donderdag 27 december 2018

De Almo, deel 10, (Delfzijl, voornamelijk.)


1.7. Mijmeringen, een arts, een nieuwe ziekenpa en Delfzijl

In die eerste periode deden we slechts een buitenlandse haven aan, de oude uitvalbasis van de voormalige grote Britse vloot, Rosyth in County Fife in Schotland. De haven is fraai gelegen aan de natuurlijke inham, de Firth of Forth. Nu is aan het stadje Rosyth niet veel verloren om eerlijk te zijn, maar het nabijgelegen Dumferline biedt nog wel aardige attracties.  
Ik maakte een wandeling langs de haven, ze bouwden ooit en bouwen er nog oorlogsschepen overigens, maar van een kleiner kaliber, zeg maar en ik zag een enorme stapel ankerkettingen liggen. Maar ik bedoel dan ook een enorme stapel hoor! En niet van die kleine schalmen, no sir, echt van die enorme dingen, dubbel gesmeed, je kent het wel, elke schalm had op de helft een extra verbinding, die an sich al vijf centimeter dik was. En, er lagen rijen, tientallen meters achter elkaar van, soms wel dertig centimeter hoog. Nu had ik natuurlijk onze ankerketting ook wel eens gezien, da’s logisch als je wel eens op de bak kwam, maar dit waren geen kettingen voor een fregat of jager en zelfs voor een kruiser leken ze me aardig groot. Ik stond een tijdje te kijken, schopte er eens tegenaan, wat me geen heldere momenten opleverde, hoor en ik stond wat te mijmeren en te piekeren en er schoot een man op me af. Hij vroeg, in het Engels natuurlijk, wat ik zo stond te bekijken en tegenaan te schoppen. Ik legde hem uit dat ik die kettingen wel heel erg groot vond voor moderne schepen en ja, dat had ik goed in het snotje, zei hij.
‘Maar, van welk schip zijn die dingen dan?’ vroeg ik, nieuwsgierig als ik ben. ‘Oh no sir, you wouldn’t know that. Deze kettingen zijn voor onze slagschepen.’ ‘Battleships? Maar de RN heeft toch geen slagschepen meer?’ ‘Nee, nu niet meer, nee. Maar ja, wat niet is kan nog komen en je weet het maar nooit. Bovendien, ze liggen hier al vanaf 1918, dus ja, daar kunnen nog wel wat jaren bij.’
Ik liep, nadenkend over het historisch besef van de doorsnee Engelsman of Schot, terug naar boord.

Terug in Den Helder kregen we nieuwe orders. We moesten op een maandagmorgen opstomen naar een haven, waar we de zogenaamde havendagen moesten opluisteren met onze aanwezigheid. Tevens zouden wij dan ook een drijvende banenmarkt verzorgen om mensen voor de KM aan te werven. Er zouden mensen van de Marine Voorlichting Dienst aan boord komen, die in de hangar stalletjes zouden inrichten met allerlei folders en op grote tv-schermen zouden dan films over onze KM worden vertoond. Ook zou er een heuse en echte heli aan boord geparkeerd staan om het geheel nog aantrekkelijker te maken.
De bestemming was: Delfzijl.
Maar nu ik het verhaal over Delfzijl begin, moet ik het hebben over Kees. Kees de dokter. En ook over Paul 2, de nieuwe ziekenpa. Op een bepaalde dag kwam onze KPLLDA, Jan, die met de plaatsingen en het personeel en zo was belast, me vertellen dat we een arts aan boord kregen. Ene Kees. Nu ben je als ziekenpa natuurlijk helemaal opgevoed om met artsen te werken, maar om nu te zeggen dat ik stond te juichen om een arts aan boord te krijgen is als zeggen dat de Paus een voorstander van abortus is. Vaak zijn artsen wat eigengereid, gelijk hebberig en bemoeien ze zich met van alles, zaken waarvan de ziekenpa vaak meer van weet. Nee, medisch technisch kunnen we natuurlijk niet aan hen tippen, dat beweer ik ook helemaal niet, maar de ziekenpa kent de hele bemanning, weet hoe hij het moet aanleggen om lessen te geven, vaccinatie schema’s af te werken, de MAD te runnen en dat soort zaken.
Ook vertelde Jan dat er een nieuwe ziekenpa aan boord kwam. De eerste Paul was ondertussen overgeplaatst. Hij ging, en dat heel terecht, de opleiding tot onderofficier in. Dat had hij al jaren eerder moeten gaan doen, in mijn ogen, hij was een hele goeie voor het vak, maar zijn lol in het vak en zijn lol in het leven hadden hem nog niet zover gedreven. Maar nu had hij ‘vaste’ verkering, er werd zelfs over trouwen en een gezin gesproken en hij begreep dat hij voorwaarts moest.
Maar goed, op een fraaie maandag morgen waren ze er opeens, Paul en Kees. Kees was een LTZAR2OC. Een stevige man met neiging tot overgewicht. Hij kwam wel meteen sympathiek over en we lagen mekaar meteen. Ook Paul 2 werd met open armen ontvangen. Het was een nog jonge vent, net eerste klas die ik heel vaag kende uit de Amsterdamse marine. Hij kon meteen met Kees en mij en met de hele bemanning door de bocht.
Kees was van Joodse afkomst en ook de familie waar hij uit stamde had heel wat van haar leden in die afgrijselijke kampen en die vreselijke oorlog verloren. Zijn vader was trouwens ook Marineofficier (TD) geweest en Kees had op kosten van de KM medicijnen gestudeerd aan de VU, met een contract dat hem daarna nog 8 jaar aan de marine verbond. Een ‘bursaal contract’ heette dat in die tijd.
Na het afronden van zijn studie was hij inderdaad bij de vloot gegaan en onze wegen kruisten elkaar aan boord van Hr. Ms. Philips van Almonde. Hij was een eerlijke, empathische, goedlachse en goede arts, die met veel humor zijn patiënten behandelde. Hij was toen rond de dertig en had, net als sommige artsen en zoals veel ziekenverplegers, die eerlijk waren en voor hun patiënten dan wel hun personeel opkwamen, hetzelfde meegemaakt, dat wat die categorie artsen en ziekenpa’s hadden meegemaakt met de Führung van de geneeskundige dienst, de zogenaamde HGDZ, zoals die afdeling van de Geneeskundige KGB of de Medische STASI bij ons wat kritischer medisch personeel werd genoemd, namelijk: tegenwerking en het eigen belang van die dienst en heel veel Nepotisme. Er werkten op dat bureau collegae ziekenpa's die in al die jaren (soms twintig)  nog niet één operationeel plaatsing hadden gehad, maar die wel hun, de wel operationele collegae, de mantel uit veegden omdat verslag A of formulier B of staatje C niet was ingevuld op de manier waarop allemaal formele circulaires en rondschrijvens wezen. Omdat die wel operationeel collegae het toen waarschijnlijk even te druk hadden met operationeel te zijn of zo. Het was op die burelen allemaal vriendjespolitiek, dat begrijpen jullie.
Kees’ conflict met de Uberleitung van onze geneeskrachtige dienst, die naai maten heetten dan weer de IGDZ, maar dat is nu te technisch om te vertellen, was dat hij, als jong, beginnend en enthousiast arts, had gevraagd om anesthesie te mogen gaan studeren, een vakgebied waar hij helemaal gek van was. Ja, beloofde men hem, natuurlijk, ga je doen, je gaat dat worden. Vooruitlopend wilde hij dan graag Duikerarts worden, dat had namelijk ook allemaal met gas uitwisselingen tussen longen en weefsels en zo te maken? Komt helemaal voor elkaar, Kees. Eerst even een jaartje varen, dan weet je hoe de marine wereld er uit ziet!
Maar, zoals alle beloften die ooit door die KGB-club werden gedaan, kwam men, de Helderse staf, deze natuurlijk ook niet na. Kees was een gentleman, hij ging niet gooien of vloeken maar had al besloten de dienst te verlaten, onmiddellijk na het aflopen van zijn contract. Daarmee ging een heel goed arts voor de KM verloren. 
Voor hen die dit lezen moet dat soort zaken allemaal bekend klinken, ook jullie werden vaan genaaid door dat soort staven, ga ik vanuit.

Maar goed, Kees kwam, deed zijn artsen ding en werd een geweldig geliefd persoon aan boord. Hij deed zijn sociale ding, hij bezocht de Longroom en alle andere verblijven hij liet zich zien, luisterde naar alle verhalen en dat deed goed. Hij leerde, van mij, de ‘Grootmeester van het spel’, klaverjassen, ja Amsterdams en Rotterdams, natuurlijk en dat deed hij zo goed, dat hij op een gegeven moment bijna de Grootmeester benaderde. Bijna, hoor!
Hij was geliefd aan boord en werd verliefd aan boord. In Bordeaux, letterlijk vertaald: ‘Aan de boord van het water’. Op een fraaie en romantische manier. Ik beschrijf dat nog.
Niet alleen Kees was een nieuwe opvarende, met hem wel meer natuurlijk, maar ook mijn ouwe getrouwe Paul ging van boord, zoals ik al vertelde. (Die heeft hij overigens met glans doorlopen en uiteindelijk is hij als LTZA2OC de dienst uitgegaan. Ik heb hem nog vaak meegemaakt en heel veel met hem gefietst, hoewel, zo gaan dat soort zaken, het nu allemaal wat verwaterd is.)
Maar ook de nieuwe ziekenpa heette Paul en ja, dat was lekker gemakkelijk. Hij was net takenboeker* af en nog heerlijk bleu. Ik kan heel veel over hem zeggen en alleen maar goeie dingen. Het was een moord kerel die van een biertje hield en (ook weer) gek was op shoarma en meer dan gewoon geliefd in het caf en bij de bemanning. Hij was een tukker en had dat wat onderkoelde van die provincie genoten. Zoals Herman Finkers dat ook heeft. Ik mis hem nog elke dag wel een beetje. Daarnaast was hij een empathische kerel en een enorme vakman, een ziekenpa in hart en nieren!

Jawel, we gingen naar Delfzijl, een haventje gelegen aan de Dollard en de parel van het Noordoosten van Groningen. Een kleine havenstad dus met een heel groot achterland. Noordoost Groningen stond, in die jaren, bekend om, nee, was berucht om, haar enorme werkeloosheid, nu de ooit enorme strokarton industrie en de hele grote aardappelmeelfabrieken bijna allemaal gesloten of verdwenen waren. Die industrieën waren jarenlang de pijlers geweest waar die hele regio op gedraaid had, maar was dat allemaal helemaal voorbij. De Nederlandse economie sukkelde vreselijk, de Haagse kringen kwamen maar niet met steun toezeggingen van deze, ondertussen heel armlastige, gebieden. Je gelooft het niet, maar er werd, in dat hele rijke vaderland, in dat soort streken, armoede geleden. Er was een enorme werkeloosheid, jongeren hingen maar thuis, er was nauwelijks uitzicht op werk of op een toekomst voor hen.
Daar sprong de KM op in. Opportunisme? Ja, natuurlijk. Maar ook begrip. Geef de jeugd uit die streken kans op werk, kans op een opleiding, dan geef je hun ook kansen voor de toekomst, dat was het, in mijn ogen ook, terechte idee van Den Haag. Dus gingen we op een maandag, ik geloof even voor elven, naar zee voor de reis van een paar uur slechts naar de goede stad Delfzijl.
Delfzijl is een oud vestingstadje. Ze heeft natuurlijk een redelijk roemruchte geschiedenis en ook maritiem telde het vroeger mee. Zowel Piet Hein als Michiel de Ruyter hebben de stad aangedaan met een vloot dus onze Philips van Almonde was wat dat betreft in goed gezelschap.
We gingen dus naar zee en het was, vonden wij, opvarenden, rustig weer. Maar dat vonden mijn twee nieuwe scheepsgezellen niet echt. We zaten (toen we eenmaal de havenhoofden voorbij waren en Paul terug was van meerrol, waarin hij op post moest staan, als aflosser van zijn voorganger) zeg maar kennis te maken in de ziekenboeg met koffie en een babbel en zo. Het was ondertussen tegen etenstijd en de geur van dikke erwtensoep en bami goreng (standaard maandag hap aan boord van een KM vaartuig, in die jaren) was aangenaam te ruiken in de whalegang*. Ik legde nog wat dingen uit over de werkindeling, over spreekuur, verband uur en de Medische Actie Dienst en het schip pikte speels een paaltje*. Ik zag beide nieuwe zeehelden bleek om de neus worden en toen we ook nog een roller deden, de ouwe dame was blij dat ze weer in zee was en dat liet ze speels aan Neptunus merken, even draaien met die fraaie kont, ze was een wulpse troel, werden ze nog bleker. Ik deed alsof de befaamde neus bloedde en lulde lekker door. Ik zag naargeestige slikbewegingen worden gemaakt door beiden en ik kreeg meelij: 'Ok mannen, ga lekker aan dek staan uitwaaien, want dit gaat hem niet worden, zo.' De mannen stoven, bijna dankbaar knikkend, de ziekenboeg uit. Ik geloof dat ze het open dek nog net haalden, voor ze echt zieke werden, maar daarna ging het helemaal mis. We waren nog niet eens bij de uiterton!
Die middag lagen we alweer afgemeerd. Ik nam de wacht, Paul en de arts mochten van mij stappen in hun eerste ‘buitenlandse’ haven.

In de ogen van de Delfzijlse bevolking draaide het grote, grijze en een beetje dreigende oorlogschip hun relatief kleine haventje binnen. Ze torende meters hoog boven de binnen liggende, maar vrij kleine, vissersvloot en ja, ze domineerde ook de twee coasters, allebei met een Nederlandse thuishaven, die daar al afgemeerd lagen en aan het ontladen waren. Ons fregat meerde af op de aan haar toegestane plek, die overigens niet veel groter was dan haar lengte. Was dat een test van de Delfzijlse havenautoriteiten, om te zien of dat nieuwe schip, met die nieuwe commandant zijn schip wel kon handelen? Nu ja, Ome Kees deed dat op zijn manier: zoals wij een winkelkarretje inparkeren, met een flair die wij ook gebruiken in dat soort gevallen. Klappie vooruit, klappie achteruit, trossen op de wal en ja, de plank eruit! Afgemeerd tussen twee vissers en een coaster.
Bij aankomst in Delfzijl zag het schip er natuurlijk uit als om door een ringetje te halen, maar ja wanneer deed was dat niet zo, en ja, we hadden toen dus zelfs een onvervalste en echte boordhelikopter inclusief bemanning en ‘crew’ bij ons. Het verticaal opstijgende vliegtuig was gestationeerd op ‘Klein Schiphol’, je mag zelf raden waar dat was, en we hadden het zowaar mee mogen nemen vanaf het Vliegkamp De Kooy, ook om nu eens helemaal operationeel te zijn. Dus daar gingen we, langs onze wonderschone Waddeneilanden, aan het eind van de middag af in de haven van Delfzijl, recht tegenover het Duitse Emden. Emden is de hoofdstad van Oost Friesland, ook nog eens een marinehaven en de kust van Duitsland was behoorlijk goed te zien.(later meer over die haven.)
Om nu te zeggen dat de gehele Delfzijlse bevolking was uitgelopen om het super slanke en indrukwekkende schip te zien meren of te bezoeken is overdreven.
Er waren minstens vijftien bewoners niet gekomen omdat die: A/ het nieuws niet hadden vernomen, B/ lid van een pacifistische partij waren of C/ te oud waren om vervoerd te kunnen worden. Want, man, man, man, wat een onthaal kregen we en hoe moet dat er voor die ‘Grunnegers’, ik kom daar later op die mensen terug, geweest zijn. Een haven(tje) gewend om kustvaarders en grotere binnenvaartschepen te ontvangen werd nu opeens bezocht door een heus en heel groot oorlogsschip, met totale bewapening en ook nog eens 180 ‘bad sailors’ aan boord. Ik zal een ding zeggen. Tussen Delfzijl en de Almo is een diepe en grote liefde gegroeid. Een liefde zoals je die maar eens in je leven hebt.
Moet ik het nog over De Ruyter hebben die hier in 1665 de West Indische Retourvloot veilig in de haven kreeg? Nee, toch? Bij jullie allen bekend, nietwaar?

De volgende dag was het schip al vroeg open. Er was een hele boel volk van de Marine Voorlichting Dienst aan boord gekomen en er waren ondertussen al een aantal exposities in de hangar ingericht en er werden folders en drukwerken verspreid. Ook koffie en thee en meer van dat soort zaken stonden, door de geweldige LDV verzorgd, klaar.
De eerste geïnteresseerden kwamen aan boord. Het schip had natuurlijk ook een ‘open huis’ functie en ik moet zeggen: het was een groot succes. Zo vaak kom je, als burger, niet aan boord van een heus oorlogsschip en zeker niet aan boord van een hypermoderne en helemaal nieuwe oorlog prauw. Natuurlijk waren er plekken waar geen bezoek mocht komen, maar over het algemeen was het vrij kijken. Ook in de ziekenboeg, waar Kees en Paul veel dingen konden en wilden vertellen. (Ik had die middag even vrij genomen, hoor.) Maar ook de TC en de brug, het kombuis, de wasserij en het caf en al die plekken waren zeer in trek door de mensen die kwamen kijken. En dat waren er heel veel.
Zelf ging ik die middag maar even de wal op met mijn twee kornuiten, Peter en Johan. Die mannen waren allebei van mijn leeftijd en ze waren de enige en echte twee konstabels* aan boord.
We kwamen iets verder in het stadje terecht in een klein kroegje, niet te chique of zo. In Mokum spreekt men dan graag van een ‘Authentieke Bruine Kroeg, met een heerlijke Amsterdamse sfeer en een geweldig borrelgarnituur’ of dergelijk hoogdravend gedoe Nu, dat was dit kroegje niet. Het was gewoon een kroeg in Delfzijl. Peter en ik spreken het dialect allebei. Ik kom van de Drentse veengrond vlak bij Stadskanaal en dat is Gronings ‘angehaucht’ en Peter kwam van oorsprong uit Ter Apel, dat is ook daar in de buurt. Bij binnenkomst in het kroegje, we waren wel in uniform natuurlijk, zeiden we, in het plat Grunnings, dat we niet meer konden spuwen van de dorst: “Wie kenn’n nait meeer spoug’n van de durst”, zoiets dan en de kroeg eigenaar begreep ons en het ijs was dus al snel gebroken. Het was gezellig en het werd natuurlijk nog veel gezelliger toen wij wat (al dan niet ware) marine verhalen vertelden. Even later stapten nog meer korpen binnen en zo werd dit café een tweede korporaalsverblijf gedurende ons verblijf in de haven. Woorden en verhalen gingen natuurlijk rond en vanaf die avond zat de kroeg stampvol met burgers die ook wel eens een goed verhaal wilden horen, want ja, de janmaat kan wel aardig vertellen, nietwaar? De kroegbaas zag het helemaal gelukkig aan, zette stukken kaas en, heerlijke droge worst, Gronings product, de echte, hoor, die van de echte slager, met kruidnagel, op de tap en ja, dat was smullen. We hebben, dagen later, aan het einde van dat bezoek nog een wapenschildje met onze handtekeningen aan de kroegbaas gegeven.
(Ik kwam, helemaal toevallig, jaren later nog eens in het kroegje terecht en verdomd, dat wapenschildje hing er nog en de kroegbaas herinnerde zich nog dat bezoek van de Almo.)



Onze kashoudend onderofficier, een SMJRSCHR, een sergeant-majoor schrijver, was ook een Groninger, hij kwam dan wel ‘oet Stad’, ofwel uit de stad Groningen en werd door de provinciale bewoners als ‘minder’ beschouwd, ’t is moar ain Stadjer, dat binn’n allemoal snakkers’ en eelsk volk’ zoals dat werd en wordt genoemd. Kort: Mensen die ‘oet Stad’ kwamen waren allemaal opscheppers en (eelsk) aanstellers’.
Aangezien hij overdag druk was met allerlei administratieve zaken die betrekking hadden op die banenmarkt, hield hij ’s avonds nog eens een zogenaamd kasuur*. Dit was dus ver voor de tijden van het pinnen en zo. Je nam nog geld op bij een postkantoor of bank met een betaalkaart. Bij Rein kon je dus ook met zo een ‘pretbon’ terecht. Hij liet, hij was wat melig na een drukke dag, omroepen dat het kasuur was en dat hij uitbetaalde in Groningse guldens. Geintje, toch? Maar het aantal mannen die kwam vragen hoe je dat bedrag in moest vullen op die betaalkaart was toch nog behoorlijk groot.

Natuurlijk werd er ook gewoon gewerkt, gekookt, mensen behandeld en lesgegeven. In dit geval gaf een van de meest beruchte mannen van de marine, kwartiermeester A., les in sloepvaren. Nee, niet echt meer roeien hoor, maar met de motorsloep moesten de jonge matrozen leren hoe ze moesten sturen, hoe ze de sloep moesten meren en ontmeren en hoe ze bochten draaiden en alle dingen die daarbij te pas kwamen. Dat meren en ontmeren deed hij steevast bij een trap naar de kade. Tegenover dat trappetje lag bij die kade leen kroeg. Zo gauw de matroos die de beurt had, de tros aan de wal vastzette en de sloep stillag, nam de KWMR de benen, sprong het laddertje op, dook het kroegje binnen en nam een biertje of twee. Aangezien hij een man of vijf als leerling had en ze allemaal minsten twee keren moesten leren meren, kun je wel nagaan en uitrekenen hoe hij terugkwam aan boord. Nou nee, dat kan je niet nagaan. De man was/leek nog steeds bijna broodje nuchter, zo goed kon hij tegen het innemen. Ik zou alleen al over hem een boek vol kunnen schrijven.
Vrijdags gingen we terug naar Den Helder, na gejuicht en toegewuifd door de bevolking van het hele stadje. Ik geloof, nee ik weet, dat ze, na jaren, nog steeds over de Almo praten, daar. Maar goed, terug aan boord. Ik heb daar al voor gewaarschuwd, natuurlijk. (Ik ga nu een beetje helter skelter door mijn belevenissen heen, ik schiet van links naar rechts en van eerder naar later in de tijd, vergeef het mij, nu een ouwe man.)

Na het bezoek aan Delfzijl kwamen we er achter dat de Almo een zogenaamd ‘Grunnings’ schip was. Een Gronings schip, zegt de spellingscontrole. Dat segt ik, dus. Buiten Rein, onze chef toelis, die ik al eerder heb genoemd, was er een NAVO, NAVigatie Officier aan boord, wiens wieg in Scheemda had gestaan, zijn ouweheer was daar overigens burgermeester geweest, en hoeveel meer Gronings kan je het hebben? Mijn konstabel maatje Peter kwam uit Nieuw-Weerdinge, zeg maar uit Ter Apel. Ik kwam uit het grensgebied tussen Drenthe en Groningen, mijn pa kwam uit de Pekels, dus ja ik was ook een man ‘oet het loug’. Diep in het binnenland van Groningen betekent dat. Dan hadden we nog een BOTT, ene Anne, die ook uit die contreien kwam en er waren nog wat meer van die lui. Op voorspraak van Peter en mij vroegen we aan de toenmalige KPL’s oudste, die ook niet de rottigste was, om eens per maand, en dat alleen dan varend, een Groninger uurtje te mogen houden. De brave man, we hebben hem later nog de Gouden Bal ingedragen, zoals jullie al lazen, waarna ik hem op mocht volgen, was positief en dus kwam de groep af en toe en soms eens per maand samen in de zandbak, zo had hij dat besloten. Die zogenaamde zandbak was een afgescheiden hoekje van het KPL’s verblijf, ik denk nu, van drie bij drie meter en was bedoeld als stilte- en studieruimte.
Die uurtjes waren gezellig. Wij, de echte bewoners van de grensstreek, zorgden ervoor dat we ‘dreuge worst’ aan boord meenamen, af en toe een stukje ‘nagelkaas’ en dat de tap genoeg ‘Hooghoudt’, echte Grunniger graan genever, had. En: we mochten alleen Grunning’s proaten, tijdens die sessies. De NAVO had daar wel wat problemen mee, komende uit een hoge familie, als je me begrijpt.
Ja, je leest het goed en het is echt waar, er was een stilte verblijf in een korporaals gemeenschap. Dat komt neer op: een varken in de synagoge, een dame van prettige zeden in het Vaticaan, een politicus die recht door zee is, of een Amsterdammer die stopt voor een rood fietsers licht.
Maar ik garandeer je: hoewel er niet heel veel van die zondagmorgenbijeenkomsten waren, waren ze wel helemaal gezellig. We dronken een ‘zeupie’, al dan niet met suiker, we namen stukjes droge worst en lulden over onze jeugd, in de Groningse contreien. Rein was, hoewel een Stadjer, behoorlijk af geoefend in het AGD, het Algemeen Grunnigs Dialect, overigens. Nu ja, het waren wat zorgeloze zondagmorgens, zeg maar.

Zowel Kees als Paul 2 zijn allebei veel en veel te vroeg gestorven. Ze staan allebei in mijn herinnering gegrift, natuurlijk. De wereld heeft in hen twee bijzondere en geweldige kerels verloren!




zondag 23 december 2018

De Almo, deel 9, operationeel, eindelijk (de heli en de Freggelgrot)

Toen dus bleek dat alles ‘het deed’, zeg maar, kwam de tijd om het schip over te nemen ‘van de werf’ en officieel in dienst te stellen. Dat deed Van der Werf, hoe flauw kan je zijn?
Hoe dat eerste precies in zijn werk ging durf ik je niet te zeggen, hoor. Maar veel hebben we er niet van gemerkt, moet ik zeggen. Er zullen de nodige handtekeningen gezet zijn en zo en misschien heeft onze ouwe wel een All Riskverzekering moeten nemen of een ‘Pech Onderweg’ polis af moeten sluiten, ik weet dat echt niet. In ieder geval de Philips van Almonde kon toegevoegd worden aan de vloot.
Op een koude en winderige woensdag trad de hele bemanning aan op het halfdek, het zogeheten helidek. Er werd een spreekgestoelte neergezet, een deel van de Marinierskapel stond opgesteld, er waren stoelen aangesleept voor hele hoogwaardige gasten, waaronder de toenmalige minister van defensie, de heer H.A.F.M.O. van Mierlo, ondertussen overleden. Die man was een van de medeoprichters van een, toen nog enthousiaste en aardig positieve nieuwe politieke partij, die de Haagse kussens wel eens even zou opschudden. De Democraten ’66 noemden ze zich. Ik was, in die jaren, best wel een fan van die partij. Toen! 

