle hand de glazen vol en borg de fles weer op. We proefden, nee, niet zoals echte wijnkenners, hoor, een teugje en dan slurpende, wat viezige geluiden makend, a la Gort, nee, wij proefden ‘ad fundum’ zoals dat heet en plaatsten de lege glazen met een tik en goedkeurend knikkend terug op de fraaie en al heel ouwe tapkast. De waard, de koelkast deur nog open en de fles nog in de hand, keek wat verwonderd om, begreep dat wij het lekker vonden en er kwamen escudo tekens in zijn bruine mediterrane ogen.
(Er kloppen in deze overigens korte zin, twee dingen niet: de escudo is niet meer de munt van Portugal en het land ligt niet en lag nooit aan de Middellandse Zee, maar een kniesoor, nietwaar?)
Hij begreep dat wij niet bang waren om op een escudootje te kijken. Nu moet ik zeggen dat een fles van die wijn net zoveel koste als een biertje aan boord, hoor. En de fles was niet al te groot en ja, de glazen waren wel vrij groot. Na die ene fles besloten we te gaan, nog meer musea en kerken bezichtigen en zo. Maar de barman zag dat met meer dan hele lede ogen aan en gaf zowaar een fles weg. Die man was duidelijk geen BOTT geweest, begrepen we, dus ja, we namen de gift met graagte aan, besloten om die fles dan ook maar te legen en daarna weer meer kerken en zo...
De regen begon met heel veel enthousiasme neer te plenzen en we zouden dan dus nog maar even wachten tot het droog was. Ondertussen kletsten we honderduit met de barman, zongen, we hadden het ondertussen weer wat warmer gekregen, wat ondeugende zeemansliedjes en man, wat was het gezellig allemaal. Der druppelden wat buren en stamgasten van het kroegje binnen en, met de prijs van zo een fles, we waren geen krenten, gaven we aardig wat glazen weg. We werden gevierd en werden vrienden en ja, zo verging een regenachtige middag in Lissabon.
Maar ja, we waren, na een half glas bier, natuurlijk nog veel te droog van binnen dan in verhouding tot buiten en we lieten de waard dan ook weten dat we iets anders wilden. Van sterke drank moesten we niet zo veel hebben, op dat tijdstip van de dag in ieder geval, dan. De waard had onze onderlinge gesprekken een beetje gevolgd en had al begrepen dat wij ‘Ollandesie’ waren. Hij begon zich te verontschuldigen dat hij geen ‘Eineken’ had, maar hij had wel een goed Vino Verde. Groene wijn? Wat is groene wijn? Hij pakte een fles uit de koeling en liet die aan ons zien. Nu had die fles dezelfde vorm als die van een fles rosé, die ik, jaren her, eens had leeg gelebberd op een eiland in de Azoren, waar we met een uit de West terugkerend stationsschip eens een weekend hadden doorgebracht. (In die tijd dronk ik nog weleens rosé, maar ik vind er nu geen ruk meer aan, hoor.)
Ik knikte enthousiast naar de man en hij schonk met gulle hand de glazen vol en borg de fles weer op. We proefden, nee, niet zoals echte wijnkenners, hoor, een teugje en dan slurpende, wat viezige geluiden makend, a la Gort, nee, wij proefden ‘ad fundum’ zoals dat heet en plaatsten de lege glazen met een tik en goedkeurend knikkend terug op de fraaie en al heel ouwe tapkast. De waard, de koelkast deur nog open en de fles nog in de hand, keek wat verwonderd om, begreep dat wij het lekker vonden en er kwamen escudo tekens in zijn bruine mediterrane ogen.
(Er kloppen in deze overigens korte zin, twee dingen niet: de escudo is niet meer de munt van Portugal en het land ligt niet en lag nooit aan de Middellandse Zee, maar een kniesoor, nietwaar?)
Hij begreep dat wij niet bang waren om op een escudootje te kijken. Nu moet ik zeggen dat een fles van die wijn net zoveel koste als een biertje aan boord, hoor. En de fles was niet al te groot en ja, de glazen waren wel vrij groot. Na die ene fles besloten we te gaan, nog meer musea en kerken bezichtigen en zo. Maar de barman zag dat met meer dan hele lede ogen aan en gaf zowaar een fles weg. Die man was duidelijk geen BOTT geweest, begrepen we, dus ja, we namen de gift met graagte aan, besloten om die fles dan ook maar te legen en daarna weer meer kerken en zo...
De regen begon met heel veel enthousiasme neer te plenzen en we zouden dan dus nog maar even wachten tot het droog was. Ondertussen kletsten we honderduit met de barman, zongen, we hadden het ondertussen weer wat warmer gekregen, wat ondeugende zeemansliedjes en man, wat was het gezellig allemaal. Der druppelden wat buren en stamgasten van het kroegje binnen en, met de prijs van zo een fles, we waren geen krenten, gaven we aardig wat glazen weg. We werden gevierd en werden vrienden en ja, zo verging een regenachtige middag in Lissabon.
De regen ging wat minderen, de zon kwam derbij,
zoals jaren later ene Piet uit Harlingen zou zeggen, en ja, we kregen wat
honger en zo. Daar had de waard een goed antwoord op, hij verzorgde allemaal
hapjes en zo. Kwallententakels met krulsla, schapenhersenen met zure room,
veldmuisjes in het zuur en dat soort hele gezonde maar vreemde dingen. We waren
daar niet zo gek op en dus zochten we een plek met gezonde en lokale voeding, dus elke McDonalds
of Burger King zou doen.
Toen we buiten stapten, na een uitgebreid
afscheid met veel zoenen en knuffels en groeten aan de beste koningin van de
wereld en zo, brak juist de zon door. En ja, een hele warme zon. We kregen
beiden een enorme dreun. Peet begon te wankelen als een oude ezel die gevraagd
werd om nog eens een uur een kar te trekken tegen een berg op, maar ik werd
juist kippetje fit. Peet kon echt niet meer verder. Maar: ik had ondertussen geen
idee meer waar de haven was of hoever, sterker, de naam van het schip was ik zelfs kwijt en ik had al helemaal geen zin om Peet,
hij was dan wel niet echt zwaar, maar toch een solide vent, te ondersteunen tot
aan boord. Dus legde ik hem even op de stoep, naast de vuilnisbakken, gewoon
even rusten, toch? Ik ging even naast hem zitten, even roken en de situatie bekijken.
Ondertussen speurde ik naar een taxi en ja, die
zijn er in Lissabon meer dan fietsers in Amsterdam. Ik stak mijn arm op, de
taxi stopte en ik laadde Peter in. De chauffeur begon een hels ratelend
verhaal, waarschijnlijk over niet spugen in zijn taxi, maar ik wuifde een
Portugees biljet onder zijn neus en hij lachte vriendelijk en begon over Beatriz, reina
de ‘Ollande, zoiets. Hij zette ons keurig af aan boord.
Ik zeulde mijn gabber uit de taxi en pootte hem
neer. Peet keek, schudde zijn kop en was weer helemaal het heertje, dat in
vreselijke tegenstelling tot me zelf. Ik kreeg een dreun voor mijn kanis, niet
normaal.
Voor me zag ik een enorme lange gangplank, die
ik van mijn leven, dat besefte ik nog wel, nooit op zou kunnen. Peet
daarentegen, die dacht dat ik hem wel zou volgen, dartelde naar boven. Ik zeeg
neer aan het begin van die lange valreep en kroop, echt kroop, helemaal onder
de indruk van de Vino Verde, naar boven. De mannen boven, de wacht en de
oplopers hebben zich de ter... gelachen heb ik, veel later, ik lag een hele dag
in coma daarna, begrepen.
Goh, der kwam geen einde aan dat stuk.
Uiteindelijk ving Paul 2 me op en bracht me naar mijn bedje. Toen ik wakker
werd zat Peter met een grijns van hier tot Lissabon, zeg maar, naast me.
‘Lekkere wijn, was dat niet?’ vroeg hij nog.
Op de terugreis kregen we, in de beruchte golf
van Biskaje, een enorme storm te verwerken. De meesten van ons, bevaren zeelui,
hadden wel eens wat wind en water meegemaakt, maar dit natuurgeweld was heel
erg en het bleek een mega storm te zijn, hoorden we allemaal later.
