Zoals ik al schreef, de eerste P. was een OC’er.
Ik weet niet of de jongere generatie die kreet nog kent of nog begrijpt. Een
korte toelichting. Men kwam toentertijd in dienst als MATR 3, of, als ZVP of HOFM of ALS
MACH of als TLG, in ieder geval, als drie. Met het bekende matrozenpak, inclusief
muts met zoveel gouden letters die ‘Koninklijke Marine’ spelden. In een soort
Gotisch handschrift. De baas verwachtte dat je, na je aanvankelijke eerste
dienstverband van zes jaar, (voor bepaalde dienstvakken was dat acht jaar,
overigens), hetzij: de dienst uitging, of je al had gekwalificeerd voor de
KPL’s opleiding. Zo niet, kon je wel bijtekenen. Het VBM, de Vereniging
Belangenbehartiging Marinepersoneel, zeg maar een vakbond, had na een
jarenlange strijd het pleit eindelijk gewonnen. Voor matrozen met meer dan zes
dienstjaren werd het zogenaamde OC, oudste categorie, uniform ingesteld. (Ik
heb in mijn jeugd, nee, mannen, nee, dat was wel in de vorige eeuw, maar niet
in de eeuw daarvoor, hoor, nog weleens een stokoude bottelier in een heus
matrozenpak gezien. De man was als dertienjarige ‘jongen’, zoals dat toen
heette in de Oost in dienst gekomen en had, zeiden de romantici, de muiterij en
het bombardement op de Zeven Provinciën nog meegemaakt en was toen,
raar maar waar, bij de KM in dienst getreden als beroeps matroos. Hij stond
(toen ik hem kende) op het punt gepensioneerd te worden en was al dik en dik
dertig jaar eerste klas of zo en hij had er totaal geen zin in om dat uniform:
jasje en dasje en platte pet, te gaan dragen. Men ging toen nog vaak als Een, eerste
klas dus, de dienst uit en werd dan MILWKM, MILitair Werk Man. Let wel, pas
jaren later kwamen die bevorderingen in zwang dat men in elke geval als SGT of SMJR
tit. (titulair) de dienst kon verlaten, dat waren de bevordering groepen, de BG I, II, of
III, of zo, maar ik weet dat allemaal niet meer zo goed.
‘Mijn’ eerste ziekenpa heette dus P. Ik schreef
al over hem, zie eerder en boven. Hij was dus een echte OC en hij had, samen met zijn toenmalige
korporaal, natuurlijk, de Kortenaer al in dienst gesteld, het eerste schip van
een hele nieuwe serie schepen die de KM bouwde als opvolgers van de jagers en
van die befaamde Van Speijk fregatten. Die Van Speijk boten werden later de zogenaamde
MLM-fregatten genoemd. (Mid Life Modernisation) Die fraaie schepen waren
trouwens in licentie gebouwde, zogenaamde Leanders van de RN, inclusief de
Vickers bewapening in die fraaie en stoere dubbeltoren met een, in onze ogen,
rare bewapening van 114 mm kanons! Die prachtige schepen werden overigens
verkocht aan Indonesië.
Allemaal: ook zie boven.
Maar goed, P. was, met zijn Kortenaer ervaring,
een kopstuk op het gebied van die nieuwe prauwen en was voor mij dus een
lopende encyclopedie. “Zo zat dit en zo hadden we dat en zo konden we zus en zo
gingen we daar, dat deden we met het medisch magazijn en zo deden we met de
MAD”, en zo maakte hij duidelijk dat hij een vakman was.
Ik zoog zijn informatie op, schreef het ook op
en maakte plannen en beschreef die en kwam daar mee naar buiten en kwam er
helemaal uit met mijn Almo.
Maar goed. P. was niet alleen een hele goeie ziekenpa,
maar ook een ‘karakter’ met een hele aparte humor die vaak heel op ‘practical
jokes’ gericht was. Ik geef een klein voorbeeld. We sliepen toen nog op de
Snellius, maar alle medische bescheiden, ziekenboekjes en ziektekaarten en
tandarts documenten lagen nog in de VGKAZ, de Van Genth Kazerne in Rotterdam
dus, met wiens chef ziekenboeg ik overigens geen lekkere relatie had, zie ook
weer eens veel eerder.
Het werd tijd om die bescheiden naar de ZB van
de Snelle te brengen, we hadden ondertussen onze eigen medische dienst opgezet en met nde in de
VGKAZ liggende bescheiden konden we natuurlijk niets. In P.’s voertuig, een al wat oude en rode
Renault 4, reden we van Schiedam naar de stad aan de Rotte. We babbelden wat,
rookten wat en op een gegeven moment stopte hij, terecht, voor een zebrapad.
Een oudere mijnheer stak over, groette met zijn stok en P. sloeg het zijraampje
van het autootje open. Hij wenkte de oudere man. “Mijnheer, weet U waar de Buys
Ballot straat is?” Mijn klus viel op dek, de Buys Ballot straat? Wat moesten we
daar?
Ook de senior keek verwonderd. “Nee, daar heb ik
geen idee van! Nooit van gehoord, geloof ik. Sorry!” “Nou”, zei P., “dan ga je
de eerste weg rechts en de tweede straat links. Dan recht door het kruispunt
over en dan ben je er!” Hij klapte het raampje dicht en reed gillend van de
lach weg. Ik moest er even over nadenken en snapte hem eindelijk en lachte heel
hard mee. Tot P. een stinkende Shoarma en
bier wind liet. Misselijk en half brakend van de geur die een mens, erger
dan een dier, kan verspreiden, het leek of heel 010 haar beerputten had
opengezet, spoog ik mijn ontbijt uit op de Coolsingel. Heet dat zo? Nu ja, een
raar straatje in 010 dan.
“Wie zoekt zal vinden”, schreef de oude
filosoof Paco Saul al tijden geleden. Hij had die kreet ook weer gejat hoor,
geloof ik, maar: gelijk had hij wel. Ik zocht zelf niet, maar mijn jongste
zoon, ook al weer een dertiger nu, zo snel gaat de tijd dus, was op zoek naar
foto’s uit zijn/onze jeugd. Mijn lief, de E., de initiaal staat voor de eerste letter
van haar naam, maar ook voor ‘echtgenote’, ik ben op alle fronten gedekt, zoals
je merkt, heeft veel foto’s. Altijd genomen en altijd bewaard. In mapjes en in
hoesjes en dan opgeborgen in ‘haar’ kastje, zoals wij dat noemen. Zelf ben ik
niet zo van die foto dingen. Maar het is wel verrekte grappig om ze, na al die
jaren, weer eens te zien. “Kijk pa, dat ben jij, zonder buik en nog met haar”,
zei de zoon, nadat hij een hele stapel foto’s had gevonden, nadat hij een hele middag
had lopen spitten. (Hij zij de woorden zonder
buik en met haar anders. Iets
bruter, althans iets meer dwingend. Ik gaf hem heel beleefd antwoord, zoals
vaders dat doen met brutale zonen en ging over tot het bekijken van de foto’s.)
Voor de ‘post fototoestel’ generatie. Vroeger
had je aparte toestellen, foto apparaten werden die genoemd. Dat waren doosjes,
met een lenzenstelsel en een kastje waar je een rolletje licht vattend papier in moest doen, rollen eigenlijk, het zal wel
anders hebben geheten, maar goed. Die rolletjes waren moeilijk te monteren ook
nog, dat over een soort kabelbaantje, net als met een fietsketting. Dan keek je
door de zoeker, zei tegen de personen die je wilde fotograferen dat ze niet mochten
bewegen en “Cheese” of “orgasme” moesten zeggen, je drukte af en ja hoor, gelukt
hoopte je! Thuis, weken later, ging je naar de fotograaf, of naar de HEMA en
liet je het spul ontwikkelen. Dus! Heel oud dus! Ik ook dus!
Maar goed, zoon vond die foto’s en zette ze
meteen op de pc.
Grappig genoeg zat er, net gepubliceerd, een UITNODEGEING voor de opening van het
KPL’s verblijf op de Snelle J. bij. Die uitnodiging zal waarschijnlijk niet
door de KPLLDA geschreven zijn.(Zie ook in het fraaie boek dat Rob samen steld/heeft gesteld.)
Maar: we hadden dus een KPL’s verblijf op de
Snellius. Zoals ik al eerder schreef was de S. een prachtig schip, een luxe
prauw, haast een passagiersschip. Zoals vermeld, het schip had geweldig fraaie,
koperen patrijspoorten, waar een man met zwemvest en gevechtstenue aan, door
kon. De dekken waren van origineel teakhout. Dat moest toen, vanwege dienst in
de tropen en zo, vanwege de teakhout snuivende langvoet muskieten, of zo. Of men had, bij de bouw van die schepen, poen genoeg, voor chique schepen, dat kan ook.
Ik weet er eigenlijk niet zo veel meer van, van
dat KPL’s verblijf. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er weleens kwam, maar niet te
vaak. Dat klinkt hypocriet, maar dat is niet zo bedoeld. Ik was in die tijd namelijk
geen boordplaatser. De enigen mannen die boordplaatser konden/moesten/mochten
zijn waren de zogenaamde “Jutters”, de mensen uit Den Helder/Julianadorp/verder weg in elk geval. (Dat
had met ruimte en poen te maken. Nu ja, er werden uitzonderingen gemaakt over
de mannen uit het hoge noorden, hert diepe zuiden en het verre oosten, maar eenieder
die in een straal van 75 kilometer van de werf woonde was meteen walplaatser.)
De jutters, kwamen op de maandag rond 1200 de poort binnen, met een KM-bus en
verlieten de werf op vrijdag rond 1200, per idem vervoer. Ja, dat gaf
aanleiding tot grappen en grollen en scheve gezichten, maar dat was allemaal
niet echt erg.
Mijn toenmalig huwelijk, dreigde op elke
klip te lopen die je maar kunt verzinnen en deed dat uiteindelijk ook. (Ik ben
nu al weer dertig jaar getrouwd met E. Ok, ik gooi hem der in: ik ben getrouwd
en zij is gelukkig, flauw, flauw, maar ik ben al jaren gelukkig met haar en
blij en gelukkig met onze kids en kleinkinderen.)
Ik wilde dus, idealistisch en vol hoop en vol
van goede bedoelingen, ook trachten om dat huwelijk te redden en zo veel
mogelijk thuis te zijn om bij mijn zoon, hij was toen een jaar of zes (en hij
is nu de trotse vader van de beste en fraaiste kleinkinderen van de wereld) te
zijn. Maar ja, ik had natuurlijk ook drie van de vier de wacht. Zo was de KM in
die tijd. Dus ja, ik bracht wel redelijk wat tijd door in dat prachtige schip
en in dat schitterende verblijf.
Na en dikke dertig jaar weet ik niet al te veel
meer. Maar de dingen die ik me herinner zijn: chique teakhout, fraaie grote,
koperen patrijspoorten en een enorme danszaal als verblijf. De ziekenboeg leek eerder op een hospitaal ruimte dan een ziekenboeg, zo ruim en fraai was dat . We hadden geen tapbier, (nog niet) maar
een enorme koelkast, door de tapbazen, waaronder Gipsy, geïnstalleerd en waar
sloten en kanalen, zeg maar meren, vol koude versnaperingen in konden. Ook hadden die vogels
helemaal een of andere muziekinstallatie bij elkaar gespaard, of geritseld, zeg
maar. Daar klonken de geweldige nummers van die tijd door. Ik bedoel Golden Brown van The Stranglers en Vienna van Ultra Fox.(ik vergeet vaak: Je loog tegen mij van Drukwerk, maar geloof me, dat eas een vaak gedraaid nummer.) Hits met fantastische
‘clips’ zoals dat toen heette. Wij zaten daar beneden tevreden en niemand had
last van ons. Het verblijf leek, in mijn geheugen, een balzaal. Ik was de ‘oude’
jagers gewend. Veertig korpedanten op een vijf bij vier is 20 m2 meter
verblijf. Hier hadden we ongeveer het vijfvoudige van die m2 met de
helft van de mannen.
De sfeer in dat verblijf zou tekenend worden
voor de sfeer aan boord. Er waren, natuurlijk, weleens woorden, ja, mannen en
vaklui onder elkaar. Maar er was voornamelijk collegialiteit. Vriendschappen?
Ja, ook, de gewone KM-vriendschappen. Zo zie je elkaar twee jaar, ongeveer
twintig uur per dag, en maak je van alles met elkaar mee, heb je zelfs geen
tijd voor je zelf, of ‘privacy’ zoals het heet. Maar als je elkaar dan na
zoveel jaar weer eens tegenkomt, dan is het net alsof je elkaar gisteren nog
gesproken hebt. Dat is KM breed en diep hoor, dat is niet alleen voor de Almo.
Maar, ik kwam na, dertig plus jaren, Gipsy en Ben en meer van de mannen weer
tegen, op het Internet, op Facebook dan, en man, dan lijkt het weer gisteren! nEn: ik heb er nog steeds de beste herinneringen aan. Het was een geweldige periode in mijn leven, ondanks mijn privé gedoe. Ik ben de mannen van toen nog steeds erkentelijk en dankbaar voor hun steun en vriendschappen!
Hoe ging het verder met de Snellius? Na ons kwam de aanloopbemanning van
de Bloys van Treslong. Dat waren niet al te slimme gasten, geloof ik. Ze
klaagden erover dat het zo tochtte aan boord. En dat het zo onveilig was zonder
dek en zo. Tja, dat was ook wel logisch. Al die fraaie en heel dure koperen
patrijspoorten waren als bij toverslag verdwenen en dat teakhouten dek was ook
al pleiten.
De Almo had een prachtige KPL’s tap. Het caf van
de ALMO ook. “Teakhout mannen, direct geïmporteerd uit Indonesië. Ja, kost wat,
maar dan hebbie ook wat!” zeiden de verblijfsoudsten tegen de
bewonderende oplopers! Gypsie en Rob van K. behoorden tot die figuren, zonder dat ik wil zaaien, hoor. (Maar het waren boefjes, allebei.)
Die dure en grote en fraaie patrijspoorten
verdwenen slinks in achterbakken van auto’s van bemanningsleden. Fraai om in
huis te hebben, tussen keuken en woonkamer of zo, of om in de voordeuren te
worden ingezet. Helaas voor de mensen die die patrijspoorten leaseden. De werf,
nee niet ome Kees, hij zat der helemaal niet mee, wilde ze graag terug. Ja, dat mocht anoniem, er zouden geen
bakkies volgen, maar, indien ze niet terugkwamen, zou de politie worden
ingeschakeld. Nee, ik geloof niet dat er veel patrijspoorten terugkwamen.
Ik
eindig hier met míjn verhaal. Het is misschien allemaal wat sentimenteel en ja,
ik viel in herhalingen. Maar voor mij was het schrijven van dit Blog boek een
geweldige reis terug in mijn jeugd. Ik heb weer eens genoten van de herinneringen
die de Almo bij me opriep.
Ik
voelde me weer jong en onaantastbaar, net zoals wij, toen jonge honden, ons
hebben gevoeld.
Hiervoor
las je al een aantal bijdrages van de mannen die de Almo ook hebben
meegemaakt. Ik heb hun taal laten staan, misschien iets gedaan aan de spelling,
maar dat is ook alles. Hun verhalen komen ook uit hun hart, een hart dat klopt
voor de Almo, PAFD, een jonge ouwe dame!
Ik
wens de Almo, als HNS THEMISTOKLIS nog heel veel goede jaren
en ik wens haar bemanning natuurlijk een hele behouden vaart en rustige
wachten!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten