De wasserij en haar bemanning.
Jullie brave
lezers, zijn ooit wel eens aan boord van een Engels oorlogsschip geweest, daar
ga ik helemaal van uit. Hebben jullie in die tijd wel eens, helemaal in het achterschip en op het
allerlaagste dek, onder een helemaal achterste ladder, rondgekeken? Nu ja, ik wel en, door de nood gedwongen, ook vaker.
Ik ben, een week of drie lang zelfs, chef ziekenboeg geweest op RFA Sir Tristan,
een bevoorrader, die tijdens de Falkland oorlog nogal behoorlijk in puin
gebombardeerd is, maar goed, dat is een heel ander en veel te lang verhaal. (Heel kort, dat schip, een hulp bevooradings schip voor de Engelsen, is getroffen door een Exocet raket en bijna helemaal uitgefikt. Thatcher, de toenmalige premier van de UK, wilde dat schip niet verloren laten gaan en transporteerde haar op een grote prauw naar de UK, waar ze werd opgelapt en weer in dienst gesteld.) Jaren later bracht dat schip mij en het bataljon waar ik toen als ziekenpa bij diende, heen en terug naar Noorwegen.
In ieder geval zag ik vaak, op die Engelse prauw wat vage en schitige figuren op die laagste dekken verschijnen.IK vroeg Engelse collegae naar die mensen. “Our Doby whalla’s”, zeiden mijn toenmalige gidsen dan, wat beschaamd, want die groep mannen maakten eigenlijk geen deel uit van de bemanning van het schip en mijn gidsen hadden geen idee hoe die kerels heetten. Vrij vertaald zijn Doby whalla's: “onze wassers”, begreep ik. Het vreemde was dat die Chinese wasbazen echte en onvervalste burgers waren die meevoeren op een operationeel oorlogsschip, wel hun maaltijden betrokken van het schip, maar betaald werden voor hun diensten en dus geen RN-salaris kregen. Een rare instelling, eigenlijk.Maar ja, butsen zijn wat vreemd, zie hun Brexit en hun kiesstelsel. Soit!
In ieder geval zag ik vaak, op die Engelse prauw wat vage en schitige figuren op die laagste dekken verschijnen.IK vroeg Engelse collegae naar die mensen. “Our Doby whalla’s”, zeiden mijn toenmalige gidsen dan, wat beschaamd, want die groep mannen maakten eigenlijk geen deel uit van de bemanning van het schip en mijn gidsen hadden geen idee hoe die kerels heetten. Vrij vertaald zijn Doby whalla's: “onze wassers”, begreep ik. Het vreemde was dat die Chinese wasbazen echte en onvervalste burgers waren die meevoeren op een operationeel oorlogsschip, wel hun maaltijden betrokken van het schip, maar betaald werden voor hun diensten en dus geen RN-salaris kregen. Een rare instelling, eigenlijk.Maar ja, butsen zijn wat vreemd, zie hun Brexit en hun kiesstelsel. Soit!
Bij
de KM was dat allemaal beter geregeld, nu, toen dan, in ieder geval. Ja, vroeger moest
je zelf je plunje wassen, daar zijn nog fraaie foto’s van in fraaie boeken,
maar, sinds ik, in ’70 bij de KM begon waren er al wasserijen en wasbazen,
zoals die genoemd werden. Waarschijnlijk had de Verenging van Huisvrouwen verordonneerd
dat de marine mannen er ook schoon en helder bij moesten lopen en hadden via
een minister kunnen regelen dat er een wasmachine op elk oorlogsschip zou
staan, met lekkere en geparfumeerde zeepjes en zo.
In
mijn hoedanigheid als chef ziekenboeg kreeg ik op ons fraaie schip ook nog de functie van chef
wasserij erbij gekregen. Daar zit een doorgedachte logica in, hoor. Hygiëne is
een heel belangrijk begrip aan boord van schepen, nu ja, eigenlijk overal, waar mensen
dik op elkaar gepakt zijn. De ouwe Piet Hein had dat, naar ik ooit las, al
begrepen. Hoewel hij geen idee had van ziekteverwekkers, bacteriën of virussen
of zulke zaken, wist hij wel dat vuil ziektes aantrok. Onze marineschepen
worden dus nog steeds ook dagelijks schoongemaakt en een maal in de week is het zogenaamd ‘Generaal
schoon schip’.
Niet
dat dat chef van de wasserij veel werk was, hoor. De wasbazen, zoals ze werden
genoemd waren dienstplichten, zogenaamde ZM’ers, voluit zee miliciens en nee,
nee, nee, dat was heel wat anders dan dienstplichtige KL-mannen, hoor. Onze ZM’ers
moesten behoorlijk wat in hun mars hebben. Nee, hun keuring was misschien
minder streng dan de keuring voor, toen nog, dienstplichtige torren*, maar het
was stukken moeilijker om als dienstplichtige bij de KM te komen dan bijvoorbeeld
bij de KL of de KLu.
(Vroeger
was een zogenaamde ‘wasbaas’ zelfs een heus dienstvak. De man had een
op zijn punt staande ruit op zijn arm met daarin een fraaie geborduurde
hoofdletter W. Maar ook de Barbier, de Schoenmaker en de Kleermaker hadden die
ruit, met een B, een S of een K in die ruit. Deze mannen werden
‘baantjesgasten’ genoemd en hun eindrang was onvermijdelijk korporaal. Toch
dienden ze ook operationeel. Maar: het geld dat ze overhielden aan hun
baantjes, ze werkten niet voor niets hoor, maar waren heel betaalbaar, zou dan hun
gebrek aan promotie compenseren, zo heette dat. Formeel koste een knipbeurt een
kwartje, in die jaren van nog oud geld, maar iedereen gaf een knaak of vijf gulden
of zo. Ik heb ooit een Wasbaas ontmoet die Koot heette. De man was dan wel burger, maar was de zoon van de SA man Koot, die in de jaren dertig van de vorige eeuw was gesneuveld na een rel tussen opgejaagde en vervolgde Joden en zijn groepering, de angstaanjagende k.. SA mensen. Terzijde.)
Maar
goed, wij hadden een fraaie en grote wasserij aan boord, helemaal niet verstopt
op het benedenschip, maar gewoon aan het einde van het H-dek, schuin tegen over
de POR*. Het was een goed geoutilleerde ruimte met ‘state of the art’ apparatuur
en de (twee) mannen werkten er graag. Ik was dus hun chef, ik maakte dagelijks
een praatje met die twee kerels en ja, ik moest hun beoordelingen schrijven en
hun verlofkaart bijhouden. Over het eerste: er was niets op die gasten aan te
merken. Ik kon alleen maar D’s en DE’s* geven, ze deden hun stinkende best en
zo. Voor wat de verlofkaart betreft: die van hun was van elastiek. Ze kregen
dagen extra vrij of verlof als dat zo uitkwam en, omdat ze geen wacht liepen,
werkten ze vaak in de nacht en ja, in het weekend, en ook tijdens bezoeken aan het
buitenland, zag ik hen dan ook helemaal niet. Daar stond dan weer tegenover dat
mijn was, al mijn was, als dienst was werd beoordeeld en dus geheel gratis was.
Hierbij traden de drie C’s van de KM in werking dus: Connectie, Chantage,
Corruptie. Nu ja, het zij zo, ik deed daar dus helemaal aan mee.
Ik
heb die mannen, in totaal heb ik er vier meegemaakt aan boord, redelijk leren
kennen, maar aan twee heb ik de beste herinneringen. Ene Ed was een hele slimme
gast. Zijn pleegvader was de laatste marine onderofficier met echt lang haar en
de eerste dienstvak officier met echt lang haar. Ed was een belezen jongen met
een goede babbel en een fijn gevoel voor humor. Ik heb ooit even, na zijn
diensttijd contact met hem gehouden, maar ja, hoe gaan die dingen?
De
andere was ene Willem. Hij kwam van het Zeeuwse boerenland en had jarenlang een
baan gehad bij een KI, een kunstmatige Inseminatie, station, ergens in het
Zeeuwse en hij kon met smaak vertellen hoe hij, als ‘stier op de fiets ’bij de
boeren in zijn streek rondging om daar koeien deel te maken van het aanstaande
moederschap.
Na
zijn diensttijd besloot hij wat anders te gaan doen en hij werd ‘tuinier’ bij
een grote gemeente in de buurt van zijn woonplaats. Er was iets met Willem en
wel, nu zouden we het ADHD of zoiets noemen, maar hij was meer dat hij enorm plichtbewust was.
Zo
hoorde ik, via via, het heerlijke verhaal dat Willem op een gegeven moment was
uitgestuurd om in een of andere plek van die grote stad, het was 010 overigens, met zijn grote motormaaier
het gras in een of ander park te kortwieken. Dat deed hij vol overgave. Zijn
werktijd was tot 1800 uur en ja, hij werkte dus helemaal door tot exact 1800
uur. Daarna ving de lange gang naar de gemeente werkplaats in de plaats waar
hij werkte aan. Nu gaat zo een grasmaaier al niet zo snel en in het drukke
(spits) verkeer werd hij er niet geliefder op om met een gangetje van rond de twintig
kilometer per uur, door de straten te koersen. Nu ja, na een uurtje of wat
later of zo, en na heel veel kritiek van de mede weg gebruikers om hem heen,
bereikte hij tegen acht uur de garage waar hij zijn tuigje moest onderbrengen.
Tot
zijn stomme verbazing was het hek gesloten en nee, er was helemaal niemand
meer. (Logisch natuurlijk, als ambtenaren zeggen tot zes uur te werken is het
eerder al tegen vijf uur dat ze er mee stoppen.) Het was in de tijd ver voor de mobiele
telefonie en dus zocht hij een telefooncel. Hen die nog weten wat dat was, een
telefooncel, weten ook dat de telefoons in die cellen altijd kapot waren of dat
er een verkeerde munt in de ‘gleuf’ stak die helemaal vastzat of dat de
telefoonboeken verscheurd waren. Goed, dat in zijn geval ook zo en ja, hij
zocht een oplossing en Willem zocht dus naar een café dat open was. Dat vond
hij en met heel veel moeite kon hij via 008, ja toen kon je zo nog onbekende telefoonnummers opvragen, kosteloos, dan, de baas van de
werkplaats bereiken, die totaal en helemaal niet blij was om, het was nu al tegen
tienen, van huis te komen om nog eens een man met een motormaaier naar binnen
te laten.
Iets later heeft hij het daar voor gezien gehouden. Ik geloof dat hij weer naar zijn oude vak is teruggegaan en nu weer allemaal sperma, niet zijn eigen, hoor, bij koeien inspuit.
Iets later heeft hij het daar voor gezien gehouden. Ik geloof dat hij weer naar zijn oude vak is teruggegaan en nu weer allemaal sperma, niet zijn eigen, hoor, bij koeien inspuit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten