woensdag 13 maart 2019

Patrijspoorten en teakhout (laatste)

Patrijspoorten

Zoals ik al schreef, de eerste P. was een OC’er. Ik weet niet of de jongere generatie die kreet nog kent of nog begrijpt. Een korte toelichting. Men kwam toentertijd in dienst als MATR 3, of, als ZVP of HOFM of ALS MACH of als TLG, in ieder geval, als drie. Met het bekende matrozenpak, inclusief muts met zoveel gouden letters die ‘Koninklijke Marine’ spelden. In een soort Gotisch handschrift. De baas verwachtte dat je, na je aanvankelijke eerste dienstverband van zes jaar, (voor bepaalde dienstvakken was dat acht jaar, overigens), hetzij: de dienst uitging, of je al had gekwalificeerd voor de KPL’s opleiding. Zo niet, kon je wel bijtekenen. Het VBM, de Vereniging Belangenbehartiging Marinepersoneel, zeg maar een vakbond, had na een jarenlange strijd het pleit eindelijk gewonnen. Voor matrozen met meer dan zes dienstjaren werd het zogenaamde OC, oudste categorie, uniform ingesteld. (Ik heb in mijn jeugd, nee, mannen, nee, dat was wel in de vorige eeuw, maar niet in de eeuw daarvoor, hoor, nog weleens een stokoude bottelier in een heus matrozenpak gezien. De man was als dertienjarige ‘jongen’, zoals dat toen heette in de Oost in dienst gekomen en had, zeiden de romantici, de muiterij en het bombardement op de Zeven Provinciën nog meegemaakt en was toen, raar maar waar, bij de KM in dienst getreden als beroeps matroos. Hij stond (toen ik hem kende) op het punt gepensioneerd te worden en was al dik en dik dertig jaar eerste klas of zo en hij had er totaal geen zin in om dat uniform: jasje en dasje en platte pet, te gaan dragen. Men ging toen nog vaak als Een, eerste klas dus, de dienst uit en werd dan MILWKM, MILitair Werk Man. Let wel, pas jaren later kwamen die bevorderingen in zwang dat men in elke geval als SGT of SMJR tit. (titulair) de dienst kon verlaten, dat waren de bevordering groepen, de BG I, II, of III, of zo, maar ik weet dat allemaal niet meer zo goed.

‘Mijn’ eerste ziekenpa heette dus P. Ik schreef al over hem, zie eerder en boven. Hij was dus een echte OC en hij had, samen met zijn toenmalige korporaal, natuurlijk, de Kortenaer al in dienst gesteld, het eerste schip van een hele nieuwe serie schepen die de KM bouwde als opvolgers van de jagers en van die befaamde Van Speijk fregatten. Die Van Speijk boten werden later de zogenaamde MLM-fregatten genoemd. (Mid Life Modernisation) Die fraaie schepen waren trouwens in licentie gebouwde, zogenaamde Leanders van de RN, inclusief de Vickers bewapening in die fraaie en stoere dubbeltoren met een, in onze ogen, rare bewapening van 114 mm kanons! Die prachtige schepen werden overigens verkocht aan Indonesië.
Allemaal: ook zie boven.
Maar goed, P. was, met zijn Kortenaer ervaring, een kopstuk op het gebied van die nieuwe prauwen en was voor mij dus een lopende encyclopedie. “Zo zat dit en zo hadden we dat en zo konden we zus en zo gingen we daar, dat deden we met het medisch magazijn en zo deden we met de MAD”, en zo maakte hij duidelijk dat hij een vakman was.
Ik zoog zijn informatie op, schreef het ook op en maakte plannen en beschreef die en kwam daar mee naar buiten en kwam er helemaal uit met mijn Almo.
Maar goed. P. was niet alleen een hele goeie ziekenpa, maar ook een ‘karakter’ met een hele aparte humor die vaak heel op ‘practical jokes’ gericht was. Ik geef een klein voorbeeld. We sliepen toen nog op de Snellius, maar alle medische bescheiden, ziekenboekjes en ziektekaarten en tandarts documenten lagen nog in de VGKAZ, de Van Genth Kazerne in Rotterdam dus, met wiens chef ziekenboeg ik overigens geen lekkere relatie had, zie ook weer eens veel eerder. 
Het werd tijd om die bescheiden naar de ZB van de Snelle te brengen, we hadden ondertussen onze eigen medische dienst opgezet en met nde in de VGKAZ liggende bescheiden konden we natuurlijk niets. In P.’s voertuig, een al wat oude en rode Renault 4, reden we van Schiedam naar de stad aan de Rotte. We babbelden wat, rookten wat en op een gegeven moment stopte hij, terecht, voor een zebrapad. Een oudere mijnheer stak over, groette met zijn stok en P. sloeg het zijraampje van het autootje open. Hij wenkte de oudere man. “Mijnheer, weet U waar de Buys Ballot straat is?” Mijn klus viel op dek, de Buys Ballot straat? Wat moesten we daar?
Ook de senior keek verwonderd. “Nee, daar heb ik geen idee van! Nooit van gehoord, geloof ik. Sorry!” “Nou”, zei P., “dan ga je de eerste weg rechts en de tweede straat links. Dan recht door het kruispunt over en dan ben je er!” Hij klapte het raampje dicht en reed gillend van de lach weg. Ik moest er even over nadenken en snapte hem eindelijk en lachte heel hard mee. Tot P. een stinkende Shoarma en bier wind liet. Misselijk en half brakend van de geur die een mens, erger dan een dier, kan verspreiden, het leek of heel 010 haar beerputten had opengezet, spoog ik mijn ontbijt uit op de Coolsingel. Heet dat zo? Nu ja, een raar straatje in 010 dan.

“Wie zoekt zal vinden”, schreef de oude filosoof Paco Saul al tijden geleden. Hij had die kreet ook weer gejat hoor, geloof ik, maar: gelijk had hij wel. Ik zocht zelf niet, maar mijn jongste zoon, ook al weer een dertiger nu, zo snel gaat de tijd dus, was op zoek naar foto’s uit zijn/onze jeugd. Mijn lief, de E., de initiaal staat voor de eerste letter van haar naam, maar ook voor ‘echtgenote’, ik ben op alle fronten gedekt, zoals je merkt, heeft veel foto’s. Altijd genomen en altijd bewaard. In mapjes en in hoesjes en dan opgeborgen in ‘haar’ kastje, zoals wij dat noemen. Zelf ben ik niet zo van die foto dingen. Maar het is wel verrekte grappig om ze, na al die jaren, weer eens te zien. “Kijk pa, dat ben jij, zonder buik en nog met haar”, zei de zoon, nadat hij een hele stapel foto’s had gevonden, nadat hij een hele middag had lopen spitten. (Hij zij de woorden zonder buik en met haar anders. Iets bruter, althans iets meer dwingend. Ik gaf hem heel beleefd antwoord, zoals vaders dat doen met brutale zonen en ging over tot het bekijken van de foto’s.)
Voor de ‘post fototoestel’ generatie. Vroeger had je aparte toestellen, foto apparaten werden die genoemd. Dat waren doosjes, met een lenzenstelsel en een kastje waar je een rolletje licht vattend papier in moest doen, rollen eigenlijk, het zal wel anders hebben geheten, maar goed. Die rolletjes waren moeilijk te monteren ook nog, dat over een soort kabelbaantje, net als met een fietsketting. Dan keek je door de zoeker, zei tegen de personen die je wilde fotograferen dat ze niet mochten bewegen en “Cheese” of “orgasme” moesten zeggen, je drukte af en ja hoor, gelukt hoopte je! Thuis, weken later, ging je naar de fotograaf, of naar de HEMA en liet je het spul ontwikkelen. Dus! Heel oud dus! Ik ook dus!
Maar goed, zoon vond die foto’s en zette ze meteen op de pc.
Grappig genoeg zat er, net gepubliceerd, een UITNODEGEING voor de opening van het KPL’s verblijf op de Snelle J. bij. Die uitnodiging zal waarschijnlijk niet door de KPLLDA geschreven zijn.(Zie ook in het fraaie boek dat Rob samen steld/heeft gesteld.)
Maar: we hadden dus een KPL’s verblijf op de Snellius. Zoals ik al eerder schreef was de S. een prachtig schip, een luxe prauw, haast een passagiersschip. Zoals vermeld, het schip had geweldig fraaie, koperen patrijspoorten, waar een man met zwemvest en gevechtstenue aan, door kon. De dekken waren van origineel teakhout. Dat moest toen, vanwege dienst in de tropen en zo, vanwege de teakhout snuivende langvoet muskieten, of zo. Of men had, bij de bouw van die schepen, poen genoeg, voor chique schepen, dat kan ook.
Ik weet er eigenlijk niet zo veel meer van, van dat KPL’s verblijf. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er weleens kwam, maar niet te vaak. Dat klinkt hypocriet, maar dat is niet zo bedoeld. Ik was in die tijd namelijk geen boordplaatser. De enigen mannen die boordplaatser konden/moesten/mochten zijn waren de zogenaamde “Jutters”, de mensen uit Den Helder/Julianadorp/verder weg in elk geval. (Dat had met ruimte en poen te maken. Nu ja, er werden uitzonderingen gemaakt over de mannen uit het hoge noorden, hert diepe zuiden en het verre oosten, maar eenieder die in een straal van 75 kilometer van de werf woonde was meteen walplaatser.) De jutters, kwamen op de maandag rond 1200 de poort binnen, met een KM-bus en verlieten de werf op vrijdag rond 1200, per idem vervoer. Ja, dat gaf aanleiding tot grappen en grollen en scheve gezichten, maar dat was allemaal niet echt erg. 
Mijn toenmalig huwelijk, dreigde op elke klip te lopen die je maar kunt verzinnen en deed dat uiteindelijk ook. (Ik ben nu al weer dertig jaar getrouwd met E. Ok, ik gooi hem der in: ik ben getrouwd en zij is gelukkig, flauw, flauw, maar ik ben al jaren gelukkig met haar en blij en gelukkig met onze kids en kleinkinderen.)
Ik wilde dus, idealistisch en vol hoop en vol van goede bedoelingen, ook trachten om dat huwelijk te redden en zo veel mogelijk thuis te zijn om bij mijn zoon, hij was toen een jaar of zes (en hij is nu de trotse vader van de beste en fraaiste kleinkinderen van de wereld) te zijn. Maar ja, ik had natuurlijk ook drie van de vier de wacht. Zo was de KM in die tijd. Dus ja, ik bracht wel redelijk wat tijd door in dat prachtige schip en in dat schitterende verblijf.
Na en dikke dertig jaar weet ik niet al te veel meer. Maar de dingen die ik me herinner zijn: chique teakhout, fraaie grote, koperen patrijspoorten en een enorme danszaal als verblijf. De ziekenboeg leek eerder op een hospitaal ruimte dan een ziekenboeg, zo ruim en fraai was dat . We hadden geen tapbier, (nog niet) maar een enorme koelkast, door de tapbazen, waaronder Gipsy, geïnstalleerd en waar sloten en kanalen, zeg maar meren, vol koude versnaperingen in konden. Ook hadden die vogels helemaal een of andere muziekinstallatie bij elkaar gespaard, of geritseld, zeg maar. Daar klonken de geweldige nummers van die tijd door. Ik bedoel Golden Brown van The Stranglers en Vienna van Ultra Fox.(ik vergeet vaak: Je loog tegen mij van Drukwerk, maar geloof me, dat eas een vaak gedraaid nummer.)  Hits met fantastische ‘clips’ zoals dat toen heette. Wij zaten daar beneden tevreden en niemand had last van ons. Het verblijf leek, in mijn geheugen, een balzaal. Ik was de ‘oude’ jagers gewend. Veertig korpedanten op een vijf bij vier is 20 m2 meter verblijf. Hier hadden we ongeveer het vijfvoudige van die m2 met de helft van de mannen.
De sfeer in dat verblijf zou tekenend worden voor de sfeer aan boord. Er waren, natuurlijk, weleens woorden, ja, mannen en vaklui onder elkaar. Maar er was voornamelijk collegialiteit. Vriendschappen? Ja, ook, de gewone KM-vriendschappen. Zo zie je elkaar twee jaar, ongeveer twintig uur per dag, en maak je van alles met elkaar mee, heb je zelfs geen tijd voor je zelf, of ‘privacy’ zoals het heet. Maar als je elkaar dan na zoveel jaar weer eens tegenkomt, dan is het net alsof je elkaar gisteren nog gesproken hebt. Dat is KM breed en diep hoor, dat is niet alleen voor de Almo. Maar, ik kwam na, dertig plus jaren, Gipsy en Ben en meer van de mannen weer tegen, op het Internet, op Facebook dan, en man, dan lijkt het weer gisteren! nEn: ik heb er nog steeds de beste herinneringen aan. Het was een geweldige periode in mijn leven, ondanks mijn privé gedoe. Ik ben de mannen van toen nog steeds erkentelijk en dankbaar voor hun steun en vriendschappen!

Hoe ging het verder met de Snellius? Na ons kwam de aanloopbemanning van de Bloys van Treslong. Dat waren niet al te slimme gasten, geloof ik. Ze klaagden erover dat het zo tochtte aan boord. En dat het zo onveilig was zonder dek en zo. Tja, dat was ook wel logisch. Al die fraaie en heel dure koperen patrijspoorten waren als bij toverslag verdwenen en dat teakhouten dek was ook al pleiten.
De Almo had een prachtige KPL’s tap. Het caf van de ALMO ook. “Teakhout mannen, direct geïmporteerd uit Indonesië. Ja, kost wat, maar dan hebbie ook wat!” zeiden de verblijfsoudsten tegen de bewonderende oplopers! Gypsie en Rob van K. behoorden tot die figuren, zonder dat ik wil zaaien, hoor. (Maar het waren boefjes, allebei.)
Die dure en grote en fraaie patrijspoorten verdwenen slinks in achterbakken van auto’s van bemanningsleden. Fraai om in huis te hebben, tussen keuken en woonkamer of zo, of om in de voordeuren te worden ingezet. Helaas voor de mensen die die patrijspoorten leaseden. De werf, nee niet ome Kees, hij zat der helemaal niet mee, wilde ze graag terug. Ja, dat mocht anoniem, er zouden geen bakkies volgen, maar, indien ze niet terugkwamen, zou de politie worden ingeschakeld. Nee, ik geloof niet dat er veel patrijspoorten terugkwamen.

Ik eindig hier met míjn verhaal. Het is misschien allemaal wat sentimenteel en ja, ik viel in herhalingen. Maar voor mij was het schrijven van dit Blog boek een geweldige reis terug in mijn jeugd. Ik heb weer eens genoten van de herinneringen die de Almo bij me opriep.
Ik voelde me weer jong en onaantastbaar, net zoals wij, toen jonge honden, ons hebben gevoeld.
Hiervoor las je al een aantal bijdrages van de mannen die de Almo ook hebben meegemaakt. Ik heb hun taal laten staan, misschien iets gedaan aan de spelling, maar dat is ook alles. Hun verhalen komen ook uit hun hart, een hart dat klopt voor de Almo, PAFD, een jonge ouwe dame!

Ik wens de Almo, als HNS THEMISTOKLIS nog heel veel goede jaren en ik wens haar bemanning natuurlijk een hele behouden vaart en rustige wachten!




dinsdag 12 maart 2019

Teun: His story!


Even een reactie van ons aller mascotte: de maagd van een verhaal en een jaar of wat terug is nog steeds een bekende van hem en leeft zelfs in het oosten des lands! Teun bedankt voor de info, maar nu komt jouw eigenlijke verhaal, pas! 
Vergeet en vergeef allemaal niet fraaie alinea's en zo! Hoop gedoe gehad met de laptop, maar nu komp het wel weer goed, denk ik.
Na dit verhaal is er nog een story, iets met houten dekken en zo.


Teun
Vers van de Opschool werd ik in maart 82 op de ALMO geplaatst. Dacht ik op mijn gemakkie “”in te rouleren””
Kon ik mooi vergeten.
In Bureau OD stond Bootsman Versteeg me op te wachten. Na een goedemorgen vroeg hij of ik nieuw was.
Zei hij gelijk dat ik mee moest komen.
Tien minuten later stond ik op meerrol in het Waaigat want we gingen gelijk naar zee. Ik had geen vaarplan gekregen nog, dus dat was effe omschakelen. Na meerrol zag mijn tenue 6 (dagelijks tenue, noot van Lucas) er een beetje verfomfaaid uit.
Dacht ik hierna alsnog in te rouleren. Maar wederom:”Houten Kaak”
Niemand had tijd voor me omdat ze bezig waren voor de op handen zijnde oefening “Silver Nut” voor de Noorse kust.
Na 3 dagen had ik eindelijk alle handtekeningen.

ZO MOOI:

In 1982 was het bonje tussen Groot-Brittannië en Argentinië.
Wij werden voor de periode van een maand uitgeleend aan onze Britse collega’s en
wel in Helensborough. Even boven Glasgow.
Onderweg daarnaartoe had ik de hondenwacht op de brug.
Windkracht 8, strak heldere lucht en een volle maan.
Ik was de roerganger en dat is de mooiste plek op het schip van dat moment.
Ik voelde de schuit al met zijn neus omhooggaan en ja hoor:
We pikten een behoorlijk paaltje. Met de volle maan en het schuim wat over ons heen vloog
Leek het net of er een zilveren gordijn over ons heen werd getrokken.
SCHITTEREND!!!!!!!!!!
Alleen hoorde ik dat iedereen op dat moment klaarwakker was.
WHO CARES. Van dat moment was ik waarschijnlijk de enige die ervan genoten heeft.
(Noot van de schrijver: nee hoor Teun, ik genoot ook van elk moment.) 
Tijdens onze uitleenperiode aan onze Britse collega's voeren wij
regelmatig op en neer vanwege Onderzeebootbestrijdingsoefeningen.
Wij, "oordoppies'' (andere bijnaam voor spodo, noot van mij) liepen oorlogswacht.
Tijdens de nacht was ik roerganger en de OvdW had mij opgedragen om na een run op een sub
Bakboord aan boord te gaan. (Maximaal mogelijke roeruitslag over links)
Maar omdat hij vanachter de kaartentafel sprak, omdat hij op hetzelfde moment
onze positie aan het inplotten was hoorde ik hem niet echt goed
(Ook vanwege berichtenverkeer vanaf het verbindelaarsbankje)
Dus ik ging Stuurboord aan boord.
Toen we bijna 180 graden waren gedraaid komt de OvdW naast me staan en zei
dat ik verkeerd om was gegaan.
Aangezien ik mijn eigen fouten zelf wil herstellen ben ik (tot grote ontsteltenis van de OvdW) alsnog Bakboord aan boord gegaan.
Dhr. Z, onze OBO en OvdW zei godzijdank dat hij er geen werk van zal maken.
Maar de heren officieren kregen wel van onze Cdt van de Werff te horen dat ze geen opdrachten meer mochten geven vanaf de kaartentafel aan de roerganger

Nog even op het verhaal rondje schip.

Kijk, ik was natuurlijk fout door een beetje overjolig te doen.

Maar onze OBO (Onderzeebootbestrijdingsofficier) Dhr. Z
kon als Commandocentraleofficier onze fratsen prima volgen op het beeldscherm.
Maar de daadwerkelijke officier van de wacht LTZ 2 JC C. was APELAZERUS.
Hij had in die avond ervoor een verjaardag gehad in de longroom en had een
paar borden papagaaiensoep te veel naar binnen gewerkt.
Daarom kwam ik, zoals je noemt, met de schrik vrij
Hij is ook na deze trip pardoes overgeplaatst.
(Alleen jammer dat ik die snurker later weer tegenkwam op de Piet Heyn,
toen werd hij ook met een drankbakkie in Tunis van boord gehaald in 85).

Ik wist alleen niet of ik dit erbij kon vermelden, want je weet maar nooit.
En ik spreek uit eigen ervaring dat de wereld soms wel heel erg klein kan zijn.

MVGR:                                                                        

Teun

Hoe je dit wil gaan opschrijven laat ik aan jou over. Volste Vertrouwen.








De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...