dinsdag 5 maart 2019

Wasserij


De wasserij en haar bemanning.

Jullie brave lezers, zijn ooit wel eens aan boord van een Engels oorlogsschip geweest, daar ga ik helemaal van uit. Hebben jullie in die tijd wel eens, helemaal in het achterschip en op het allerlaagste dek, onder een helemaal achterste ladder, rondgekeken? Nu ja, ik wel en, door de nood gedwongen, ook vaker. Ik ben, een week of drie lang zelfs, chef ziekenboeg geweest op RFA Sir Tristan, een bevoorrader, die tijdens de Falkland oorlog nogal behoorlijk in puin gebombardeerd is, maar goed, dat is een heel ander en veel te lang verhaal. (Heel kort, dat schip, een hulp bevooradings schip voor de Engelsen, is getroffen door een Exocet raket en bijna helemaal uitgefikt. Thatcher, de toenmalige premier van de UK, wilde dat schip niet verloren laten gaan en transporteerde haar op een grote prauw naar de UK, waar ze werd opgelapt en weer in dienst gesteld.) Jaren later bracht dat schip mij en het bataljon waar ik toen als ziekenpa bij diende, heen en terug naar Noorwegen. 
In ieder geval zag ik vaak, op die Engelse prauw wat vage en schitige figuren op die laagste dekken verschijnen.IK vroeg Engelse collegae naar die mensen. “Our Doby whalla’s”, zeiden mijn toenmalige gidsen dan, wat beschaamd, want die groep mannen maakten eigenlijk geen deel uit van de bemanning van het schip en mijn gidsen hadden geen idee hoe die kerels heetten. Vrij vertaald zijn Doby whalla's: “onze wassers”, begreep ik. Het vreemde was dat die Chinese wasbazen echte en onvervalste burgers waren die meevoeren op een operationeel oorlogsschip, wel hun maaltijden betrokken van het schip, maar betaald werden voor hun diensten en dus geen RN-salaris kregen. Een rare instelling, eigenlijk.Maar ja, butsen zijn wat vreemd, zie hun Brexit en hun kiesstelsel. Soit!

Bij de KM was dat allemaal beter geregeld, nu, toen dan, in ieder geval. Ja, vroeger moest je zelf je plunje wassen, daar zijn nog fraaie foto’s van in fraaie boeken, maar, sinds ik, in ’70 bij de KM begon waren er al wasserijen en wasbazen, zoals die genoemd werden. Waarschijnlijk had de Verenging van Huisvrouwen verordonneerd dat de marine mannen er ook schoon en helder bij moesten lopen en hadden via een minister kunnen regelen dat er een wasmachine op elk oorlogsschip zou staan, met lekkere en geparfumeerde zeepjes en zo.
In mijn hoedanigheid als chef ziekenboeg kreeg ik op ons fraaie schip ook nog de functie van chef wasserij erbij gekregen. Daar zit een doorgedachte logica in, hoor. Hygiëne is een heel belangrijk begrip aan boord van schepen, nu ja, eigenlijk overal, waar mensen dik op elkaar gepakt zijn. De ouwe Piet Hein had dat, naar ik ooit las, al begrepen. Hoewel hij geen idee had van ziekteverwekkers, bacteriën of virussen of zulke zaken, wist hij wel dat vuil ziektes aantrok. Onze marineschepen worden dus nog steeds ook dagelijks schoongemaakt en een maal in de week is het zogenaamd ‘Generaal schoon schip’.

Niet dat dat chef van de wasserij veel werk was, hoor. De wasbazen, zoals ze werden genoemd waren dienstplichten, zogenaamde ZM’ers, voluit zee miliciens en nee, nee, nee, dat was heel wat anders dan dienstplichtige KL-mannen, hoor. Onze ZM’ers moesten behoorlijk wat in hun mars hebben. Nee, hun keuring was misschien minder streng dan de keuring voor, toen nog, dienstplichtige torren*, maar het was stukken moeilijker om als dienstplichtige bij de KM te komen dan bijvoorbeeld bij de KL of de KLu.
(Vroeger was een zogenaamde ‘wasbaas’ zelfs een heus dienstvak. De man had een op zijn punt staande ruit op zijn arm met daarin een fraaie geborduurde hoofdletter W. Maar ook de Barbier, de Schoenmaker en de Kleermaker hadden die ruit, met een B, een S of een K in die ruit. Deze mannen werden ‘baantjesgasten’ genoemd en hun eindrang was onvermijdelijk korporaal. Toch dienden ze ook operationeel. Maar: het geld dat ze overhielden aan hun baantjes, ze werkten niet voor niets hoor, maar waren heel betaalbaar, zou dan hun gebrek aan promotie compenseren, zo heette dat. Formeel koste een knipbeurt een kwartje, in die jaren van nog oud geld, maar iedereen gaf een knaak of vijf gulden of zo. Ik heb ooit een Wasbaas ontmoet die Koot heette. De man was dan wel burger, maar was de zoon van de SA man Koot, die in de jaren dertig van de vorige eeuw was gesneuveld na een rel tussen opgejaagde en vervolgde Joden en zijn groepering, de angstaanjagende k.. SA mensen. Terzijde.) 

Maar goed, wij hadden een fraaie en grote wasserij aan boord, helemaal niet verstopt op het benedenschip, maar gewoon aan het einde van het H-dek, schuin tegen over de POR*. Het was een goed geoutilleerde ruimte met ‘state of the art’ apparatuur en de (twee) mannen werkten er graag. Ik was dus hun chef, ik maakte dagelijks een praatje met die twee kerels en ja, ik moest hun beoordelingen schrijven en hun verlofkaart bijhouden. Over het eerste: er was niets op die gasten aan te merken. Ik kon alleen maar D’s en DE’s* geven, ze deden hun stinkende best en zo. Voor wat de verlofkaart betreft: die van hun was van elastiek. Ze kregen dagen extra vrij of verlof als dat zo uitkwam en, omdat ze geen wacht liepen, werkten ze vaak in de nacht en ja, in het weekend, en ook tijdens bezoeken aan het buitenland, zag ik hen dan ook helemaal niet. Daar stond dan weer tegenover dat mijn was, al mijn was, als dienst was werd beoordeeld en dus geheel gratis was. Hierbij traden de drie C’s van de KM in werking dus: Connectie, Chantage, Corruptie. Nu ja, het zij zo, ik deed daar dus helemaal aan mee.
Ik heb die mannen, in totaal heb ik er vier meegemaakt aan boord, redelijk leren kennen, maar aan twee heb ik de beste herinneringen. Ene Ed was een hele slimme gast. Zijn pleegvader was de laatste marine onderofficier met echt lang haar en de eerste dienstvak officier met echt lang haar. Ed was een belezen jongen met een goede babbel en een fijn gevoel voor humor. Ik heb ooit even, na zijn diensttijd contact met hem gehouden, maar ja, hoe gaan die dingen?

De andere was ene Willem. Hij kwam van het Zeeuwse boerenland en had jarenlang een baan gehad bij een KI, een kunstmatige Inseminatie, station, ergens in het Zeeuwse en hij kon met smaak vertellen hoe hij, als ‘stier op de fiets ’bij de boeren in zijn streek rondging om daar koeien deel te maken van het aanstaande moederschap.
Na zijn diensttijd besloot hij wat anders te gaan doen en hij werd ‘tuinier’ bij een grote gemeente in de buurt van zijn woonplaats. Er was iets met Willem en wel, nu zouden we het ADHD of zoiets noemen, maar hij was meer dat hij enorm plichtbewust was.
Zo hoorde ik, via via, het heerlijke verhaal dat Willem op een gegeven moment was uitgestuurd om in een of andere plek van die grote stad, het was 010 overigens, met zijn grote motormaaier het gras in een of ander park te kortwieken. Dat deed hij vol overgave. Zijn werktijd was tot 1800 uur en ja, hij werkte dus helemaal door tot exact 1800 uur. Daarna ving de lange gang naar de gemeente werkplaats in de plaats waar hij werkte aan. Nu gaat zo een grasmaaier al niet zo snel en in het drukke (spits) verkeer werd hij er niet geliefder op om met een gangetje van rond de twintig kilometer per uur, door de straten te koersen. Nu ja, na een uurtje of wat later of zo, en na heel veel kritiek van de mede weg gebruikers om hem heen, bereikte hij tegen acht uur de garage waar hij zijn tuigje moest onderbrengen.
Tot zijn stomme verbazing was het hek gesloten en nee, er was helemaal niemand meer. (Logisch natuurlijk, als ambtenaren zeggen tot zes uur te werken is het eerder al tegen vijf uur dat ze er mee stoppen.) Het was in de tijd ver voor de mobiele telefonie en dus zocht hij een telefooncel. Hen die nog weten wat dat was, een telefooncel, weten ook dat de telefoons in die cellen altijd kapot waren of dat er een verkeerde munt in de ‘gleuf’ stak die helemaal vastzat of dat de telefoonboeken verscheurd waren. Goed, dat in zijn geval ook zo en ja, hij zocht een oplossing en Willem zocht dus naar een café dat open was. Dat vond hij en met heel veel moeite kon hij via 008, ja toen kon je zo nog onbekende telefoonnummers opvragen, kosteloos, dan, de baas van de werkplaats bereiken, die totaal en helemaal niet blij was om, het was nu al tegen tienen, van huis te komen om nog eens een man met een motormaaier naar binnen te laten. 
Iets later heeft hij het daar voor gezien gehouden. Ik geloof dat hij weer naar zijn oude vak is teruggegaan en nu weer allemaal sperma, niet zijn eigen, hoor, bij koeien inspuit.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...