(Bremen
1)
De titel is een
beetje gejat, nu ja, vreselijk gejat. Vestdijk schreef het fraaie boek: ‘De
dokter en het lichte meisje’. Dus nee, ik ben niet altijd zo origineel,
natuurlijk!
Nu
ja, er gebeurde veel meer in die haven, Bremen. Iets wat een hele tijd
verborgen leek, maar mij dan uiteindelijk wel weer ter ore kwam. Nogmaals,
anonimiteit is verzekerd, hoor. “Nee, nee, nee, we noemen geen namen, nee, nee,
nee, namen noemen we niet”, zong ooit Wim Kan, maar die Kan kannen jullie al
heel lang niet meer.
Goed. Het ging over een officier, een
LTZ dus, die de redder speelde in Aarhus. Een aardige man, ik ga verder er niet
over door wat zijn rang of functie betreft. Het was een sportieve vent ook. Ik
sportte wel eens met hem en kwam hem, later en op een andere plaatsing, vaak
tegen als we allebei op de fiets met kromme sturen, racefietsen dus, naar huis
of werk gingen. Hij woonde niet overdreven ver van mijn woonplaats, toen. Zijn
interesses waren breed. Hij hield van zijn vak, was daar ook heel goed in, hij
was dan wel LTZ, maar doordat zijn oudste OOFF het werk helemaal in de klauwen
had, kon hij zich vooral met controles en zo bezighouden. Hij was, niet alleen
hij, het hele korps OFF natuurlijk, meer een manager geworden. Hij was
natuurlijk ook wel divisie chef.
Hij was, en dat meen ik echt, zeer geïnteresseerd
in zijn mensen. Dat bleek vooral vaak na vastwerken als hij de uitnodiging van
de allerlei souschefs, aannam om in hun diverse verblijven een biertje te komen
doen. Gewoon, om de gebeurtenissen en de obstakels van de dag door te spreken,
zeg maar. Dat dat doorspreken van de dag vaak langer duurde dan de eigenlijk hele
werkdag zelf, nam hij grootmoedig op de koop toe. “Alles voor mijn mannen”, zei
hij dan, in zo een besproeide meeting, waarbij zijn tong allerlei gevoelige bochten moest maken om dat
allemaal recht te kunnen breien.
Hij was, ik zei het al, een sociaal mens. Een mens
met een groot hart. Zo hielp hij eens, toen de Almo in het fraaie plaatsje
Aalborg (of Aarhus, ik verwissel die plaatsen steeds) afgemeerd lag, een man
uit de nood. Die man, een KPL verbindelaar kreeg scharrel met twee dames, die,
door de Limeys* zouden worden beschreven als: ‘Blond, weak and willing’. Nu was
de korp wel een man die wat aan kon, een jonge en sportieve vent, als je me
begrijpt, maar twee jonge dames tegelijk, (overigens allebei boven de achttien
hoor, begrijp me goed) nu ja, dat was even wat moeilijker. De LTZ, die net terugkwam
van de wal en hen met hun drieën op de steiger zag staan, en horende van de
noodoproep, de KM-tamtam is snel en duidelijk, bood de helpende hand. "Goh joh,
als ik even een dame moet eh, nu ja, zeg maar, entertainen, dat jij, eh, zeg
maar je bezigheden kunt vervullen, nou ja, goh, dan, nou ja, nu ja, dan offer
ik me wel op, hoor, ja met tegenzin, ik ben dan wel getrouwd, maar een goed
officier moet alles doen om het voor zijn manschappen naar de zin te maken.”
(Misschien is dit niet helemaal letterlijk weergegeven, maar zoiets is het
geweest.
De KPL liet de ene jonge dame zijn
postzegelverzameling zien in de hut van de facteur en nee, hij was níét de
facteur, hoor. (Een paar flauweriken vroegen, dagen later nog aan die magistraat: “Moeten de
zegels tegenwoordig niet meer gelikt worden, Korp, ze plakken zo goed?”) De LTZ,
zoals gezegd, een sportieve man, nodigde de andere hoogblonde en van allerlei
rondingen welvoorziene dame uit om samen met hem, in zijn hut ‘Apenkooi’ te
spelen. Hij moest namelijk wat aan zijn conditie doen, zei hij. Waar zij
overigens graag op inging, tot vol genoegen van onze LTZ, die al een week of
wat inderdaad niet aan conditietraining was toegekomen.
De LTZ had dus de KPL ontlast van een zware beproeving
en had de Deense in zijn hut het in het Nederlands tellen van 0 tot 100
geleerd. Nou ja, tot het getal 69 dan, verder was hij niet gekomen. (Dit is
flauw, want ik ga het er later nog over hebben.)
Op maandag ging het fraaie en stoere schip weer
naar zee. Ik ga niet vertellen over de aantallen Brufen’s die wij die
maandagmorgen moesten verstrekken. Brufen, ja. Onze ziekenpa’s ervaringen waren
zo, dat Brufen een ideaal ‘poezen euthanasie’ middel was. Hoe bedoel je? Nu ja,
kater dodend middel, een enorm goed middel, gecombineerd met een schot O2, nu
ja, laat maar. In elk geval, we gingen weer naar zee.
(Vergeten was ondertussen wel dat wij, verblijfsoudsten, samen met de
ouwe, de EO, de hoofden van dienst en een SBN, die ook aan boord was, als
‘muppets’ meegevoerd waren naar het centrum van de stad. Nee, ik l.. echt
serieus. In die haven, ja, ik noem het maar even Aalborg, hoewel jullie, dit
boek ter hand hebbende blijven beweren dat het Aarhus moet zijn, was er de
zogenaamde ‘Christiaan de Vierde’ club, genoemd naar een van hun Deense
koningen. Die Christiaan was nogal een pittig mannetje, begrepen we. Hij had
de, zeg maar Deense VOC opgericht, was bouwer van allerlei kazernes en stichtte
een sterke Deense vloot en had, in twee huwelijken, zeventien kinderen gemaakt.
Nou had hij de club, waar wij naar toe moesten, niet zelf opgericht,
natuurlijk, maar sommige van zijn navolgers, ouwe marine lui vermoedelijk,
hadden hem die eer aangedaan. De bedoeling was dat de genodigde gasten geen
idee zouden hebben hoe ze bij dat etablissement zouden kunnen komen, dus werden
we geblinddoekt en moesten we, met de rechterhand op de linkerschouder van de
voorganger, je gelooft het niet, maar merken waar we heen gingen. Het moet voor
de toeschouwende Deense wandelaars en winkelende mensen misschien een raar
gezicht zijn geweest: zeven mannen in donkerblauwe uniformen, met rangen
variërend van SBN tot en met MATR1, langs te zien komen, lopend in processie,
met een blinddoek voor.
Na korte tijd bereikten we de club. Een zaaltje onder een historisch
pand die door de voorganger van die processie met een grote sleutel werd
opengemaakt. Nu ja, we traden binnen, mochten de blinddoeken afdoen, dronken
Aquavit, aten vis in allerlei soorten en smaken. Ik hou niet echt van vis, nu
ja, de echte Hollandse Nieuwe natuurlijk en een enkele keer een kibbeling, maar
die vreemde vissen, vaak rauw, werden steeds lekkerder naarmate het Aquavit
peil steeg. We werden aardig kanon, nu ja, we werden verheugd en kwamen vrolijk
terug aan boord. Het bleek, begreep ik achteraf, dat wij nu leden van die club
voor het leven waren en ik heb, ergens in de bagage van mijn leven, nog zo een
levenslange toegangskaart van die club en ook een fraai speldje. Ergens.
Misschien kom ik dat ooit nog tegen, misschien.
De dag daarop moesten wij, die Aquavit gierde nog door mijn lijf,
deelnemen aan de ‘retour’ receptie die de ouwe en de SBN, ene B. van B. gaven.
Man, ik heb die hele avond lang Spa gedronken, waarvan mijn collega, de KPLLDV,
die chef-hofmeester van de officieren was, zei dat het gewoon water uit de
verdampers was, KM-kraanwater dus, maar dat hij die burgemeester wel aan zou
slaan voor flessen bronwater à zoveel kronen de fles.)
Enfin, zo hadden de KPL verbindelaar en de LTZ
hun avontuurtje met de wilde Deense dames. Dus, gingen we op maandag naar zee,
zoals het oorlogsschepen betaamt. Dus stond meerrol vol met mannen met houten
hoofden, zoals het de bemanning van een oorlogsschip dat op maandagmorgen naar
zee gaat, betaamt. Dus waren we na de middaghap en de middagrust weer
behoorlijk bij de pinken en dus gaf de ouwe ons een paar pittige oefeningen op.
Die deden we, fluitje van overigens, we waren professionals natuurlijk en
gingen we verder met varen, werken en onze dingen doen. Een week patrouille
varen op de ET-route, veel brandoefeningen, gevechtswacht, soms oorlogswacht,
alarm, nu ja, dat soort zaken.
Nogmaals, veel gek....., ik ga dat woord niet
meer gebruiken.
(Ik ga vanaf nu gemopper zeggen. Dat klinkt
minder stoer maar ook veel minder belastend, is dat ok?)
Toen werd het vrijdag en gingen we in Bremen
afmeren. Bremen is een hele ouwe Duitse marinehaven. Een mooie stad ooit, die
in de oorlog helemaal plat is gesmeten, maar er nou wel weer mooi bijstaat.
Bremen ligt niet zo ver van de Nederlandse grens af en veel collegae namen dat
weekend een trein om bij hun geliefden in het vaderland te zijn. Een paar uur
reizen maar, via Groningen, Leeuwarden en een bus naar Den Helder. Ik niet, dat
dan weer om veel redenen die ik jullie al vertelde. Mijn MATR1, P. de tweede,
woonde in Oldenzaal, een uur of twee of drie met de trein vanaf deze havenstad
en hij vroeg aan me, en kreeg, natuurlijk, toestemming om naar huis te gaan. “Dan
pak ik het volgende weekend de wacht, Lucas”, zei hij vlot. ”Tuurlijk man, dan
liggen we in Den Helder, dus ja, ik neem je voorstel aan.” Hij lachte sluw.
“Oh? Dat wist ik niet.” Ik heb me wel geamuseerd in dat Bremen, natuurlijk,
daarover verder.
Onze eerdergenoemde korporaal, die van de Deense
meiden, woonde bij hem, bij P., in de buurt en ze namen, met meerderen,
dezelfde, eerste, trein die kant op. Toen ze van de plank liepen zagen ze wel een
autootje met een Deens nummerbord. De KPL herkende die auto en het nummerbord meteen
en zag ook de twee, slapende inzittenden. Twee dames, die hij eerder had
ontmoet, nauwelijks een week geleden. Hij sloop, stilletjes achter de auto
langs, liep de steiger af en veegde zijn voorhoofd. ‘Oeps, ontsnapt!’
Goed, de LTZ was, reeds gezegd, een goed mens,
met een heel groot hart en een diepe interesse in zijn mensen. Niet alleen die van
zijn eigen divisie die allemaal onder zijn hoede vielen, maar gewoon, voor alle
mannen aan boord. Toen de ‘ochtendploeg’ eenmaal op de trein zat, richting het
vaderland en de Duitse zaterdag ochtend met veel lawaai aanbrak. De Duitse politie
en douane liepen een rondje op de kade: “Aufmachen”, en zo, zeg maar, werden de
dames, twee fraaie en blonde exemplaren van het aloude Viking ras, wakker. Hoe
gaat zulks? Een beetje kampeerder, of een beetje mens die weleens op het enige
vak dat het Korps kent, is mee geweest, ja, dat is een grap, een bivak, ja, heel
flauw, heeft wel een idee hoe dat zit. Je bent verkrampt van een hele nacht in
een kleine omgeving, je mond voelt aan als schuurpapier en je moet zo
ontzettend nodig plassen!
Dus zagen de dames het bekende grijze silhouet
van dat fraaie schip vlak voor hun ogen. Er was weinig gedruis aan boord, nog
niet, het was nog geen vlaggenparade, maar de BOTT* en zijn mensen waren wel al
aan het laden. Verse groente, piepers, BIER, heel belangrijk, brood van een
Duitse bakker, vlees, nu ja, al die dingen die een goeie Chef BOTT van tevoren
heeft besteld. En: wij hadden een goed stel BOTT aan boord en ook de kokologen
waren helemaal top. Onze LTZ was ter plekke. Niet om te laden, maar gewoon
omdat hij graag voeling had met de bemanning.
De blondines stapten uit het voertuigje, rekten
en strekten hun fraai gevormde en atletische gestaltes wat en moesten zo nodig!
Dixies bestonden nog niet in die tijd, dus een
beetje schutterend keken ze naar de valplank van ons schip en ja hoor: ze
ontwaarden die ene man die zo schitterend de liefde met een van hen, nu ja,
misschien wel bedien, had bedreven. Ze riepen hem. Ja, in een buitenlandse
haven je voornaam horen roepen door een dame die niet de jouwe is? Ik heb er,
natuurlijk, geen ervaring mee. Maar ik kan me zo voorstellen dat je er wat ‘schrikkerig’
van wordt. Dat werd onze LTZ ook wel, natuurlijk. Aan de andere kant: hij zag
de ogen van de mannen van zijn laadploeg op flikkeren van bewondering. “Hij heb
wat te ‘je-weet-wellen’ en zo en die meiden komen helemaal uit Denemarken hiernaartoe.
Zou-die-der-een-van-goud-hebben”, zoiets ging al gauw rond. Dus: de macho in de
LTZ, hij had de opmerkingen natuurlijk gehoord, ontwaakte. Ik geef het grif
toe: mannen zijn macho en ja, het zou mij ook gevleid hebben, mocht ik ooit in
een dergelijke situatie geraakt zijn. Maar ja, ik ben geen Don Juan, ik ben zo
lelijk als de nacht, dus: ik dream on.
Met zijn goede pak en zijn fraaie pet, denderde
hij meteen de plank af, omhelsde de dames als waren ze zijn lang verloren geliefden en een kort, maar hevig gesprek, ontspon zich. De twee blonde feeën
kwamen de plank over en het hele clubje dat aan het werk was, inclusief OOvdW
en de leerling maakten halt en front, met een spottend lachje in de ogen. De
divisie chef merkte dat niet, in love en nerveus als hij was. De dames mochten
de douche in de ZB gebruiken, vond hij, overigens zonder overleg met de
eigenlijke baas van die ziekenboeg, ik dus, maar ja, wie was ik om dat te
weigeren? Ik gaf hun zeep en shampoo aan, gaf hun ‘ziekenboeg verstrekking’
handdoeken en zo en ontwaarde ik de dames af en toe ook in hun ‘naturelletje’.
Dat was, geloof me, helemaal niet mijn opzet, natuurlijk, goh nee. Zo ben ik
niet, maar ik deed de schuifdeur af en toe open op een moment dat de dames nog
niet helemaal ‘habiller’ waren. Eh, dat is Frans voor ‘niet meer in der lui
blote togus’, Mokums voor in het blote gat. (Nee, niet opzettelijk, nee,
natuurlijk niet, maar ja, af en toe moet je de brandveiligheid van een compartiment
sjekken, toch?)
En ja, de natuur heeft veel fraais uitgedeeld,
hoor, geloof me. Nee, mijn E. is natuurlijk fraaier en beter bedeeld dan die
meiden, maar, ja, ik begreep de LTZ wel, laat ik het zo zeggen.
Er volgden hartige en hartelijke ontbijten in de
Longroom, waarbij, volgens het roddelcircuit de LTZ nog een maatje heeft
geprobeerd te ronselen om een van de dames onder diens hoede te nemen, maar dat
werkte geloof ik, niet.
=Volgende keer: hoe het aardig mis ging=
=Volgende keer: hoe het aardig mis ging=
Geen opmerkingen:
Een reactie posten