(Ik ga niet over politiek beginnen, je weet het, iedereen doet wat hij/zij wil, stemt wat zij/hij wil, maar als ik nu die mijnheer Pechthold zie schutteren, met zijn Penthouse en zijn vriendin met nare zwangerschap onderbreking? In 2018 geschreven, natuurlijk, dan is mijn sympathie voor die partij al behoorlijk geslonken. Laatste nieuws, nu, begin oktober 2018 is dat die Pechthold afgetreden is.
Ik was, toen nog jong en onbezonnen, natuurlijk ook wel een fan van die partij, omdat een van de andere medeoprichters van die D partij een oud leraar Frans van me was, van de mulo. Nee, ik ga niet ingewikkeld doen en me hoger maken dat wat ik ben. Ik heb als hoger onderwijs slechts de muloschool doorlopen. Ja, het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. That’s it Folks. Geen High School, geen Gymnasium, geen Atheneum of hoe spel je zulks. Gewoon, vier jaar na de lagere school doorgezeten en niks bijgeleerd en dom gebleven. Van kale boer tot Stip, dat is toch ook aardig! Als anekdote kan nog gelden dat ik ‘verkering’ had met de dochter van die mede oprichter van die partij. Mijn Frans was, qua grammatica,  niet al te best en zij kon er voor zorgen dat pa me betere cijfers gaf dan ik eigenlijk verdiende. Ze verbeterde gewoon antwoorden in mijn proefwerken voordat pa die moest corrigeren, dat deed hij thuis. Ik ben haar eeuwig dankbaar gebleven, weet haar naam niet eens meer, maar het was een lief ding. Even terzijde. Ik 'liep' zoals men toen zij, met ene Antje. Een fraaie blondine die op die leeftijd al allemaal verrukkelijke rondingen had, daar waar ze ze ook moest hebben, zeg maar. Alles gewoon helemaal onschuldig, natuurlijk. Maar met de dochter van die leraar Frans zat ik in het reuzenrad van de meest beroemde en oudste kermis en paardenmarkt ter wereld, die van Zuidlaren, te snoggen, zeg maar, niet door hebbende dat er een NTS, zo heette dat toen nog, cameraploeg het geheel zat te filmen en dus ook de mij en de vriendin had vastgelegd op beeld. Dat kwam dan weer in het 2000 uur Journaal, het enige en beste journaal dat we toenmaals hadden,  en ja, de volgende ochtend was ik natuurlijk gewoon de eikel, de gek, de pisang en de l.. en de klootz.. en zo en ja, gek toch, de verkering was uit.)

De commandant maakte een fraaie en toepasselijke toespraak, waarna het commando klonk: “Front maken naar de vlag. Vlag en wimpel hijsen.” De eerste keer dat die woorden officieel aan boord werden uitgesproken. Het Wilhelmus klonk, wij salueerden correct en als een man en zo was de Philips van Almonde opeens ‘Hare Majesteits Philips van Almonde’ geworden. Voor iedereen een plechtig moment en dat meen ik echt. Er was een borrel na, nu ja, die Van Mierlo spoog er niet in, hoor, na afloop, er waren hapjes en het was een feestelijke middag die, door ons, feestelijk werd afgesloten in de Leeuwenkuil, zeg maar.
De dag daarop vertrokken we naar onze nieuwe thuishaven, het overigens hele vervelende en saaie en dooddoende en nare Den Helder, wat een pokkengat is me dat! We werden daar dan wel warm onthaald, hoor, er stonden veel mensen op de steiger, veel familieleden natuurlijk en die juichten en zwaaiden en, in de havenkom, spoten vele havenslepers grote bogen water. Andere schepen lieten hun sirenes janken en hun alarmen afgaan. Wij, de bemanning, stonden model aangetreden en het deed ons allemaal wel goed.
De rest van het jaar ging op aan allerlei haven oefeningen. Denk hierbij aan havenbranden, aan bezoeken aan en van de NBCD* school, we kregen extra opleidingen en cursussen en we namen de laatste voorraden in. Eind december gingen we met winter verlof, allen met een voldaan gevoel, goh dat schip gaat het helemaal worden. De sfeer aan boord was goed, er was geen animositeit tussen de verblijven, we konden het allemaal goed vinden en ja, het schip klopte, mensen onderling klopten, apparatuur klopte, bevoorrading klopte en, heel belangrijk, het eten klopte ook al helemaal. We hadden een geweldige kombuisploeg, onder leiding van een chef-kok, die ook nog eens voor het koninklijk huis had gekookt.
(Ik moet dit even kwijt over KM kokologen: wat die gasten, tegenwoordig natuurlijk m/v klaarspelen op een relatief kleine oppervlak, met slingerende kooktoestellen, spattend en kokend water, grenst aan het ongelooflijke. Ik heb, noem het zielig, nog bijna nooit zo lekker gegeten, vooral rijsttafels en zo, als bij de KM.)  Maar goed, dat geldt wel voor elke marineman, hoor. Die marine lui doen dingen die je in de burgermaatschappij niet voor mogelijk houdt, denk alleen maar aan het BOZ’en tijdens een enorme zee en met slecht weer, met ijs en sneeuw en zo. Hetgeen natuurlijk niet in verhouding staat tot wat de mannen van de houten zeilschepen moesten ondergaan in stormnachten op smalle ra’s en met klapperende zeilen en zo.)

Na het winterverlof gingen we als ‘schip van de wacht* varen en we combineerden dat met het inwerken van onze vaardigheden in het opwerken van ons schip en de CC met het werken met helikopters. Natuurlijk bood elk schip van deze klasse plaats aan twee Lynx heli’s maar die waren er, zoals al eerder gezegd, vaak helemaal niet. De reden daarvoor was waarschijnlijk geldgebrek of zo of leveringsproblemen bij de fabrikant, of ze waren te duur of werden ergens in Libië op een strand gezet.
Hoe dan ook, er werd nu wel een toestel ter beschikking gesteld en dat dan ook dagenlang, later avonden en nachten lang, en er werd geoefend met het oplanden en het opstijgen en vastzetten van de machine, maar natuurlijk werd er ook heel intensief geoefend met de sonar opsporing apparatuur die de heli aan boord had en dan met het schip verbinding maakte. Het waren saaie dagen en lange nachten voor een groot deel van de bemanning, hoewel de boerennachtsgasten* er niet al te veel last van hadden, eerlijk gezegd.
Af en toe werd er natuurlijk, ook ’s nachts, een zogenaamde voorzorgslanding gepland. Dat wil zeggen dat de heli zogenaamd in de problemen was en met moeite naar boord terugkwam, zodat het zeewacht brandpiket*, aan moest treden, dan, waar mogelijk de brand moest blussen en, heel belangrijk, de bemanning redden die dan weer door de Medische Actie Dienst moest worden afgevoerd naar de ziekenboeg. Dat waren intensieve oefeningen hoor, geloof het maar. Maar we leerden veel en vaak ging het ook bijna altijd helemaal goed.

(Ook de Duitse marine had ons gevonden. Zij hadden nieuwe fregatten in de aanbouw, schepen op die van onze format schepen was overgenomen en die hadden dus ook heli’s aan boord. Ook met hen oefenden we de heli’s en hun bemanningen. Wij waren nu ondertussen al aardig door de wol geverfd met al dat oplanden en zo, maar de Duitse bemanningen hadden nog veel te leren. Niet zozeer dat ze slechte vliegers waren, of slechte crews hadden, dat helemaal niet, maar hun en onze procedures kwamen, ondanks dat we dezelfde NAVO-procedures hadden, niet helemaal overeen. Natuurlijk hadden ze, in die jaren, ook nog niet de fregatten zoals wij die hadden. (Hun later Sachsen klasse was afgeleid van onze Kortenaer schepen, voor zover ik het begrijp. Maar ja, het lukte hen en ons om goede collegae te worden, na al die oefeningen dronken we vaak gezamenlijk een biertje en ‘we didn’t talk about the war’ John Cleese. Verderop meer)

Het ging dus bijna altijd helemaal goed, zoals ik al schreef. Bijna altijd en die woorden zijn een tijd lang blijven hangen aan boord.
Professionals, ja, dat waren we, wij allen, dat waren we geworden na heel veel werken en trainen. Niet alleen bak één was dat, of de ouwe mannen of de gasten in het caf, maar ook en al helemaal de korpen. Anders waren we waarschijnlijk niet geplaatst aan boord van een van de nieuwste en modernste prauwen van de Zeemacht. Ik gaf het al eerder aan: vanaf die bak één, de officieren, tot de laagste milicien, maar dat moet je niet echt letterlijk nemen, met laagste bedoel ik alleen maar de mensen die geografisch ver verwijderd van de Longroom leefden en werkten, waren wij allemaal, pro’s. (Zeg niet dat je een pro bent in Australië, overigens, daar betekent dat woord heel wat anders, zoals een vrouwelijk opvarende van de Van Brakel ooit meemaakte. In Down Under betekent Pro dat je een prostituee bent, namelijk.)

Even een paar terzijdes, die jullie misschien al eens eerder gelezen hebben:
Maar goed, zoals gezegd, wij waren het allemaal wel. Profs, dus, Ik las een paar hele leuke reacties van toenmalige collegae korporaals, naar aanleiding van wat Blogjes die ik ooit eens schreef op de site van de Almo en ja, ik herkende de mannen nog, las met vreugde hun reacties en had dezelfde gevoelens als zij hadden bij en in die tijd: Top! Het waren goede jaren, en het was inderdaad een goede bemanning!
(Ik moet me overigens verontschuldigen bij W., die Gipsy genoemd werd aan boord en die ik zo ook heb opgevoerd. Ik heb hem jaren ouder ingeschat dan dat hij werkelijk is. Voor die arrogantie ga ik diep door het stof, man. Excuus. Gipsy heeft die excuses aanvaard en vind het een ondertussen een Geuzennaam en da’s het ook.)
Maar, het was wel een heel jong korpetijnen, of korpedanten, (korporaals) verblijf, toen hoor. De technologie, voor wat de computers en alles wat er mee gedaan werd of mee gedaan kon worden betrof, stond nog in haar baby, nu ja, foetus, schoentjes. Maar, aan boord van die nieuwe fregatten was ze wel al heel erg aanwezig. (Ik ga jullie het gemopper van de SMJR Hans, die voornamelijk belast was om het hele systeem draaiende te houden besparen, maar er waren een heleboel ‘Fuck ups’ en dus een boel ‘Fuck U’s zo.) Maar in ons (selecte) groepje mannen zaten ook een heleboel jonge gasten, wij noemden hen de ‘Whizzkids’ die het allemaal hadden over bits en bytes en nou ja, van dat soort zaken, dus. Dat was toen wel al heel ver qua ic-technologie en zo, wij, de oudere mannen, snapten er geen reet van, toen, maar nu? Dat soort zaken weet de doorsnee man/vrouw die wel eens knoppen bonkt, ondertussen allemaal.

Maar goed, al die Whizzkids, dat heette toen de WD-groep, als ik het goed heb,
en al de wat oudere lu…., onder andere de twee konstabel korpen en Gipsy en ik, de KPL toelis, vele KPL’s machinisten en zo, zaten allemaal in dat ene verblijf. En, het was een goed verblijf, maar dat vertelde ik al vaak.
Dus over dat professioneel zijn dan.
In die jaren kwamen de nieuwe heli’s van de KM, de Lynxen, ik noemde het onderwerp heli’s al even, net inrouleren, zeg maar. Niet echt helemaal nieuw, maar ieder geval een verbeterde versie ervan, of zo. Maar ook bij de marine van onze oosterburen, de Deutsche Bundes Marine dus. In elk geval, de Almo mocht en moest die heli’s af oefenen en dus werd op die manier meteen onze CC, en ook de vlieg mannen dan, de lessing paaien* en de VDO, de Vlieg Dek Officier, dat was vaak de oudst aanwezende Onderofficier van de mariniers, af geoefend voor het op- en af landen van heli’s. Maar ook de MAD kon veel oefenen op het eventueel af te voeren van gewonden en zo. Dat was allemaal een hele goeie zaak dus.

Het was in maart ’82 dat we daar mee begonnen. Intensieve weken van hard werken en veel oefenen en hele lange dagen en soms nachten maken. (Ook nachtoefeningen werden er gedaan, natuurlijk.) Het was echt hard werken en hard oefenen en vooral uren maken. En dat vooral voor de mannen die echt betrokken waren bij de vliegdienst mensen, voor de helikopter directie mannen, of de vliegdek officier, maar natuurlijk ook voor die eerdergenoemde paaien, voor de mensen op de brug en de TD en, nu ja, wees eerlijk, eigenlijk was het gewoon druk voor de hele bemanning. De kokologen zorgden ervoor dat er de hele nacht door soep en sandwiches en koffie was, nu ja, noem maar op.
We gingen dan vaak op maandag morgen vroeg naar zee, we kwamen vrijdag laat terug en waren een hele week, en dat wekenlang achter elkaar, bezig met die choppers. Ja, ook weer de LD, had het zwaar, vergeet niet dat de MAD uit bijna de hele LDV, bestond. Dus die mannen moesten, na weer een oefening, die tot half twaalf duurde, zorgen dat er om twaalf uur, als het middagmaaltijd was, nog even als de raphazen het eten in de bakken doen, tafels dekken, eten opvoeren naar de andere verblijven en al dat gedoe meer.

De Duitse Heli ploeg verbleef die dagen aan boord, keurig gerangschikt, natuurlijk. Manschaftten bei Manschafften, Unteroffiziere bei Unteroffiezere, nu ja, je begrijpt me. Het was aardig volk, het waren professionele marine lui en we wisselden woorden en grappen en hadden het, hoe kan het anders, veel over het voetbal. Elke dag oefenden we, ook in de nachten en ja, wij leerden en zij leerden. Alles ging goed, er was geen averij, er waren geen misverstanden, de ploegen deden hun uiterste best en ja, no problemo’s, keine probleme.

Tot de laatste dag. Toen ging het mis, echt mis. De laatste landing was voorbij. De laatste heli ging haars weegs. We hadden de bemanning leren kennen
Wij waren dat weekend nog wel schip van de wacht* en in mijn tijd, sprak de grijsaard, was je dat ook nog een hele week en dus ook in het weekend en dat ook nog eens buiten op zee. Goed, het was dus weekend, einde van alle heli oefeningen en van de vliegploegen en ja, dus gingen we maar en klaverjasje leggen om de verveling te verdrijven.
Nauwelijks hadden we onze eerste Grolsch ingeschonken, Almo volk, veel Tukkers aan boord, natuurlijk, had het niet zo met Ome Freddy H., of de brug riep iets om, met heli’s en zo, maar dat was heel onduidelijk. Het was bijna 1 april, dus iedereen reageerde wat lacherig. Maar collega S., de man van de Heli Inlu. Centrale, kwam het verblijf binnen stieren. “Mannen, safeguard*, die laatste chopper* is van het scherm! Vermoedelijk neergestort! Ik hoorde dat de ouwe een zoek opdracht kreeg van CZM!’ Hij verdween in de looppas weer naar zijn post, ergens daar onder in het schip. Die ruimte die wij, niet ODOPS’en, de Fregglegrot noemden.
Voordat de CDT zijn eigenlijke oproep deed via de scheepsomroep, stonden wij, de hele bemanning, allemaal al weer op post. Geen biertje meer, geen kaartspelletje, geen gezeik of gegriep, gewoon de mannen, de professionals, stonden er weer! Zoals het betaamt van professionele zeelui. Zoals wij, de mensen van de Almo waren. De SPODO’s, de Nauten, de MAD, de WD, de TD, de OD en ik vergeet natuurlijk hele groepen, zonder opzet overigens, iedereen was op post en zonder morren. Het schip was gereed voor alle eventualiteiten.
We hebben achtenveertig uur gezocht naar die vermiste heli. Ieder voorwerp dat op de zeebodem lag werd door de mannen, die de sonar deden, bekeken. Alles wat geen ‘water’ was, maar dreef, hebben de Nauten opgepikt, met de zodiac of met dreg haken of zo en die werden ook onderzocht. Maar: helaas. Geen resultaat. Drie collegae verdronken. Ik geloof dat er twee van hen aangespoeld zijn ergens op een Duits Waddeneiland of misschien door een schip zijn opgepikt.

Wij moesten die zondag echt naar binnen. We hadden geen peut meer, door al dat zoeken en zo. Een ander schip nam het van ons over. Tot onze spijt. Want de hele bemanning had graag door willen gaan met de zoekopdracht. Die Duitse vliegers waren onze ‘mannen’ geworden, begrijp je?

Jaren later heb ik, met een ander fregat, ook eens iets dergelijks meegemaakt. Toen was er een Australisch vliegtuigje verdwenen. Het was vermoedelijk neergestort in de buurt van het Grote Barrièrerif. We hebben daar ook 48 uur naar gezocht. Een ander verhaal, dat misschien ooit wel eens wordt opgeschreven. ) In het kort, we zochten urenlang, schijnwerpers, bemanning op post, je kent het wel. Opeens voelden en hoorden we een  ‘BUMP’ in het voorschip. Vermoedelijk was het vliegtuigje blijven ‘zweven’ en heeft onze dome het tot zinken gebracht, maar ja, dat is nooit zeker, nietwaar?

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...