Nou
denkt de oplettende lezer natuurlijk meteen dat er allemaal laweit, geslemp en slechts
plezier was op dat schip en dat grote delen van de dag werden doorgebracht met dat
slempen en ontucht bij nacht en ontij.
Niets
was minder waar, natuurlijk. We werkten hard, we liepen de wacht, we voeren
veel en oefenden ons het ‘jan tandjes’. We waren professionals, immers? (Lees
het stukje over de Duitse helikopters nog maar eens.)
Maar:
luidt het gezegde: de boog kan niet altijd en zo verder en zo voort en daar hielden wij ons
dus ook aan. Dat van dat niet altijd gespannen staan en zo, dus. Dus maakten we,
als er tijd voor was, dat was natuurlijk niet zo vaak, ook plezier en dat ging dan
soms een beetje ver.
Ik
schreef eerder al dat we ons het Jan-tandjes werkten en oefenden en dat de
‘feesten’, alleen na hele drukke oefendagen geschiedden en dan ook nog eens op
tijd eindigden, want we moesten weer vroeg op, Ome Kees had weer eens wat
nieuws verzonnen om ons te prikkelen.
Dat was allemaal ook zo, maar ja, de weekends in het buitenland waren voor ons, daar
deed die gouwe ouwe ook niet moeilijk over. Zolang de dienst maar werd gedaan
en ja, die werd gedaan, hoor. Alle wachten werden nauwgezet gelopen en er was
geen ene vent die zich ergens aan onttrok, aan geen enkele oproep.
Maar
goed, ondeugend was de bemanning wel. Ik wil dit verhaal, dit boek, deze Blogs, natuurlijk
wel netjes en vooral neutraal houden, maar ja, dat is een beetje moeilijk nu, omdat
ik een bepaald iemand niet kan ontdoen van zijn huidskleur. Zijn huidskleur was
namelijk de hele aanleiding van een, in mijn, nu ja, onze ogen, onschuldige
grap. (Het is, in deze tijd heel erge #MeToo, maar toen was het nu ja, ondeugend. Maar goed, ik wil dit blog net, gekuist en anoniem houden. Daarmee bedoel ik dat
ik geen naam en geen toenaam of bijnaam zal noemen van de man waar het nu even
over gaat maar de mensen die het verhaal hebben meegemaakt, zullen de beschrevene en
het beschrevene wel herkennen.
Ik schreef het net al even, nu ja, vrij vaak,
wij, bemanning van dat schip, allen, waren professionals, want ons schip (de
Almo zal natuurlijk altijd “mijn of onze Almo” blijven) was vanaf bak 1 tot en
met de jongste WSRZM, bemand met hardwerkende en serieuze kerels, “die als eerste hard werkten en oefenden en
dat soort dingen en daarna hard ontspanden”. Die scheef gedrukte tekst is
trouwens een deel van een toespraak van de eerste ouwe die we hadden. Ik zal
hier iets schrijven dat met die harde ontspanning te doen had, je hebt al veel
eerder het verhaal al gehoord over de inzet en de paraatheid van de bemanning
in het verhaal over de Duitse Lynx.
Goed, dan. Even voor een goed begrip. Ik zal
nooit discrimineren, daar heb ik een pleu… aan. Maar af en toe moet je, voor
een beter begrip van een verhaal, zoals gezegd, wel vermelden dat iemand een
bepaalde huidskleur of een bepaald geloof heeft.
De opvarende die de hoofdrol speelt in dit
verhaal, was een donkere jongen. Hij kwam uit de voormalige ‘overzeese Caraïbische
gebiedsdelen’, uit ‘De West’, dus. Het was een aardige en vrolijke man, ook al
weer zo een professional, die door iedereen gewaardeerd werd. Een top vakman en
een hele fijne collega. Afijn, het schip lag in een Deense haven en of het nu
Aarhus of Aalborg was, ik weet het niet meer, Aalborg, las ik net dus, ik haal die twee
havensteden steeds door elkaar. Maar het was een leuke haven en we lagen helemaal
goed aan een kade in het midden van de stad, zeg maar. Het was vrijdag, dus het
was weekend.
Voor de Denen was dat natuurlijk ook zo,
een heerlijk weekend en het uitgangsleven van het havenstadje was dan ook recht
tegenover de kade van waar ons schip lag, geconcentreerd. Als je valreep afliep kwam je midden in dat
centrum terecht. Er waren barretjes en eethuizen en restaurants en gewoon, ook wat
gezellige haven knijpjes. De collega in kwestie had eerder aan boord, het was
vrijdagmiddag, hij was vrij, het was middag en hij had geen wacht of zo, een biertje
zitten drinken, dat deden we een enkele maal weleens aan boord, en hij besloot
om een stapje aan land te zetten, en dat, keurig in zijn uniform gekleed.
Van de plank af naar het eerste terras was
misschien acht meter lopen, gewoon alleen maar de kade over en, waarschijnlijk door
die enorme afstand die hij had afgelegd, was hij overkomen door een vreselijke dorst
en dus nam hij een glas lekker Deens bier. Hij zat, zoals marine lui dat nu
eenmaal doen, in de late namiddagzon wat te mijmeren en te filosoferen, gewoon
wat na te denken over de zin van het KM bestaan, jullie kennen dat wel,
natuurlijk. En hij zag opeens twee vlotte en hupse Deense jongedames langs
komen op de fiets. In Denemarken, in ieder geval in die stad, had men vermoedelijk
nog niet veel mensen met een donkere huidskleur als terrasbezoeker dan wel als inwoner
m/v gezien, en dat ook nog met een vlot uniform aan, dus hij viel inderdaad wel op.
(Dit was natuurlijk ver voor de grote
immigratiegolf die ons continent nu ‘overspoeld’ zeg ik maar heel netjes anno 2018.)
Ze waren vermoedelijk wel jonge dames van het nieuwsgierige
soort. Hoewel, in mijn ideeën zijn alle dames, zowel jong als oud, van het
nieuwsgierige soort. Enfin, ze stalden hun fietsen en ze kwamen bij hem zitten,
ze begonnen een gesprek en na een gezellig uurtje met her en der een biertje (vrij
duur, wat Denemarken mag goedkoper zijn dan Noorwegen, het is nog steeds een duur
land hoor) en een door hem betaald rondje besloot collega in kwestie te vragen
of ze zin hadden in een glas (van een stuk goedkoper) bier aan boord. Dat was
“Inge problem”, antwoordden ze, nou ja zoiets dan en even later waren de fietsen
tegen de valplank geplaatst en op slot gedaan en vervoegden de drie zich aan de
tap van een niet nader te noemen verblijf aan boord van de Almo. Het waren overigens
vlotte meiden, maar ze leken ons, de overige tijdelijke bewoners van het
etablissement, nog niet eens jong belegen, hoogstens jong. De dames deden
aardig mee met het genoeglijk samenzijn, zongen een paar Deense liedjes waarbij
ze hard moesten giechelen. (Wij, de wat ouderen, zagen het een beetje bezorgd
aan, overigens, moesten die scholiertjes niet naar huis en zo?)
De stemming steeg, de glazen werden steeds
opnieuw en vaker gevuld, de collega in kwestie schakelde toen over op de wiskas.
(Nu ja whisky, dan.) Dat was het teken dat hij de vrolijkheid ging opzoeken en
vervolmaken, we kenden hem natuurlijk al heel goed. Er werd veel gelachen en er
werd ook een dansje gemaakt en er werd goede muziek gedraaid. Ultravox met
Vienna en Golden Brown van de Stranglers, waren hele ‘inne’ platen zeg maar. (Nu
ja, voor die tijd dan. Nog steeds, 2018, heb ik hele goeie herinneringen aan
die nummers.) En ja, opeens vroeg de collega aan de dames, keurig in het
Engels, “of ze wel eens een olifant met witte oren hadden gezien.” (Hij vroeg
het dus in het Engels, maar ondertussen was de wiskas al een beetje binnengekomen,
dus het leek of hij het met een rubber kunstgebitje in vroeg, dus vertaal ik
zijn vraag in verstaanbare taal.) Gegiechel en gelach en ‘nee’ schudden van de
dames en ook verbaasde gezichten van die collegae die ook een klein biertje mee
deden.
Nu moet ik, de spanning van het verhaal is nu
helaas even weg, erbij vertellen dat we in die tijd (sprak opa) nog niet van
die werkpakken hadden die later en waarschijnlijk tegenwoordig ook, zoveel
prettiger zitten en passen, vaak van dat camo stof, maar dat we toen nog
steeds, behalve de blauwe werkpakken, van die kamgaren marine blauwe uniformbroeken droegen.
De broekzakken waren er ingestikt en die waren dan van een witte stof gemaakt,
katoen of zo, ik weet het niet precies.
“Nou nee”, zeiden de dames, ze hadden dus nog
nooit zo een olifant met van die witte oren gezien, nee, bestonden die dan wel?. (Wij hadden die grote beesten ook nooit gezien, trouwens.) Of ze dat
beest dan wilden zien, vroeg hij? Ja, graag, natuurlijk, de meiden waren zeer
leergierig, vertelden ze. Maar waar dan wel? Er was al helemaal geen dierentuin
in dat stadje, laat staan een safaripark. Moesten ze dan uren reizen of zo?
Nee, zei de collega en stelde hen gerust. Nee, die olifant was oproepbaar, hier
en wel meteen.
“Ik zal hem meteen laten zien”, zei de man, die
ondertussen met, een door de whisky veroorzaakt, nu al een dubbel rubberen
kunstgebit sprak. Hij trok de witte broekzakken binnenste buiten uit zijn
blauwe pak en haalde tegelijkertijd zijn geslacht uit de gulp van zijn broek en
liet dat tussen de twee witte en driehoekig punten wat heen en weer slingeren.
Hij had nogal wat om uit zijn gulp te halen, zeg maar. Zoals een maatje het later noemde: “Hij had genoeg
om een hengst aan het huilen te brengen.” De mannelijke aanwezigen lagen in een
deuk. De meisjes iets minder en verlieten, bleek en geschrokken, het pand.
Ja, en ‘er heeft’ natuurlijk een zeetje gestaan.
De jonge dames deden hun beklag thuis en dat ook wel terecht. Boze pa’s en ma’s
en zelfs een heel boos en heel ongerust Deens gemeenteraadslid kwamen in het
geweer. Al die mensen kwamen ook allemaal
aan boord en deden dan ook nog eens hun beklag bij de ouwe en de eerste man,
nadat de meiden zich thuis huilend in de armen van hun ouders hadden geworpen.
Dus moest onze commandant in het geweer komen. Maar
de ouwe was niet alleen zeeman, hij was ook diplomaat en hij wist het allemaal op
te lossen en te sussen. De collega was opeens liefhebber voor allerlei rare klussen en extra wachten en zo, maar hoorde er nooit meer iets van.
De olifant is nooit meer gelucht, althans niet
in het openbaar in een haven. Soms, na een whisky of wat veel, nog wel eens in
zijn verblijf. En een stunt bleef het.
aL BIJ AL EEN FRAAI VERHAAlK EN ZO KEN IK ER OOK NOG WEL EEN PAAR OA MET DE SNORKEL VAN 6 MTR LANG!!!
BeantwoordenVerwijderenUnknow, schrijf die verhalen op en mail ze aan Lucas of aan philipsvanalmonde@outlook.com. Ze worden dan verwerkt in de update van het boek. Heb je het boek nog niet, ook even mailen dan.
BeantwoordenVerwijderen