Werkzaamheden waren bijna onmogelijk, de ouwe besloot dat er alleen zeewacht werd gehouden. Ik had, aan het begin van de storm, nog wat willen werken aan allerlei formulieren, maar de stoel, die natuurlijk vast geklonken zat aan het dek, maar wel een draaibare zetel had, wierp me van links naar rechts. Ook de typemachine sprong op mijn schoot en nee, het was onmogelijk om iets te doen. Rusten ging niet, je werd je kooi uit gelazerd dus liep ik, nu ja struikelde ik even naar de brug om een strootje te doen. De ouwe had besloten dat het ‘rood sluiten’ was, dat wil zeggen dat alle luiken en deuren naar open dekken afgesloten waren en hij had een passage verbod over alle open dekken verordonneerd. Toen ik op de brug kwam zag ik vele grijsgroene gezichten. Het brugdek ligt natuurlijk meters hoger dan het H-dek en de slingering was hier veel meer voelbaar. Overal om het schip heen zag ik enorme grijze zeeën die hoog opspatten tegen de brug en de boeg continue onderwater wilden duwen. De lucht was bijna zwart, van de vele en dreigende wolken, af en toe verlicht met hevige bliksemschichten. Het was, in een woord beangstigend.
Werkzaamheden waren bijna onmogelijk, de ouwe besloot dat er alleen zeewacht werd gehouden. Ik had, aan het begin van de storm, nog wat willen werken aan allerlei formulieren, maar de stoel, die natuurlijk vast geklonken zat aan het dek, maar wel een draaibare zetel had, wierp me van links naar rechts. Ook de typemachine sprong op mijn schoot en nee, het was onmogelijk om iets te doen. Rusten ging niet, je werd je kooi uit gelazerd dus liep ik, nu ja struikelde ik even naar de brug om een strootje te doen. De ouwe had besloten dat het ‘rood sluiten’ was, dat wil zeggen dat alle luiken en deuren naar open dekken afgesloten waren en hij had een passage verbod over alle open dekken verordonneerd. Toen ik op de brug kwam zag ik vele grijsgroene gezichten. Het brugdek ligt natuurlijk meters hoger dan het H-dek en de slingering was hier veel meer voelbaar. Overal om het schip heen zag ik enorme grijze zeeën die hoog opspatten tegen de brug en de boeg continue onderwater wilden duwen. De lucht was bijna zwart, van de vele en dreigende wolken, af en toe verlicht met hevige bliksemschichten. Het was, in een woord beangstigend.
Ome Kees zat in zijn stoel en observeerde alles,
gaf op zijn rustige manier aanwijzingen aan de roerganger en aan de officier
van de wacht en straalde gewoon rust en kalmte uit, alsof hij dit dagelijks
meemaakte. Ik bleef even, bewonderde de rust van onze ouwe en voelde me zelf ook geruster en ging dan maar naar het korporaalsverblijf. (We
hadden een soort notitieblok aan de ziekenboeg deur waarop je kon zien waar wij
drieën, mocht een van ons dringend nodig zijn, op dat moment was, bevestigd.)
In het verblijf was de chaos compleet. Krukken
waren om gelazerd, los glaswerk bedolf de grond, allerlei papieren en oude
tijdschriften dobberden rond, want ja, de spoelbak van de tap was natuurlijk
overstroomd. Ik hielp de weinige mannen die nog op hun voeten stonden, de
ergste zooi op te ruimen en daarna zetten we ons schrap op de aan het schot en
aan het dek vastgenagelde banken en tafels.
Die dag hadden er speklappen op het menu gestaan,
maar ja, veel mannen aan boord hadden niet veel trek gehad. Een bevriende kok had
een enorme bak van die traktaties, het is een van mijn favoriete happen, naar
beneden gebracht en man, wat hebben we zitten smullen en schransen.
De schade was overigens behoorlijk aan boord. Heel
veel kommaliewant, was naar de gallemiezen gegaan en natuurlijk waren er veel niet goed gesjorde spullen naar de klo...! Ondanks het actieve en alerte optreden van de nauten,
was er toch een van de sloepen uit haar blokken gegooid en redelijk tot zwaar
beschadigd. Maar er werden geen dekhuizen ingedeukt, zoals we dat eerder wel
eens hadden meegemaakt op de jagers.
Er waren wat gewonden, mannen met gekneusde
enkels en vooral mannen met veel blauwe plekken en kneuzingen, maar dat was
allemaal goed te behandelen.
Toch waren we allen, behoorlijk door wind en ze gewassen zeelui, onder de indruk van de krachten van de wind en de zee, maar vooral onder de indruk van het zeemanschap van onze ouwe, Ome Kees en ja, dat zeemanschap gaf een goed en veilig gevoel.
Toch waren we allen, behoorlijk door wind en ze gewassen zeelui, onder de indruk van de krachten van de wind en de zee, maar vooral onder de indruk van het zeemanschap van onze ouwe, Ome Kees en ja, dat zeemanschap gaf een goed en veilig gevoel.