Teun en een maagd. (Ook wat gemopper van
mij, de schrijver.)
Teun was, af en toe, ik vertelde het al, soms ook een beetje
een ongeleid projectiel. Hij was en bijzonder goed mens hoor, laat daar absoluut
geen discussie over bestaan. De man was, in en waarschijnlijk ondanks al zijn
naïviteit, (misschien was dat in mijn ogen wel eens ‘gespeeld’) een ‘lieve’
man. Nee, ja, dat zeg je niet zo snel, als kerel over een andere kerel, maar
het was wel zo. Hij kwam uit een goed gezin begreep ik, hij heeft, na al die
jaren nog steeds een heel goed contact met zijn nu helaas wat dementerende
vader, misschien is zijn moeder overleden, en hij heeft, in zijn na marine carrière,
de sociale kant van het leven gekozen. Ik kom daar later over te spreken.
Waarom vaak Teun? Omdat hij een aanwinst was
voor het schip en ja, omdat er, met naast hem ene KWMR, ook altijd wat te beleven
was. En nee, nooit geen rare of nare ‘bakkies*, maar het was bij hem altijd
naturel. Daarom was hij ook zo geliefd bij de mannen aan boord. Geen opsmuk,
geen show voor de galerij, maar gewoon: hij was Teun, iets wat je al een beetje
begreep, toen je het verhaal over de Bear Delta las.
Ik weet nog dat ik, toen we afgemeerd in Den
Helder lagen, de wacht had als OOFF aan de plank had.
(Ik heb
het idee dat jullie, lezers en ooit marine mensen of nog steeds marine mensen,
die ooit operationeel waren, zelf ook wel een oordeel hebben over de zogenaamde
‘walstaven.’ Vaak heel erg hinderlijk en vaak niet in sync met de werkelijkheid
aan boord of op de operationele eenheid, ik betrek het Korps er ook even bij.
Nu zegt er een stemmetje in mijn binnenste: nee, ga daar nou niet over
door, over dat wachtlopen aan boord. Maar, zegt datzelfde stemmetje in mijn
buitenste, ja, doe het maar wel! Vertel maar dat veel van je collegae ziekenpa’s
door hun scheepsmaten zijn verketterd omdat ze de wacht gingen lopen bij de ‘medische
maffia’ van de Centrale Zieken Boeg, de zogenaamde CZB. Met de smoes dat je dan
zo goed in je vak bleef. Wat een hoop gel.. is, natuurlijk. In die grote ziekenboeg
kwam per avond slechts een gevalletje van een gekneusde pink of zo voor, maar
er liepen wel twee artsen en zeven ziekenverplegers rond, zoiets dan. Het feit
is namelijk dat je, als je daar de wacht ging lopen, veel minder frequent de
wacht liep dan dat je die aan boord van je schip, je eigen schip dus, liep en dat die wachten zeker minder zwaar
de waren. Je had namelijk ook geen HW/PV/DW* en dat soort gedoe. En: je had ook
geen reewacht brandpiket, geen ‘vlaggenparade’, geen ‘Rond’ of trossenrondes en
al dat soort, als je je al niet thuis voelde aan boord van een schip, nerveus
makende dingen meer. Maar: ik voelde me heel goed aan boord, ik liep gewoon de
wacht mee aan “de plank”, aan de valreep dus, want dan voelde ik me gewoon veel
meer betrokken met en bij het schip en ook met en bij de bemanning. Dat niet
alleen, maar waarom zou ik een van de zes dagen de wacht lopen op een sjieke
gelegenheid, lekker binnen zittend, met radio en tv en telefoon en waarom
zouden mijn maten, niet alleen de korporaals maar ook de onderofficieren, dus
wel een extra wacht moeten draaien? Met om 00.000 uur op post komen, met een
bak koffie die al uren stond te pruttelen, met regen in je smoel en met, als je
mazzel had, een broodje dat al om krulde van de ouderdom? Ik verlichtte dus de
schipper en het wachtsvolk aan boord zo. Nee, dat was niet heilig, nee, dat was
solidariteit.
Die CZB was natuurlijk een perfect systeem: in principe. De patiënten
die je eventueel aan boord had, werden naar die ziekenboeg verwezen, jij als
ziekenpa kon verder weer naar zee en je hoorde verder en later wel hoe het met
de man ging en je kreeg hem wel of niet weer terug aan boord. Het leek succesvol.
Eerst. Dat verwaterde. Die CZB werd een carrière moment. Sergeanten, daar geplaatst, aasden er
op een plek om te worden bevorderd tot sergeant-majoor, die majoors rangen wilden
dan weer de plek van een adjudant in nemen, die stip wilde dan weer VK worden
en ja, zo ging het maar door, in eindeloze deining. Carrières werden helaas, maar het gebeurde wel, belangrijker dan zorg voor mensen. Over de zorg voor patiënten werd,
ik heb dat aan den lijve meegemaakt, nauwelijks gesproken, het was een
vreselijk oord van slechts hun loopbaan nastrevende collegae. (Er is daar ooit
een chef ziekenboeg geweest die in zijn hele leven nooit operationeel was.
De man werd nog officier ook. Hij had alleen maar een bintang voor 24 jaar dienst!)
Daarnaast: de mensen van die CZB, met hun hautaine walhanen gedrag,
konden mijn rug op. Die gasten liepen hele dagen in het blauw, zeg maar en
hadden nog nooit een natte rug gehad, op een enkeling na, dan. En de echte
vloot, waarvoor zij er zouden moeten zijn, interesseerde hen geen lor! Ik geef en
klein voorbeeld: de toenmalige Chef van die club was zo brutaal om een bericht
naar boord te sturen dat ik op die en die dagen de wacht had in zijn
‘inrichting’. Waarbij het negatieve woord inrichting ook zo bedoeld is. Die en
die dagen waren het weekend, vrijdag/zaterdag, waarop wij net terug waren van
een acht weken reis. 'Want', zei die stip in kwestie: 'dan kon zijn personeel ook eens
een lang weekend hebben'.
Onze ouwe kreeg het bericht als eerste natuurlijk en, ik wist echt helemaal van niets,
reageerde als gebeten: “No Way! Mogen mijn mensen, die in één dag stukken harder werken
dan jullie walberen in een hele week, ook eens rust hebben?”
Later sprak de betreffende AOO mij aan en beklaagde mij over mijn gebrek
aan collegialiteit. Ik lachte heel lang maar vooral ook wel heel erg hard. Voor
mijn collegae die wel de wacht daar liepen pleit: vaak werden ze tot dat wacht
lopen gedwongen, op straffe van slechte beoordeling, door bureau HGDZ, een naar
bureau met nare mensen, die nooit hun bestaan hebben bewezen, een bureau dat
ergens in het vage Helderse kantoor hield. Cryptisch? Absoluut, maar begrijp me
goed, ik liet me, in tegenstelling tot die collegae, niet dwingen en mijn carrière
is nooit mijn hoogste doel geweest, zoiets bedoel ik dan. En nee, ik ben nooit officier geworden en heb daar totaal geen spijt van. Ik kan mezelf nog steeds eerlijk in de spiegel aan kijken. Nu ja, het is niet eens oud zeer.)
Goed, ik had dus de wacht. Aan de plank. In mijn
blauw, met een wapen op de heup, een Browning FM, kaliber negen MM. Een zwaar
en ongemakkelijk en, is mij later, gebleken, een heel niet secuur wapen. En dat ook nog eens op
een zaterdag. Lekker, hoor. Ik had de VM/EW. Dus om 1200 kwam ik van post, kon
ik lekker even gaan schaften, daarna een welverdiend dutje doen, wat administratie
bijwerken, op het gemak een boekje lezen, daarna de avondhap nemen, en later de
wacht opzetten* (dat is een vaag en totaal vergeten iets, begrijp ik) en dan om
2400/dan wel 0000 uur, na mijn tweede wacht dus, nog even een klein biertje doen
in het verblijf. (Ik begrijp dat zoiets allemaal nostalgie is? Er wordt geen wacht meer gelopen aan boord in Den Helder? Wees blij!)
Ik zag 'mijn' Teun wat scharrelen in de ‘walegang, of
is het ‘whalegang?’ Nou ja, ik zag hem dus scharrelen. “Hebbie ook de wacht,
man?”, vroeg ik. Nee, nee, nee, dat was niet zo, maar hij had een beetje verkering,
op Texel. “Een leuke meid, Korp. Een schoonheid”. Hij liet een foto zien. ‘Beauty
is a thing in the eye of the beholder’, zegt men en daar laat ik het maar even
bij. Nu ja, ze was dan wel geen looker, maar ze had wel iets. Iets heel
vriendelijks en vrouwelijks en ja, het leek me best een aardig meisje. De
ouders van zijn aanstaande, en, als het aan hem lag, niet nog meer lang
maagdelijke en ongeveer net negentienjarige vriendin, waren dat weekend
pleitheinen, vertrokken, niet aanwezig, absent en ook nog eens niet thuis,
begreep ik uit zijn verhaal. “Ik ga mijn kans grijpen, korp”, begreep ik. Hij
zou hem het hele weekend wel even uit de je-weet-wel laten hangen, zeg maar.
“Joh, succes, veel plezier. Maar eh, doe je het
wel veilig, ik bedoel heb je condooms?” “Jesses Korp, ze is nog maagd, hoe kan
ik dan wat oplopen? Denk even na, korporaal!”
“Nou, Teun, ik bedoel daarmee dat je zorgt dat ze niet zwanger raakt,
eigenlijk”, verdedigde ik mijn standpunt. Teun, met alle wijsheid van de jeugd:
“Van de eerste keer raak je echt niet zwanger, hoor. Maar u bent ziekenpa, dat
weet u toch ook wel?” Hij groette naar mij, naar de leerling, naar de vlag, nu
ja, hij groette alles wat bewoog en/of stilstond en ging blij de plank af.
Daar ging het menneke, een beetje mijn menneke,
ik mocht hem toen al zo ontzettend graag, met zijn paasbeste uniform aan, een
hagelwit pet kapje, nee, een ‘rein wit hoofddeksel’, zoals dat bij ons aan
boord toen nu eenmaal heette, op het vrij grote en vrij kale hoofd, op zijn
knar dus. Op jacht naar geluk!
Als je de VM hebt, ik schreef het al, heb je ook
de EW. De EW gaat om 2000 in. Nu ja, bij de KM gaat die wacht om 1945 in dan. Je
zorgt er altijd voor dat je een kwartier eerder de wacht overneemt. Zo kan je
de man die je aflost even bijpraten, of hij jou en kan hij op tijd naar zijn
bedje en zo. Dat heet, vind ik, collegialiteit
Dus ik stond aan de plank, ik had nog even
lekker liggen pitten, had wat achterstallig werk weg gewerkt, dronk een
aangebrande mok koffie en was al blij dat de OFF v/d W gelukkig niet aan
havenbrandoefeningen in het weekend deed en ik had ook nog eens lekkere
avondhap gehad. Morgen kon ik nog even naar huis om met de kleine jongen wat te
doen en dan was het maandag weer naar zee. Daar was niks mis mee. Ik had net
een rondje trossen gelopen, de leerling, een OC met meer anciënniteit dan een
gemiddelde stip, had ondertussen wel een vers bakkie gehaald, uit een geheim
verblijf of zo, en we stonden, stiekem, te roken.
Het was net halfnegen. Een zaterdagavond op een
in Den Helder liggend schip, om halfnegen? Dan is er totaal geen beweging op de
kade. Vlaggenparade is al geweest, niemand beweegt en er is op de steiger, maar ook zoals in heel Den
Helder, totaal niets te beleven. Of het moet het wapperen van een oude krant
zijn. Het wachtsvolk van de volgende dag komt, als ze te ver wonen, met de
laatste trein naar boord, maar dan dronken ze zich eerst nog wat moed in of
namen een vette shoarma bij Ambrosia, of ze kwamen pas op zondagmorgen met de
auto of de fiets. Dus ja, der gebeurt geen ruk, niets, niente, geen moer. Maar:
hè, wat ’s dat? Ik spot een matroos, in uniform. Op onze steiger. Die onze kant
op komt! Is het een mug, is het een vlieg, is het een nachtvlinder? Nee, het is
Teun, blijkt. Met een gezicht als een gebakken handdoek stapt hij de valplank
op. Hij groet model, wij groetten terug. “Teun, man, wat is er? Ik dacht dat je
het hele weekend weg zou zijn? Dat je hem der lang in zou laten hangen?” Met
tranen in zijn trouwe ogen keek hij me aan. “Ja, dat was de bedoeling,
korporaal. Ik was op tijd met de TESO-boot. Ze kwam me afhalen, met haar
brommer. We zoenden even en ze zegt tegen mijn: “Spring maar achterop. Dat dee
ik dus. Maar, ze gaf net gas, ik miste de brommert, sprong nog wel, maar mistte
en ze ging onderuit! En nou leg se met een gebroken enkel in het ziekenhuis, ik
kom der net vandaan. Der ouwelui waren der ook, die van de pont kenden haar
ouders en hadden hullie gebeld. En die ouders waren helegaar niet blij met
mijn.”
Hij zuchtte. Hij rechtte zijn rug en grijnsde
wat triest. “Nou ja, geen baby’tje extra op de wereld, moet je maar denken,
korp.” Hij liep naar de trap naar het beneden schip, naar zijn tampatje. De
volgende ochtend heb ik hem opgezocht en geprobeerd hem een beetje te troosten.
Nogmaals, het was een ongeluksvogel, maar een
geweldige en lieve kerel. Het komt allemaal goed.
Maar goed, uiteindelijk is het dus ook echt en helemaal
goed gekomen met onze vriend.
Hij was een KVV’er, zo heette dat toen, men noemde
dat soort collegae: een Korte Verstands Verbijstering. Maar: die mannen, later
ook dames, waren natuurlijk niets van dat alles en wel heel veel meer dan dat.
Goed, het waren geen ‘beroeps’, zoals de meesten van ons waren, maar ze hadden
net zo goed dezelfde mentaliteit die wij, de wel beroeps, hadden. Ze leerden een
vak, zagen wat van de wereld en zetten zich net zo in voor hun bedrijf als,
eerder, onze zogenaamde miliciens.
Teun ging, na zijn jaren, de dienst uit en werd:
‘penitentiair inrichting medewerker’, zoals dat zo fraai heet. Ik geloof dat
dat ergens in de Bijlmer Bajes was, maar het kan ook in zijn ‘home town’,
Utrecht, geweest zijn.
Een penitentiair je-weet-wel en zo, is de
moderne kreet voor cipier. Dat woord moet je nog wel kennen. Zo niet, dan geef
ik je even een stukje van een tekst op. Het is van een (nu al heel oude
cabaretier, geboren in 1938) een man die zich Jaap Fischer noemde, maar nu mag je
Joop Visser zeggen ook, want zo noemt hij zich tegenwoordig. Hij was, in de
jaren zestig van de vorige eeuw, ja, ja, in mijn jonge jaren, een artiest die
zich nooit echt veel in de ‘spotlights’ begaf. Hij was links, maar wie was dat
niet in die tijd, en hij had kritische teksten. Zoek hem maar eens op YouTube.
Goed, een van die teksten ging over een
Penitentiair inrichting medewerker:
= Hij was in de wieg gelegd voor cipier,
tierelierlier,
Zijn
rammelaar was een sleutelbos
Hij
speelde diefje zonder verlos,
En at
water en brood met plezier
tierelier
lier.=
En
zo gaat het, overigens heel humoristische lied, nog even door. Echt geinig, misschien, maar ja, het was wel jaren zestig
humor. Ik heb nog wel eens contact, via de media, met hem. Een onverbeterlijke optimist en ik ga, binnenkort, de start van de Vuelta met hem kijken in zijn eigen 'stadsie'.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten