Ik
vond Bremen achter af, geen geweldige haven, als ik eerlijk ben. Natuurlijk
heeft de stad na al de bombardementen van '44 en '45, nog wel wat fraaie gebouwen overgehouden en er is een leuk beeldje van de ‘Bremer
Stadsmuzikanten’, die van dat sprookje, maar verder, nee, niet echt. Nu komt
dat waarschijnlijk meer doordat ik zelf helemaal niet goed in mijn vel zat in
die periode. Mijn huwelijk liep, ja, het is ook een wat persoonlijke
geschiedenis dit boek, nu ja deze Blogs, natuurlijk, bijna op elke klip waar het maar op kon
lopen en de toenmalige echtgenote en ik hadden elkaar niet veel meer te
vertellen. We waren nog wel ‘bij elkaar’ vanwege onze zoon, maar dat was het
dan ook zo ongeveer. Dat gaat een mens niet in zijn kouwe kleren zitten, op den
duur.
Nu
hadden de collegae ook wel in de smiezen dat het allemaal niet zo lekker ging,
vermoedde ik dan. Ik kreeg namelijk nooit post. Van thuis dan. Dienstpost zat,
dat wel. Onze facteur, een vreselijke enthousiaste, een andere dan die uit
Emden, ene Hans. Het was ook wel een leuke en jonge kerel, maar had dat ook in de mot natuurlijk
en op een gegeven moment, we waren die vrijdag net in Bremen aangekomen en hij
was wat later met de post dan anders, belde hij naar het korporaalsverblijf, ik
hing daar even uit, toevallig, en vertelde me dat er post voor me was. "Privé",
zei" de schurk erbij. Nou, nou, toe maar. Ik ging, toch wel, op een holletje, naar
de ziekenboeg en inderdaad, er stond, op het bureau een kaartje. Een kaartje van
Bremen. Van die stadsmuzikanten. Met de tekst: “Lieve ziekenpa, je krijgt nooit
post, dus nu krijg je er eentje van mij. Je facteurtje”.
Natuurlijk
was ik even teleurgesteld, maar ik kon er natuurlijk ook wel weer hartelijk om
lachen. (Ja, zo was die sfeer aan boord nu eenmaal.) En ja, een goede grap
verdient een goede tegen grap natuurlijk. Ik liep dus naar achteren en belde
boven aan de trap naar het korporaals verblijf met een telefoon voor algeheel
gebruik, naar de man in onze bar. Dat was mijn oude vriend Gipsy. Ik vroeg naar en
kreeg ook de facteur. Zo boos en kwaad mogelijk, ondanks de lach in mijn hart, zei
ik dat ik zijn geintje helemaal niet kon waarderen en dat ik hem wel even voor
zijn rare muil zou meppen en meer nare en strenge woorden van die strekking. Ik
knalde de hoorn op de haak. De facteur dacht waarschijnlijk dat ik vanuit de
ziekenboeg belde en dat hij nog wel de tijd had om te kunnen vluchten. Ik
hoorde deur van het verblijf opengaan en mijn vriend de postbode verschrikt
roepen ‘dat ik witheet was en hem in elkaar wilde hengsten’. “We moeten hem
tegenhouden”, hoorde ik een andere collega, Gipsy naar het bleek, zeggen. Ik had me wat
verborgen in een hoek en iets later zag ik de wat wit vertrokken kop van de
postbode naar boven komen, gevolgd door nog twee maten. Ik stapte uit mijn
schuilplaats tevoorschijn en opeens bevroor hij, de korp, die me aan zag komen.
De twee anderen hadden niets door natuurlijk en knalden op de opgaande trap, volle bak op
hem. Het hele gedoe leek meer iets uit een komische film dan drie
onderofficieren van de strenge koninklijke marine die een trap bestegen. Ik
begon te steigeren van de lach en ook de drie mannen begrepen dat het een grap
was. We namen er een op, de grap werd herhaaldelijk doorverteld door gasten die
de wacht hadden gehad en het verhaal niet hadden meegemaakt en nu ja, het bleef
nog wel lang licht, die avond.
Een
ander incident dat mijn zaterdag avond wel helemaal opvulde en die mij de zondagmorgen
een speurtocht deed laten maken begon met een bezoek van een onderofficier aan
de ziekenboeg. Ik had die zaterdag de wacht overgenomen van Kees en Paul, die
graag eens wilden kijken of Bremen inderdaad zo saai was als ik vertelde en ik had
nog een hoop werk te doen. Kees was al terug van de wal, hij vond de stad ook niet
erg veel en ging een filosofisch dispuut voeren in de longroom met de Eerste Man,
vertelde hij. Ja, zo vertelde ik het ook weleens aan de maten als ik een biertje ging halen.
Ik had een heleboel medische administratieve zaken te doen, waar ik het nu niet
over ga hebben, dienstpost, zoals ik al zei. In ieder geval, ik schoot
lekker op, toen er aan de deur van de ziekenboeg werd geklopt, ik die opende en een
patiënt binnen zag komen. Die patiënt zag er niet uit! Een dik opgezwollen oog, een
gescheurde lip, een scheur in de huid van de schedel, overal schaafwonden en
zo en een behoorlijke drankadem.
Ik
herkende de man, na veel observeren wel. Het was een onderofficier van ons
schip en ook nog eens iemand die in de hiërarchie van de LD boven mij stond.
‘Joh, que passa?’ vroeg ik in mijn beste Duits.
Je kent het wel. Mensen met een dikke lip en zo, lu…. bijna geen Nederlands
meer. In een soort Pools, of zo, vertelde hij, de patiënt, een beetje door zijn
neus sprekend ook nog, dat ‘ie met zijn fiets in een tramrail was blijven haken
en zo op zijn muil was gegaan. Het klonk ongeveer zo: ‘Ik bej ovje jen
trjamrjails gevalje me me fjiets en sjo op mijn muil gegjaan’.
Ik
belde de arts toch maar even. Die man moest ook maar eens wat doen voor zijn
dikke traktement, nietwaar? Ik onderzocht de patiënt ondertussen en vond het
wel wat raar, allemaal. Als je op je plaat gaat met de fiets, dan land je
meestal op één kant. Wist ik uit ervaring, als hartstochtelijke fietser, die af
en toe ook weleens viel. Dan heb je dus vaak aan een kant van je hoofd of je
lijf allerlei wonden. Maar hij had èn een dikke lip èn een bloedneus èn een
dicht oog links, maar ook een soort snijwond aan zijn hoofd rechts en dat
klopte niet helemaal. Bovendien had hij ook nog eens een dreun op zijn
rechteroor opgelopen.
Dokter
Kees kwam en zag en deed wat neurologisch onderzoek en gaf wat adviezen en ik
nam de man dus een nachtje ‘ter observatie’ op, zoals dat zo fraai medisch
heet. Natuurlijk verzorgde ik zijn wonden, met Betadine jodium en verband
middelen en zo en vroeg of ik nog wat collegae moest waarschuwen? Nou, alleen
de sergeant bottelier even, want die was zijn vervanger. Goed, verder liep het
allemaal wel goed af, gelukkig, maar de schrik zat er bij hem goed in. De
Sergeant bottelier kwam, vernam de bijzonderheden, tutte en frutte en zowat,
bracht een fles bier, die ik niet gezien heb, maar die ik uiteraard wel
verboden zou hebben als ik die gezien zou hebben en de man vertrok weer, een
dikke grijns op zijn gezicht. Waarom? Vond hij het fijn dat zijn collega in de ziekenboeg
lag? Nee, zo een man was hij niet. Dus ja, toch klopte er iets niet, dat voelde
ik.
Ik
liep de volgende ochtend eens de hangar binnen, waar de fietsen waren gestald
en bekeek de fiets van de man. Ik voelde me een beetje een soort Maigret. Het was een oud soort racefiets, je kent ze nog wel, met
schakel commandeurs nog op de buis en van die stadsremmetjes en zo aan het stuur. De fiets
was, behalve dat ze wat oud en wat smerig was, helemaal schadevrij. Ja, maf. Als
je met een fiets op je plaat gaat, dan is over het algemeen allen het stuurlint
beschadigd, de trapper aan de kant van de val wat verbogen en is de remgreep verplaatst aan de kant waarop je gevallen bent. Maar
niets van dat alles, de fiets leek op van alles, behalve op een fiets die een
crash had meegemaakt. Ik was de middag daarvoor zelf even de wal op
geweest, een kopje thee gaan drinken, je kent het wel. Ik had in de hele stad wel
enkele tramrails gezien, eerlijk gezegd, maar niet in de wijk waar hij over
vertelde.
Maanden
later, de wonden waren natuurlijk gewoon mooi genezen, hij ging bijna van boord om een andere
functie te gaan doen, schoot ik hem, tijdens een afscheid BBQ op het hangardek, nog eens
aan. Hij had een lekker biertje op, hij lulde gemakkelijk en ik vroeg hem hoe
dat ongeval met die fiets nu werkelijk zat. “Tja, dat was heel lullig en je had
gelijk dat je het niet helemaal vertrouwde. Ik ken al jaren een vrouwtje in
Bremen. Dus was ik daar die vrijdag naar toe gegaan en ja, ik was blijven
snurken. Ze is wel getrouwd, hoor, maar die vent van haar werkt in de offshore
en zou eigenlijk pas over twee weken terugkomen van zijn booreiland. Dus speelde ik een
beetje booreiland bij haar. Nou ja, je vat hem al, natuurlijk. Hij kwam twee
weken eerder thuis. Man, man, man, wat was die kerel groot! En sterk. Hij mepte
me alle kanten op, ik had geen tijd om me te verdedigen. Ik ben uiteindelijk
kunnen vluchten door de keuken en zij flikkerde me mijn kleren achterna vanuit
de slaapkamer.”
Ik
ben hem verder helemaal uit het oog verloren. Ik heb alleen nog eens over hem
gehoord dat hij in een werkkast met een schoonmaakster van de kazerne waar hij
toen geplaatst was, in flagrante delicto werd geschaakt de commandant die een inspectieronde
maakte op een vrijdag.
Even terugkomend op
mijn huwelijk: ik ben een dik jaar na mijn Almo periode overigens gescheiden,
ben nu nog steeds heel gelukkig (al weer bijna 35 jaar) hertrouwd met mijn, nu
ja dé echte lief, zeg maar, we en ik hebben vier geweldige kinderen en we zijn de
hele trotse opa en oma van de twee fraaiste en liefste en ja, natuurlijk,
slimste kleinkinderen van de wereld.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten