1.7. Mijmeringen, een arts, een nieuwe ziekenpa en
Delfzijl
In die eerste periode deden we slechts een buitenlandse
haven aan, de oude uitvalbasis van de voormalige grote Britse vloot, Rosyth in
County Fife in Schotland. De haven is fraai gelegen aan de natuurlijke inham,
de Firth of Forth. Nu is aan het stadje Rosyth niet veel verloren om eerlijk te
zijn, maar het nabijgelegen Dumferline biedt nog wel aardige attracties.
Ik maakte een wandeling langs de haven, ze bouwden
ooit en bouwen er nog oorlogsschepen overigens, maar van een kleiner kaliber, zeg
maar en ik zag een enorme stapel ankerkettingen liggen. Maar ik bedoel dan ook een
enorme stapel hoor! En niet van die kleine schalmen, no sir, echt van die
enorme dingen, dubbel gesmeed, je kent het wel, elke schalm had op de helft een
extra verbinding, die an sich al vijf centimeter dik was. En, er lagen rijen,
tientallen meters achter elkaar van, soms wel dertig centimeter hoog. Nu had ik
natuurlijk onze ankerketting ook wel eens gezien, da’s logisch als je wel eens
op de bak kwam, maar dit waren geen kettingen voor een fregat of jager en zelfs
voor een kruiser leken ze me aardig groot. Ik stond een tijdje te kijken, schopte er eens tegenaan, wat me geen heldere momenten opleverde, hoor en ik stond wat te mijmeren en te piekeren en er schoot een man op me af. Hij vroeg, in het Engels natuurlijk, wat ik zo
stond te bekijken en tegenaan te schoppen. Ik legde hem uit dat ik die kettingen wel heel erg groot
vond voor moderne schepen en ja, dat had ik goed in het snotje, zei hij.
‘Maar, van welk schip zijn die dingen dan?’ vroeg
ik, nieuwsgierig als ik ben. ‘Oh no sir, you wouldn’t know that. Deze kettingen
zijn voor onze slagschepen.’ ‘Battleships? Maar de RN heeft toch geen
slagschepen meer?’ ‘Nee, nu niet meer, nee. Maar ja, wat niet is kan nog komen
en je weet het maar nooit. Bovendien, ze liggen hier al vanaf 1918, dus ja,
daar kunnen nog wel wat jaren bij.’
Ik liep, nadenkend over het historisch besef van
de doorsnee Engelsman of Schot, terug naar boord.
Terug in Den Helder kregen we nieuwe orders. We
moesten op een maandagmorgen opstomen naar een haven, waar we de zogenaamde havendagen
moesten opluisteren met onze aanwezigheid. Tevens zouden wij dan ook een
drijvende banenmarkt verzorgen om mensen voor de KM aan te werven. Er zouden
mensen van de Marine Voorlichting Dienst aan boord komen, die in de hangar
stalletjes zouden inrichten met allerlei folders en op grote tv-schermen zouden
dan films over onze KM worden vertoond. Ook zou er een heuse en echte heli aan
boord geparkeerd staan om het geheel nog aantrekkelijker te maken.
De bestemming was: Delfzijl.
Maar nu ik het verhaal
over Delfzijl begin, moet ik het hebben over Kees. Kees de dokter. En ook over
Paul 2, de nieuwe ziekenpa. Op een bepaalde dag kwam onze KPLLDA, Jan, die met
de plaatsingen en het personeel en zo was belast, me vertellen dat we een arts aan boord kregen.
Ene Kees. Nu ben je als ziekenpa natuurlijk helemaal opgevoed om met artsen te
werken, maar om nu te zeggen dat ik stond te juichen om een arts aan boord te
krijgen is als zeggen dat de Paus een voorstander van abortus is. Vaak zijn
artsen wat eigengereid, gelijk hebberig en bemoeien ze zich met van alles, zaken waarvan
de ziekenpa vaak meer van weet. Nee, medisch technisch kunnen we natuurlijk
niet aan hen tippen, dat beweer ik ook helemaal niet, maar de ziekenpa kent de hele
bemanning, weet hoe hij het moet aanleggen om lessen te geven, vaccinatie
schema’s af te werken, de MAD te runnen en dat soort zaken.
Ook vertelde Jan
dat er een nieuwe ziekenpa aan boord kwam. De eerste Paul was ondertussen
overgeplaatst. Hij ging, en dat heel terecht, de opleiding tot onderofficier
in. Dat had hij al jaren eerder moeten gaan doen, in mijn ogen, hij was een
hele goeie voor het vak, maar zijn lol in het vak en zijn lol in het leven
hadden hem nog niet zover gedreven. Maar nu had hij ‘vaste’ verkering, er werd
zelfs over trouwen en een gezin gesproken en hij begreep dat hij voorwaarts
moest.
Maar goed, op een fraaie maandag morgen waren ze er opeens, Paul en Kees. Kees was een LTZAR2OC. Een stevige man met neiging tot overgewicht. Hij kwam wel meteen sympathiek over en we lagen mekaar meteen. Ook Paul 2 werd met open armen ontvangen. Het was een nog jonge vent, net eerste klas die ik heel vaag kende uit de Amsterdamse marine. Hij kon meteen met Kees en mij en met de hele bemanning door de bocht.
Maar goed, op een fraaie maandag morgen waren ze er opeens, Paul en Kees. Kees was een LTZAR2OC. Een stevige man met neiging tot overgewicht. Hij kwam wel meteen sympathiek over en we lagen mekaar meteen. Ook Paul 2 werd met open armen ontvangen. Het was een nog jonge vent, net eerste klas die ik heel vaag kende uit de Amsterdamse marine. Hij kon meteen met Kees en mij en met de hele bemanning door de bocht.
Kees was van Joodse afkomst en ook de familie
waar hij uit stamde had heel wat van haar leden in die afgrijselijke kampen en
die vreselijke oorlog verloren. Zijn vader was trouwens ook Marineofficier
(TD) geweest en Kees had op kosten van de KM medicijnen gestudeerd aan de VU, met
een contract dat hem daarna nog 8 jaar aan de marine verbond. Een ‘bursaal
contract’ heette dat in die tijd.
Na het afronden van zijn studie was hij inderdaad bij de vloot gegaan en onze wegen kruisten elkaar aan boord van Hr. Ms. Philips van Almonde. Hij was een eerlijke, empathische, goedlachse en goede arts, die met veel humor zijn patiënten behandelde. Hij was toen rond de dertig en had, net als sommige artsen en zoals veel ziekenverplegers, die eerlijk waren en voor hun patiënten dan wel hun personeel opkwamen, hetzelfde meegemaakt, dat wat die categorie artsen en ziekenpa’s hadden meegemaakt met de Führung van de geneeskundige dienst, de zogenaamde HGDZ, zoals die afdeling van de Geneeskundige KGB of de Medische STASI bij ons wat kritischer medisch personeel werd genoemd, namelijk: tegenwerking en het eigen belang van die dienst en heel veel Nepotisme. Er werkten op dat bureau collegae ziekenpa's die in al die jaren (soms twintig) nog niet één operationeel plaatsing hadden gehad, maar die wel hun, de wel operationele collegae, de mantel uit veegden omdat verslag A of formulier B of staatje C niet was ingevuld op de manier waarop allemaal formele circulaires en rondschrijvens wezen. Omdat die wel operationeel collegae het toen waarschijnlijk even te druk hadden met operationeel te zijn of zo. Het was op die burelen allemaal vriendjespolitiek, dat begrijpen jullie.
Kees’ conflict met de Uberleitung van onze geneeskrachtige dienst, die naai maten heetten dan weer de IGDZ, maar dat is nu te technisch om te vertellen, was dat hij, als jong, beginnend en enthousiast arts, had gevraagd om anesthesie te mogen gaan studeren, een vakgebied waar hij helemaal gek van was. Ja, beloofde men hem, natuurlijk, ga je doen, je gaat dat worden. Vooruitlopend wilde hij dan graag Duikerarts worden, dat had namelijk ook allemaal met gas uitwisselingen tussen longen en weefsels en zo te maken? Komt helemaal voor elkaar, Kees. Eerst even een jaartje varen, dan weet je hoe de marine wereld er uit ziet!
Na het afronden van zijn studie was hij inderdaad bij de vloot gegaan en onze wegen kruisten elkaar aan boord van Hr. Ms. Philips van Almonde. Hij was een eerlijke, empathische, goedlachse en goede arts, die met veel humor zijn patiënten behandelde. Hij was toen rond de dertig en had, net als sommige artsen en zoals veel ziekenverplegers, die eerlijk waren en voor hun patiënten dan wel hun personeel opkwamen, hetzelfde meegemaakt, dat wat die categorie artsen en ziekenpa’s hadden meegemaakt met de Führung van de geneeskundige dienst, de zogenaamde HGDZ, zoals die afdeling van de Geneeskundige KGB of de Medische STASI bij ons wat kritischer medisch personeel werd genoemd, namelijk: tegenwerking en het eigen belang van die dienst en heel veel Nepotisme. Er werkten op dat bureau collegae ziekenpa's die in al die jaren (soms twintig) nog niet één operationeel plaatsing hadden gehad, maar die wel hun, de wel operationele collegae, de mantel uit veegden omdat verslag A of formulier B of staatje C niet was ingevuld op de manier waarop allemaal formele circulaires en rondschrijvens wezen. Omdat die wel operationeel collegae het toen waarschijnlijk even te druk hadden met operationeel te zijn of zo. Het was op die burelen allemaal vriendjespolitiek, dat begrijpen jullie.
Kees’ conflict met de Uberleitung van onze geneeskrachtige dienst, die naai maten heetten dan weer de IGDZ, maar dat is nu te technisch om te vertellen, was dat hij, als jong, beginnend en enthousiast arts, had gevraagd om anesthesie te mogen gaan studeren, een vakgebied waar hij helemaal gek van was. Ja, beloofde men hem, natuurlijk, ga je doen, je gaat dat worden. Vooruitlopend wilde hij dan graag Duikerarts worden, dat had namelijk ook allemaal met gas uitwisselingen tussen longen en weefsels en zo te maken? Komt helemaal voor elkaar, Kees. Eerst even een jaartje varen, dan weet je hoe de marine wereld er uit ziet!
Maar, zoals alle beloften die ooit door die KGB-club
werden gedaan, kwam men, de Helderse staf, deze natuurlijk ook niet na. Kees
was een gentleman, hij ging niet gooien of vloeken maar had al besloten de
dienst te verlaten, onmiddellijk na het aflopen van zijn contract. Daarmee ging
een heel goed arts voor de KM verloren.
Voor hen die dit lezen moet dat soort zaken allemaal bekend klinken, ook jullie werden vaan genaaid door dat soort staven, ga ik vanuit.
Voor hen die dit lezen moet dat soort zaken allemaal bekend klinken, ook jullie werden vaan genaaid door dat soort staven, ga ik vanuit.
Maar goed, Kees kwam, deed zijn artsen ding en
werd een geweldig geliefd persoon aan boord. Hij deed zijn sociale ding, hij
bezocht de Longroom en alle andere verblijven hij liet zich zien, luisterde
naar alle verhalen en dat deed goed. Hij leerde, van mij, de ‘Grootmeester van
het spel’, klaverjassen, ja Amsterdams en Rotterdams, natuurlijk en dat deed
hij zo goed, dat hij op een gegeven moment bijna de Grootmeester benaderde.
Bijna, hoor!
Hij was geliefd aan boord en werd verliefd aan boord. In Bordeaux, letterlijk vertaald: ‘Aan de boord van het water’. Op een fraaie en romantische manier. Ik beschrijf dat nog.
Hij was geliefd aan boord en werd verliefd aan boord. In Bordeaux, letterlijk vertaald: ‘Aan de boord van het water’. Op een fraaie en romantische manier. Ik beschrijf dat nog.
Niet alleen Kees was een nieuwe opvarende, met
hem wel meer natuurlijk, maar ook mijn ouwe getrouwe Paul ging van boord, zoals
ik al vertelde. (Die heeft hij overigens met glans doorlopen en uiteindelijk is
hij als LTZA2OC de dienst uitgegaan. Ik heb hem nog vaak meegemaakt en heel veel
met hem gefietst, hoewel, zo gaan dat soort zaken, het nu allemaal wat verwaterd
is.)
Maar ook de nieuwe ziekenpa heette Paul en ja,
dat was lekker gemakkelijk. Hij was net takenboeker* af en nog heerlijk bleu.
Ik kan heel veel over hem zeggen en alleen maar goeie dingen. Het was een moord
kerel die van een biertje hield en (ook weer) gek was op shoarma en meer dan gewoon
geliefd in het caf en bij de bemanning. Hij was een tukker en had dat wat
onderkoelde van die provincie genoten. Zoals Herman Finkers dat ook heeft. Ik
mis hem nog elke dag wel een beetje. Daarnaast was hij een empathische kerel en
een enorme vakman, een ziekenpa in hart en nieren!
Jawel, we gingen naar Delfzijl, een haventje gelegen aan de
Dollard en de parel van het Noordoosten van Groningen. Een kleine havenstad dus
met een heel groot achterland. Noordoost Groningen stond, in die jaren, bekend
om, nee, was berucht om, haar enorme werkeloosheid, nu de ooit enorme strokarton
industrie en de hele grote aardappelmeelfabrieken bijna allemaal gesloten of
verdwenen waren. Die industrieën waren jarenlang de pijlers geweest waar die hele
regio op gedraaid had, maar was dat allemaal helemaal voorbij. De Nederlandse economie
sukkelde vreselijk, de Haagse kringen kwamen maar niet met steun toezeggingen
van deze, ondertussen heel armlastige, gebieden. Je gelooft het niet, maar er
werd, in dat hele rijke vaderland, in dat soort streken, armoede geleden. Er
was een enorme werkeloosheid, jongeren hingen maar thuis, er was nauwelijks
uitzicht op werk of op een toekomst voor hen.
Daar sprong de KM op in. Opportunisme? Ja,
natuurlijk. Maar ook begrip. Geef de jeugd uit die streken kans op werk, kans
op een opleiding, dan geef je hun ook kansen voor de toekomst, dat was het, in
mijn ogen ook, terechte idee van Den Haag. Dus gingen we op een maandag, ik
geloof even voor elven, naar zee voor de reis van een paar uur slechts naar de
goede stad Delfzijl.
Delfzijl is een oud vestingstadje. Ze heeft natuurlijk
een redelijk roemruchte geschiedenis en ook maritiem telde het vroeger mee.
Zowel Piet Hein als Michiel de Ruyter hebben de stad aangedaan met een vloot
dus onze Philips van Almonde was wat dat betreft in goed gezelschap.
We gingen dus naar zee en het was, vonden wij, opvarenden,
rustig weer. Maar dat vonden mijn twee nieuwe scheepsgezellen niet echt. We
zaten (toen we eenmaal de havenhoofden voorbij waren en Paul terug was van
meerrol, waarin hij op post moest staan, als aflosser van zijn voorganger) zeg maar
kennis te maken in de ziekenboeg met koffie en een babbel en zo. Het was ondertussen
tegen etenstijd en de geur van dikke erwtensoep en bami goreng (standaard maandag hap aan boord van een KM vaartuig, in die jaren) was aangenaam te
ruiken in de whalegang*. Ik legde nog wat dingen uit over de werkindeling, over
spreekuur, verband uur en de Medische Actie Dienst en het schip pikte speels een
paaltje*. Ik zag beide nieuwe zeehelden bleek om de neus worden en toen we ook
nog een roller deden, de ouwe dame was blij dat ze weer in zee was en dat liet ze speels aan Neptunus merken, even draaien met die fraaie kont, ze was een wulpse troel, werden ze
nog bleker. Ik deed alsof de befaamde neus bloedde en lulde lekker door. Ik zag
naargeestige slikbewegingen worden gemaakt door beiden en ik kreeg meelij: 'Ok
mannen, ga lekker aan dek staan uitwaaien, want dit gaat hem niet worden, zo.'
De mannen stoven, bijna dankbaar knikkend, de ziekenboeg uit. Ik geloof dat ze het open dek nog net
haalden, voor ze echt zieke werden, maar daarna ging het helemaal mis. We waren
nog niet eens bij de uiterton!
Die middag lagen we alweer afgemeerd. Ik nam de
wacht, Paul en de arts mochten van mij stappen in hun eerste ‘buitenlandse’
haven.
In de ogen van de Delfzijlse bevolking draaide
het grote, grijze en een beetje dreigende oorlogschip hun relatief kleine
haventje binnen. Ze torende meters hoog boven de binnen liggende, maar vrij
kleine, vissersvloot en ja, ze domineerde ook de twee coasters, allebei met een
Nederlandse thuishaven, die daar al afgemeerd lagen en aan het ontladen waren. Ons fregat meerde af op de
aan haar toegestane plek, die overigens niet veel groter was dan haar lengte.
Was dat een test van de Delfzijlse havenautoriteiten, om te zien of dat nieuwe
schip, met die nieuwe commandant zijn schip wel kon handelen? Nu ja, Ome Kees
deed dat op zijn manier: zoals wij een winkelkarretje inparkeren, met een flair
die wij ook gebruiken in dat soort gevallen. Klappie vooruit, klappie
achteruit, trossen op de wal en ja, de plank eruit! Afgemeerd tussen twee
vissers en een coaster.
Bij aankomst in Delfzijl zag het schip er
natuurlijk uit als om door een ringetje te halen, maar ja wanneer deed was dat
niet zo, en ja, we hadden toen dus zelfs een onvervalste en echte boordhelikopter
inclusief bemanning en ‘crew’ bij ons. Het verticaal opstijgende vliegtuig was gestationeerd
op ‘Klein Schiphol’, je mag zelf raden waar dat was, en we hadden het zowaar
mee mogen nemen vanaf het Vliegkamp De Kooy, ook om nu eens helemaal
operationeel te zijn. Dus daar gingen we, langs onze wonderschone
Waddeneilanden, aan het eind van de middag af in de haven van Delfzijl, recht
tegenover het Duitse Emden. Emden is de hoofdstad van Oost Friesland, ook nog
eens een marinehaven en de kust van Duitsland was behoorlijk goed te zien.(later meer over die haven.)
Om nu te zeggen dat de gehele Delfzijlse bevolking
was uitgelopen om het super slanke en indrukwekkende schip te zien meren of te
bezoeken is overdreven.
Er waren minstens vijftien bewoners niet gekomen
omdat die: A/ het nieuws niet hadden vernomen, B/ lid van een pacifistische
partij waren of C/ te oud waren om vervoerd te kunnen worden. Want, man, man, man, wat een onthaal kregen we en hoe
moet dat er voor die ‘Grunnegers’, ik kom daar later op die mensen terug,
geweest zijn. Een haven(tje) gewend om kustvaarders en grotere
binnenvaartschepen te ontvangen werd nu opeens bezocht door een heus en heel
groot oorlogsschip, met totale bewapening en ook nog eens 180 ‘bad sailors’ aan
boord. Ik zal een ding zeggen. Tussen Delfzijl en de Almo is een diepe en grote
liefde gegroeid. Een liefde zoals je die maar eens in je leven hebt.
Moet ik het nog over De Ruyter hebben die hier
in 1665 de West Indische Retourvloot veilig in de haven kreeg? Nee, toch? Bij
jullie allen bekend, nietwaar?
De volgende dag was het schip al vroeg open. Er
was een hele boel volk van de Marine Voorlichting Dienst aan boord gekomen en
er waren ondertussen al een aantal exposities in de hangar ingericht en er
werden folders en drukwerken verspreid. Ook koffie en thee en meer van dat
soort zaken stonden, door de geweldige LDV verzorgd, klaar.
De eerste geïnteresseerden kwamen aan boord. Het
schip had natuurlijk ook een ‘open huis’ functie en ik moet zeggen: het was een
groot succes. Zo vaak kom je, als burger, niet aan boord van een heus
oorlogsschip en zeker niet aan boord van een hypermoderne en helemaal nieuwe oorlog
prauw. Natuurlijk waren er plekken waar geen bezoek mocht komen, maar over het
algemeen was het vrij kijken. Ook in de ziekenboeg, waar Kees en Paul veel
dingen konden en wilden vertellen. (Ik had die middag even vrij genomen, hoor.)
Maar ook de TC en de brug, het kombuis, de wasserij en het caf en al die
plekken waren zeer in trek door de mensen die kwamen kijken. En dat waren er
heel veel.
Zelf ging ik die middag maar
even de wal op met mijn twee kornuiten, Peter en Johan. Die mannen waren
allebei van mijn leeftijd en ze waren de enige en echte twee konstabels* aan
boord.
We kwamen iets verder in het stadje terecht in
een klein kroegje, niet te chique of zo. In Mokum spreekt men dan graag van een
‘Authentieke Bruine Kroeg, met een heerlijke Amsterdamse sfeer en een geweldig borrelgarnituur’
of dergelijk hoogdravend gedoe Nu, dat was dit kroegje niet. Het was gewoon een
kroeg in Delfzijl. Peter en ik spreken het dialect allebei. Ik kom van de
Drentse veengrond vlak bij Stadskanaal en dat is Gronings ‘angehaucht’ en Peter
kwam van oorsprong uit Ter Apel, dat is ook daar in de buurt. Bij binnenkomst
in het kroegje, we waren wel in uniform natuurlijk, zeiden we, in het plat
Grunnings, dat we niet meer konden spuwen van de dorst: “Wie kenn’n nait meeer
spoug’n van de durst”, zoiets dan en de kroeg eigenaar begreep ons en het ijs
was dus al snel gebroken. Het was gezellig en het werd natuurlijk nog veel
gezelliger toen wij wat (al dan niet ware) marine verhalen vertelden. Even
later stapten nog meer korpen binnen en zo werd dit café een tweede
korporaalsverblijf gedurende ons verblijf in de haven. Woorden en verhalen gingen
natuurlijk rond en vanaf die avond zat de kroeg stampvol met burgers die ook
wel eens een goed verhaal wilden horen, want ja, de janmaat kan wel aardig
vertellen, nietwaar? De kroegbaas zag het helemaal gelukkig aan, zette stukken
kaas en, heerlijke droge worst, Gronings product, de echte, hoor, die van de
echte slager, met kruidnagel, op de tap en ja, dat was smullen. We hebben,
dagen later, aan het einde van dat bezoek nog een wapenschildje met onze handtekeningen aan de
kroegbaas gegeven.
(Ik kwam, helemaal toevallig, jaren later nog
eens in het kroegje terecht en verdomd, dat wapenschildje hing er nog en de
kroegbaas herinnerde zich nog dat bezoek van de Almo.)
Onze kashoudend onderofficier, een SMJRSCHR, een
sergeant-majoor schrijver, was ook een Groninger, hij kwam dan wel ‘oet Stad’,
ofwel uit de stad Groningen en werd door de provinciale bewoners als ‘minder’
beschouwd, ’t is moar ain Stadjer, dat binn’n allemoal snakkers’ en eelsk volk’
zoals dat werd en wordt genoemd. Kort: Mensen die ‘oet Stad’ kwamen waren
allemaal opscheppers en (eelsk) aanstellers’.
Aangezien hij overdag druk was met allerlei
administratieve zaken die betrekking hadden op die banenmarkt, hield hij ’s
avonds nog eens een zogenaamd kasuur*. Dit was dus ver voor de tijden van het
pinnen en zo. Je nam nog geld op bij een postkantoor of bank met een
betaalkaart. Bij Rein kon je dus ook met zo een ‘pretbon’ terecht. Hij liet,
hij was wat melig na een drukke dag, omroepen dat het kasuur was en dat hij
uitbetaalde in Groningse guldens. Geintje, toch? Maar het aantal mannen die
kwam vragen hoe je dat bedrag in moest vullen op die betaalkaart was toch nog
behoorlijk groot.
Natuurlijk werd er ook gewoon gewerkt, gekookt,
mensen behandeld en lesgegeven. In dit geval gaf een van de meest beruchte mannen
van de marine, kwartiermeester A., les in sloepvaren. Nee, niet echt meer roeien
hoor, maar met de motorsloep moesten de jonge matrozen leren hoe ze moesten
sturen, hoe ze de sloep moesten meren en ontmeren en hoe ze bochten draaiden en
alle dingen die daarbij te pas kwamen. Dat meren en ontmeren deed hij steevast
bij een trap naar de kade. Tegenover dat trappetje lag bij die kade leen kroeg.
Zo gauw de matroos die de beurt had, de tros aan de wal vastzette en de sloep stillag,
nam de KWMR de benen, sprong het laddertje op, dook het kroegje binnen en nam
een biertje of twee. Aangezien hij een man of vijf als leerling had en ze
allemaal minsten twee keren moesten leren meren, kun je wel nagaan en
uitrekenen hoe hij terugkwam aan boord. Nou nee, dat kan je niet nagaan. De man
was/leek nog steeds bijna broodje nuchter, zo goed kon hij tegen het innemen.
Ik zou alleen al over hem een boek vol kunnen schrijven.
Vrijdags gingen we terug naar Den Helder, na
gejuicht en toegewuifd door de bevolking van het hele stadje. Ik geloof, nee ik
weet, dat ze, na jaren, nog steeds over de Almo praten, daar. Maar goed, terug
aan boord. Ik heb daar al voor gewaarschuwd, natuurlijk. (Ik ga nu een beetje
helter skelter door mijn belevenissen heen, ik schiet van links naar rechts en
van eerder naar later in de tijd, vergeef het mij, nu een ouwe man.)
Na het bezoek aan Delfzijl kwamen we er achter dat
de Almo een zogenaamd ‘Grunnings’ schip was. Een Gronings schip, zegt de
spellingscontrole. Dat segt ik, dus. Buiten Rein, onze chef toelis, die ik al
eerder heb genoemd, was er een NAVO, NAVigatie Officier aan boord, wiens wieg
in Scheemda had gestaan, zijn ouweheer was daar overigens burgermeester geweest,
en hoeveel meer Gronings kan je het hebben? Mijn konstabel maatje Peter kwam
uit Nieuw-Weerdinge, zeg maar uit Ter Apel. Ik kwam uit het grensgebied tussen
Drenthe en Groningen, mijn pa kwam uit de Pekels, dus ja ik was ook een man
‘oet het loug’. Diep in het binnenland van Groningen betekent dat. Dan hadden
we nog een BOTT, ene Anne, die ook uit die contreien kwam en er waren nog wat meer
van die lui. Op voorspraak van Peter en mij vroegen we aan de toenmalige KPL’s
oudste, die ook niet de rottigste was, om eens per maand, en dat alleen dan varend,
een Groninger uurtje te mogen houden. De brave man, we hebben hem later nog de
Gouden Bal ingedragen, zoals jullie al lazen, waarna ik hem op mocht volgen,
was positief en dus kwam de groep af en toe en soms eens per maand samen in de
zandbak, zo had hij dat besloten. Die zogenaamde zandbak was een afgescheiden
hoekje van het KPL’s verblijf, ik denk nu, van drie bij drie meter en was
bedoeld als stilte- en studieruimte.
Die uurtjes waren gezellig. Wij, de echte
bewoners van de grensstreek, zorgden ervoor dat we ‘dreuge worst’ aan boord
meenamen, af en toe een stukje ‘nagelkaas’ en dat de tap genoeg ‘Hooghoudt’,
echte Grunniger graan genever, had. En: we mochten alleen Grunning’s proaten,
tijdens die sessies. De NAVO had daar wel wat problemen mee, komende uit een
hoge familie, als je me begrijpt.
Ja, je leest het goed en het is echt waar, er
was een stilte verblijf in een korporaals gemeenschap. Dat komt neer op: een
varken in de synagoge, een dame van prettige zeden in het Vaticaan, een
politicus die recht door zee is, of een Amsterdammer die stopt voor een rood
fietsers licht.
Maar ik garandeer je: hoewel er niet heel veel
van die zondagmorgenbijeenkomsten waren, waren ze wel helemaal gezellig. We
dronken een ‘zeupie’, al dan niet met suiker, we namen stukjes droge worst en
lulden over onze jeugd, in de Groningse contreien. Rein was, hoewel een
Stadjer, behoorlijk af geoefend in het AGD, het Algemeen Grunnigs Dialect,
overigens. Nu ja, het waren wat zorgeloze zondagmorgens, zeg maar.
Zowel Kees als Paul 2 zijn allebei veel en veel te vroeg gestorven. Ze
staan allebei in mijn herinnering gegrift, natuurlijk. De wereld heeft in hen
twee bijzondere en geweldige kerels verloren!
Ja, Delfzijl. De kroegbaas aldaar heeft nooit meer zo'n goede omzet gedraaid.
BeantwoordenVerwijderenGeweldig man.
Verwijderen