donderdag 17 januari 2019

Bremen 3 en laatste

En zo is het verhaal over Bremen ook weer afgerond. 


Ik vond Bremen achter af, geen geweldige haven, als ik eerlijk ben. Natuurlijk heeft de stad na al de bombardementen van '44 en '45, nog wel wat fraaie gebouwen overgehouden en er is een leuk beeldje van de ‘Bremer Stadsmuzikanten’, die van dat sprookje, maar verder, nee, niet echt. Nu komt dat waarschijnlijk meer doordat ik zelf helemaal niet goed in mijn vel zat in die periode. Mijn huwelijk liep, ja, het is ook een wat persoonlijke geschiedenis dit boek, nu ja deze Blogs, natuurlijk, bijna op elke klip waar het maar op kon lopen en de toenmalige echtgenote en ik hadden elkaar niet veel meer te vertellen. We waren nog wel ‘bij elkaar’ vanwege onze zoon, maar dat was het dan ook zo ongeveer. Dat gaat een mens niet in zijn kouwe kleren zitten, op den duur.
Nu hadden de collegae ook wel in de smiezen dat het allemaal niet zo lekker ging, vermoedde ik dan. Ik kreeg namelijk nooit post. Van thuis dan. Dienstpost zat, dat wel. Onze facteur, een vreselijke enthousiaste, een andere dan die uit Emden, ene Hans. Het was ook wel een leuke en jonge kerel, maar had dat ook in de mot natuurlijk en op een gegeven moment, we waren die vrijdag net in Bremen aangekomen en hij was wat later met de post dan anders, belde hij naar het korporaalsverblijf, ik hing daar even uit, toevallig, en vertelde me dat er post voor me was. "Privé", zei" de schurk erbij. Nou, nou, toe maar. Ik ging, toch wel, op een holletje, naar de ziekenboeg en inderdaad, er stond, op het bureau een kaartje. Een kaartje van Bremen. Van die stadsmuzikanten. Met de tekst: “Lieve ziekenpa, je krijgt nooit post, dus nu krijg je er eentje van mij. Je facteurtje”.
Natuurlijk was ik even teleurgesteld, maar ik kon er natuurlijk ook wel weer hartelijk om lachen. (Ja, zo was die sfeer aan boord nu eenmaal.) En ja, een goede grap verdient een goede tegen grap natuurlijk. Ik liep dus naar achteren en belde boven aan de trap naar het korporaals verblijf met een telefoon voor algeheel gebruik, naar de man in onze bar. Dat was mijn oude vriend Gipsy. Ik vroeg naar en kreeg ook de facteur. Zo boos en kwaad mogelijk, ondanks de lach in mijn hart, zei ik dat ik zijn geintje helemaal niet kon waarderen en dat ik hem wel even voor zijn rare muil zou meppen en meer nare en strenge woorden van die strekking. Ik knalde de hoorn op de haak. De facteur dacht waarschijnlijk dat ik vanuit de ziekenboeg belde en dat hij nog wel de tijd had om te kunnen vluchten. Ik hoorde deur van het verblijf opengaan en mijn vriend de postbode verschrikt roepen ‘dat ik witheet was en hem in elkaar wilde hengsten’. “We moeten hem tegenhouden”, hoorde ik een andere collega, Gipsy naar het bleek, zeggen. Ik had me wat verborgen in een hoek en iets later zag ik de wat wit vertrokken kop van de postbode naar boven komen, gevolgd door nog twee maten. Ik stapte uit mijn schuilplaats tevoorschijn en opeens bevroor hij, de korp, die me aan zag komen. De twee anderen hadden niets door natuurlijk en knalden op de opgaande trap, volle bak op hem. Het hele gedoe leek meer iets uit een komische film dan drie onderofficieren van de strenge koninklijke marine die een trap bestegen. Ik begon te steigeren van de lach en ook de drie mannen begrepen dat het een grap was. We namen er een op, de grap werd herhaaldelijk doorverteld door gasten die de wacht hadden gehad en het verhaal niet hadden meegemaakt en nu ja, het bleef nog wel lang licht, die avond.

Een ander incident dat mijn zaterdag avond wel helemaal opvulde en die mij de zondagmorgen een speurtocht deed laten maken begon met een bezoek van een onderofficier aan de ziekenboeg. Ik had die zaterdag de wacht overgenomen van Kees en Paul, die graag eens wilden kijken of Bremen inderdaad zo saai was als ik vertelde en ik had nog een hoop werk te doen. Kees was al terug van de wal, hij vond de stad ook niet erg veel en ging een filosofisch dispuut voeren in de longroom met de Eerste Man, vertelde hij. Ja, zo vertelde ik het ook weleens aan de maten als ik een biertje ging halen. Ik had een heleboel medische administratieve zaken te doen, waar ik het nu niet over ga hebben, dienstpost, zoals ik al zei. In ieder geval, ik schoot lekker op, toen er aan de deur van de ziekenboeg werd geklopt, ik die opende en een patiënt binnen zag komen. Die patiënt zag er niet uit! Een dik opgezwollen oog, een gescheurde lip, een scheur in de huid van de schedel, overal schaafwonden en zo en een behoorlijke drankadem.
Ik herkende de man, na veel observeren wel. Het was een onderofficier van ons schip en ook nog eens iemand die in de hiërarchie van de LD boven mij stond.
‘Joh, que passa?’ vroeg ik in mijn beste Duits. Je kent het wel. Mensen met een dikke lip en zo, lu…. bijna geen Nederlands meer. In een soort Pools, of zo, vertelde hij, de patiënt, een beetje door zijn neus sprekend ook nog, dat ‘ie met zijn fiets in een tramrail was blijven haken en zo op zijn muil was gegaan. Het klonk ongeveer zo: ‘Ik bej ovje jen trjamrjails gevalje me me fjiets en sjo op mijn muil gegjaan’.
Ik belde de arts toch maar even. Die man moest ook maar eens wat doen voor zijn dikke traktement, nietwaar? Ik onderzocht de patiënt ondertussen en vond het wel wat raar, allemaal. Als je op je plaat gaat met de fiets, dan land je meestal op één kant. Wist ik uit ervaring, als hartstochtelijke fietser, die af en toe ook weleens viel. Dan heb je dus vaak aan een kant van je hoofd of je lijf allerlei wonden. Maar hij had èn een dikke lip èn een bloedneus èn een dicht oog links, maar ook een soort snijwond aan zijn hoofd rechts en dat klopte niet helemaal. Bovendien had hij ook nog eens een dreun op zijn rechteroor opgelopen.
Dokter Kees kwam en zag en deed wat neurologisch onderzoek en gaf wat adviezen en ik nam de man dus een nachtje ‘ter observatie’ op, zoals dat zo fraai medisch heet. Natuurlijk verzorgde ik zijn wonden, met Betadine jodium en verband middelen en zo en vroeg of ik nog wat collegae moest waarschuwen? Nou, alleen de sergeant bottelier even, want die was zijn vervanger. Goed, verder liep het allemaal wel goed af, gelukkig, maar de schrik zat er bij hem goed in. De Sergeant bottelier kwam, vernam de bijzonderheden, tutte en frutte en zowat, bracht een fles bier, die ik niet gezien heb, maar die ik uiteraard wel verboden zou hebben als ik die gezien zou hebben en de man vertrok weer, een dikke grijns op zijn gezicht. Waarom? Vond hij het fijn dat zijn collega in de ziekenboeg lag? Nee, zo een man was hij niet. Dus ja, toch klopte er iets niet, dat voelde ik.
Ik liep de volgende ochtend eens de hangar binnen, waar de fietsen waren gestald en bekeek de fiets van de man. Ik voelde me een beetje een soort Maigret. Het was een oud soort racefiets, je kent ze nog wel, met schakel commandeurs nog op de buis en van die stadsremmetjes en zo aan het stuur. De fiets was, behalve dat ze wat oud en wat smerig was, helemaal schadevrij. Ja, maf. Als je met een fiets op je plaat gaat, dan is over het algemeen allen het stuurlint beschadigd, de trapper aan de kant van de val wat verbogen en is de remgreep verplaatst aan de kant waarop je gevallen bent. Maar niets van dat alles, de fiets leek op van alles, behalve op een fiets die een crash had meegemaakt. Ik was de middag daarvoor zelf even de wal op geweest, een kopje thee gaan drinken, je kent het wel. Ik had in de hele stad wel enkele tramrails gezien, eerlijk gezegd, maar niet in de wijk waar hij over vertelde.

Maanden later, de wonden waren natuurlijk gewoon mooi genezen, hij ging bijna van boord om een andere functie te gaan doen, schoot ik hem, tijdens een afscheid BBQ op het hangardek, nog eens aan. Hij had een lekker biertje op, hij lulde gemakkelijk en ik vroeg hem hoe dat ongeval met die fiets nu werkelijk zat. “Tja, dat was heel lullig en je had gelijk dat je het niet helemaal vertrouwde. Ik ken al jaren een vrouwtje in Bremen. Dus was ik daar die vrijdag naar toe gegaan en ja, ik was blijven snurken. Ze is wel getrouwd, hoor, maar die vent van haar werkt in de offshore en zou eigenlijk pas over twee weken terugkomen van zijn booreiland. Dus speelde ik een beetje booreiland bij haar. Nou ja, je vat hem al, natuurlijk. Hij kwam twee weken eerder thuis. Man, man, man, wat was die kerel groot! En sterk. Hij mepte me alle kanten op, ik had geen tijd om me te verdedigen. Ik ben uiteindelijk kunnen vluchten door de keuken en zij flikkerde me mijn kleren achterna vanuit de slaapkamer.”
Ik ben hem verder helemaal uit het oog verloren. Ik heb alleen nog eens over hem gehoord dat hij in een werkkast met een schoonmaakster van de kazerne waar hij toen geplaatst was, in flagrante delicto werd geschaakt de commandant die een inspectieronde maakte op een vrijdag.

Even terugkomend op mijn huwelijk: ik ben een dik jaar na mijn Almo periode overigens gescheiden, ben nu nog steeds heel gelukkig (al weer bijna 35 jaar) hertrouwd met mijn, nu ja dé echte lief, zeg maar, we en ik hebben vier geweldige kinderen en we zijn de hele trotse opa en oma van de twee fraaiste en liefste en ja, natuurlijk, slimste kleinkinderen van de wereld.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...