zondag 6 januari 2019

Emden: ofwel 'De dienstfiets van de facteur'

Dit verhaal is al eerder, korter, op de ALMO site geplaatst geweest, als er dus bekende stukken tussen zitten, komt dat daardoor. Maar het is verder behoorlijk aangepast, hoor.

(Wisten jullie overigens dat Emden de eerste haven was waar de eerste voorganger van onze KM huisde? Ik las het, als kind al eens, maar in dat prachtige programma, (80 jaar oorlog) in de herfst van 2018 uitgezonden, gepresenteerd door Hans Goedkoop, blijkt ook dat Emden de stad is waar de eerste Watergeuzen, die kreet kennen jullie natuurlijk allemaal wel, hun eerste haven hadden. Daar hadden ze dan een volmacht gekregen om te plunderen, te brandschatten en uit te roeien, want ja, meer dan eigenlijke roversbendes waren het niet.)

Wat doe je, als je de trotse bezitter van een splinter baroe auto, of racefiets bent?
Dan doe je twee dingen: je gaat dat voertuig eens even lekker uittesten op de A zoveel of op de fietspaden in jouw omgeving en je gaat hem ook even lekker showen aan de buren. Wat dat betreft is de KM gewoon net zoals wij, mensen allemaal, zijn. Als dan de eerstgeborene van een nieuw type schepen (een nieuwe klasse, heet dat) van de werf komt wordt dit schip dan ook uitgebreid getest (op de ‘zee snelweg’ dan) en gaan wij van de marine met dat schip eens even de buren lekker maken. Het fregat in kwestie was nog in aanbouw op een werf in Rotterdam als ik als deel van de aanloopbemanning geplaatst wordt aan boord van de Philips van Almonde. Het voorzetsel “Hr. Ms.”* heeft ze nog niet, want formeel is ze nog geen marineschip. Dat wordt ze pas als de eerste testen gedaan zijn (in het kort, of ze wel blijft drijven en of ze het wel doet) en dan stelt de Commandant het schip in dienst. Dat zal dus pas gaan gebeuren als er de nodige beproevingen, zoals dat in het jargon heet, uitgevoerd zijn en als de bemanning compleet is. Ze, een schip is vrouwelijk, zal dan met het nodige ceremonieel in dienst gesteld worden en vanaf dan altijd als oorlogsschip herkenbaar zijn aan de zogenaamde oorlogswimpel.
Een wimpel, die, zoals de tradities willen, zolang zij in dienst is, nooit zal worden neergehaald. Tradities. We zijn er sterk in bij de marine. Trouwens, burgers strijken (en strijken) vlaggen. Marines nooit, die halen de vlag neer. Wij zijn traditioneel en houden van ceremonieel. Ik zal een voorbeeld geven:
Elke ochtend om 0900 en elke avond met zonsondergang is het ‘vlaggenparade’.
Dat gaat gepaard met het volgende, eeuwenoude, ritueel. Over de (scheep-)omroep of door middel van fluit- of hoornsignalen klinkt het om:
5 minuten voor aanvang van vlaggenparade:
“Jongens bij de vlag”
1 minuut voor:
“Stilte aan dek, front maken naar de vlag”
Exact op tijd:
“Vlag (en wimpel) hijsen/neerhalen”
Gevolgd door:
“Doorgaan”
Zoals gezegd, het is een eeuwenoud ritueel.
De jongens bij de vlag zijn 2 maten die de vlag aanslaan en hijsen, dan wel andersom.
Bij “Stilte aan dek, front maken etc.” wordt eenieder die zich in zicht afstand van de vlag dan wel aan dek of op de steiger bevindt, geacht de houding aan te nemen in de richting van de vlag.
Op het sein “Doorgaan” doet eenieder weer datgene waarmee men al dan niet bezig was. Om maar iets over tradities te vertellen.
Langzaam begon de bemanning elkaar steeds beter te leren kennen en ging er een hechte groep ontstaan. Er zou zich op dit schip een hechtheid en een solidariteit ontwikkelen, die ik niet vaak meer heb meegemaakt, zowel binnen als buiten de KM, nu ja, buiten de KM al helemaal niet, hoor.
Als ik toch een titel mag jatten dan is: ‘Band of Brothers’, een tv serie over een compagnie soldaten tijdens WO2, wel heel goed gejat. Ik maakte natuurlijk deel uit van de korporaalsgemeenschap. Deze groep bestond, ik schreef het eerder al, uit een stuk of dertig professionals. Professionals, inderdaad, want dat waren we, allemaal, ik schreef dat al over het verliezen van een Duitse heli.
De oudste van ons was Willem, een magazijnbeheerder van tegen de veertig, dachten wij, jonge leeuwen, hij was jaren jonger natuurlijk, die om zijn uiterlijk ‘Gipsy’ wordt genoemd. De jongste was een ‘Whizzkid’ van net aan 21, die alles van de, toen nog vrij jonge, computerbranche wist. Computers en al wat dies meer was, waren voor ons, gewone boerenlu.... nog vage dingen aan een vage kaap van een vage toekomst. Deze jonge gasten wisten er al heel veel van, ik schreef er ook al over.
           
Tijdens die weken van opwerken en oefenen deden we regelmatig buitenlandse havens aan. Onder andere Plymouth in het Verenigd Koninkrijk, waar we zo vaak kwamen dat we gedurende deze periode grappen maakten dat we daar eerder een huis konden huren als in de thuishaven Den Helder, in ieder geval als we ons zouden hebben laten inschrijven bij de lokale Pleimuidense woningbouwvereniging. Zoals gezegd, we staken de buren de ogen een beetje uit door te pronken met dit nieuwe type schip. Zo deden we onder andere de kleine Duitse marine haven Emden aan. Zoals gebruikelijk ging ook op deze vrijdagmiddag bij het afmeren de facteur* als eerste van boord om dienst- en privépost weg te brengen en op te halen.
Ten dien einde was er een dienstfiets aan boord. Een vouwmodel dat, al varende, gestald was in een van de werkplaatsen op het schip. De beheerder van die werkplaats was een korporaal van de technische dienst. Een goedaardige, rondborstige en dorstige Limburger die Rooks heette en hopelijk nog steeds zo heet, want dus nog leeft en die dus, logisch, ‘Smokie’ werd gedoopt. Nu kwam onze facteur toevallig uit hetzelfde dorp als die Smokey en was dus een idem Limburger, ook rondborstig en ook dorstig. Onder het voorwendsel dat Smokie ‘een nieuwe zeven inch pijpflens’, of een dergelijk kulverhaal, aan de wal en op de basis moest halen, “begaven deze twee afgevaardigden van de Koninklijke Marine zich rond 1300 uur aan land en spoedden zich per rijwiel, dienst, verstrekking KM, stuks een, zoals het voertuig officieel te boek staat, naar het lokale Postamt, om vervolgens in kennelijke staat, maar zonder begeleidend tweewielig voertuig terug aan boord te keren. Hierbij waren de beide OOFF ook in kennelijke staat, althans namen ze een waggelende gang aan en hun adem rook naar alcoholische versnaperingen.”
Zo vermeldde de Ollie van Pollie* het in zijn rapport. En ja, het was zo, de facteur verscheen maar niet. Hij had allang terug moeten zijn met de post, de belangrijke post van thuis, zeg maar. De tijd verstreek. Het werd ondertussen middag, het werd dieper in de middag, het werd ondertussen avondmaal, het werd donker en de spanning rond het uitlijven van de post steeg.
Post is en was belangrijk. Dienstpost zeker, maar privépost nog véél meer. Dit was natuurlijk wel in de de tijd vóór de massale communicatie golf met mobiele telefoons en twitters en PB’s etc. Mensen schreven toen nog heel ouderwets brieven en kaartjes naar hun gelieven, familie en vrienden.
Dan, het is inmiddels tegen negenen, keren de beide korpedanten, zeulend met tassen post, terug. Zonder fiets dus, maar wel met een kegel. Onze Onderofficier van Politie, een Sergeant de Mariniers onder wie de dienstfiets ressorteert, was daarover not amused’, zoals je al las. Toen we later, alle korpen, zeg maar, na het doornemen van de post van thuis, niet voor mij, natuurlijk, in het korporaals verblijf de twee boefjes aantroffen hadden ze het nog steeds het hoogste woord! “Wat een meid”, brulden ze om het hardst, “Ze heet Myra, man, wat een buste heeft ze. (Nee, dat woord buste zeiden ze inderdaad niet, vul zelf maar in wat dan wel zeiden, maar mijn kinderen en kleinkinderen gaan dit ook nog lezen en nee, ik wil me niet schamen voor hen!) “En dan schonk ze je glas vol en dan moest ze over de bar buigen en dan keek je helemaal in haar bloes, tot Golgotha!” riepen ze opgewonden. “Tot  Golgotha?” vroegen wij verbaasd. “Ja, Golgotha, daar stond het kruis toch?” riepen ze in koor.
Nou, en toen had de facteur tegen Smokie gezegd dat 'ie maar even moest betalen want dat hij zijn poen was vergeten mee te nemen. (Raar en stom voor een facteur, natuurlijk, die, zoals al eerder geschreven, ook vaak ansichtkaarten kocht om door te verkopen aan de mannen). En toen had Smokie gezegd dat hij zijn poen ook vergeten was en toen had Myra gezegd dat ze de sleutel van de fiets dan maar achter moesten laten tot ze kwamen betalen. “Zie je wel”, “beëindigde Smook zijn verhaal, “die moffen moeten altijd onze fietsen hebben”. Dus moesten ze, zeulend met de postzakken, terug aan boord.
Deze fiets komt overigens wel terug uit Duitsland. De heren hebben namelijk de dag erop wel het gelag betaald.

M'n gabbers Peet en Johan en ik hadden de volgende middag maar eens gekeken of dat verhaal van die Myra wel waar was en zo. Je moet natuurlijk niet alles voor zoete koek slikken. We melden ons rond het middaguur uur in ‘Im Hafenviertel’ zoals de ‘kneipe’, waar de Rook en de facteur haar hadden bezichtigd, heette en we bestelden alle drie een soort appelsap. Die drank werd vanuit een ijskoude fles uit de vriezer in kleine tulpvormige glaasjes geschonken, waarbij de horecamedewerkster zich diep over de bar moest buigen. De beide boys hadden gelijk. Bij Myra kon je heel diep kijken, maar niet in de poppetjes van haar ogen. Maar wel bijna tot haar Golgotha. Uren later wankelden we, we waren geheel door emoties overmand door al het fraais dat de natuur te bieden heeft, terug naar boord. 
Later, die nacht, werd ik wakker van geklop op een deur, een houten deur. Nu heb je veel zaken aan boord van een fregat, maar houten deuren, nee, die zijn der niet. Ik droomde dus, dacht ik, maar nee, het geklop hield aan. Ik opende wat moeilijk de ogen, knipte het bedlampje aan, traditioneel sliep ik in de ziekenboeg, en wreef mijn ogen uit. Ik zag, nee ik dacht dat ik zag, nee, het moeste een droom geweest zijn, nu ja, ik zou gewoon verder gaan pitten, maar nee, weer hoorde ik geklop op een houten deur. Ik schrok me de tinken vering, schoot rechtop in mijn kooi en ja, hoor. Er stond een houten deur in de ziekenboeg, vaag omhooggehouden door vier of zes handen. Gezichten of lichamen zag ik niet maar ik hoorde wel stemmen. ‘He, pa, worres wakker, he pa, kijk dan, die deur? He pa, kom eens uit je graf man.’ “Nee uit je rukbunker pa, kom der uit nu,” ik hoorde een geweldig Babylon van stemmen maar ik snapte der geen moer van. Opeens zag ik een tronie, nu ja een boeventronie. En een tel later een tweede boeventronie en weer een derde.
Nu zag ik het. Een stel schurken van het zuiverste water was met een houten deur, met ijzerbeslag mijn ziekenboeg binnengekomen. Waarom? Waarvoor?
Met een sprong was ik uit bed, schoot haastig mijn broek aan en ging naar de deur toe. Die was ondertussen al plat gelegd. “Godsamme mannen, wat is dit?” vroeg ik, een slaapdronken. De grootste boef aan boord, ene Henny, maar daar moest je wat voor kunnen om het zover te brengen dat je die titel kon verwerven, het waren namelijk allemaal schurken, betoogde: “Pa, dit bordeel gaat jou geen ontsmetters* meer opleveren. We hebben de deur uit dat bordeel gestolen en gaan het aan boord verzagen. Mooi man, mot je kijken, wat een beslag, wat een fraai hout. He, pa, snurk ze, doei!”. Nu ja, van snurken kwam niet zo veel meer. Ik keek naar de tijd, zag dat het fraai vroeg was, rond vijf uur en ging maar even soppen en een bakkie zwart halen in het caf. Met nat haar, dat had ik toen nog en een mok koffie in de hand en een zware van de weduwe in de mondhoek kwam ik bij de OOFFv/dW in de midscheeps. De man en zijn leerling grijnsden van oor tot oor. “Hebbie het gezien? Die deur? Die gaan ze verzagen tot de entree van het caf”, vertelde de collega me. Ja, ik had het gezien en beleeft en ik vertelde hem hoe ik er achter was gekomen.
We deden nog een bakkie, langzaam kwam het ochtend rood in de lucht en langzaam, behoedzaam, naderde een gestalte, die we allemaal kenden, de valplank. Hij had een zwaar zeetje tegen en ja, die valreep was steil. Boven gekomen maakte de nieuwe EO, hij was het, een fantastisch figuur overigens, model keert, groette de vlag die pas over een uur of wat gehesen zou worden en meldde zich af. Toen hij mij zag greep hij in zijn jas zak. “Voor jou, Lucas. Sleutels van een deur die nooit meer zal bestaan, hopelijk hebbie der wat an. Tegen de OOFv/dW: “Eh, morgen is het zondag nietwaar? Por me op tijd voor de kerkdienst.” Enigszins ‘wandelend op het zeetje’ begaf hij zich naar zijn hut.

Een extra woord nog over deze Eerste man. Hij was misschien toen al, maar is zeker later, een begrip geworden in de KM. Ik ga zijn naam niet noemen, ik weet bij God niet hoe ik hem kan bereiken om daar toestemming voor te vragen en ja, ik moet dus zijn toestemming hebben om hem te benoemen. Dikke geruchten ging rond over hem. Hij was, LTZ1, natuurlijk, en al zijn hele leven bij de Onderzeedienst geweest. Hij had daar allemaal enorme wapenfeiten behaald en had zelfs, tijdens een grote NAVO-oefening, een halve vloot getorpedeerd. Hij was met een Franse baronesse getrouwd, meldde men en bewoonde ergens een kasteel of een heel groot buiten. Hij was enigszins hautain, maar op een manier die wij wel konden hebben, want hij was recht door zee en hield niet van ‘bakkies’ uitschrijven, zie het eerdere verhaal over de ziekenpa. (Als ik hem zou moeten karakteriseren zou ik hem willen vergelijken met de Britse admiraal David Beatty, goochel zijn geschiedenis en foto maar eens op het net. Hij moest toen voor zijn derde galon een bovenwater ‘kano’ hebben gehad en ja, die had ‘ie nu tot volle tevredenheid van de hele equipage. Met zo een ouwe en zo een First, kon het eigenlijk niet meer misgaan en ja, dat deed het ook niet. Later is hij kolonel, Kapitein ter Zee, geworden en, meen ik, heeft hij zelfs de vlagofficier rang bereikt. In het korte verhaal over Londen, kom ik heel even op hem terug.

Er waren dikke plannen met de deur. Die zou de deur naar het caf worden, maar dat lukte allemaal niet helaas, dus werd ze verzaagd en er werden ladekastjes van gemaakt, nu ja, zoiets voor in het Caf. Hoe het met het huis van vrolijke toegang is geworden? Geen idee, de maandag daarop voeren we al weer vroeg uit, maar niet nadat er weer eens een incident met Old Smoke was geweest. 
Bij binnenkomst van die haven had hij luidkeels naar de Duitse meer troep geroepen dat hij “Das Fahrrad seiner Grossvater” wel eens terug wilde zien. Dat had hij al die dagen meerdere keren en ook heel luidkeels, herhaald en ja, uit een soort van Duitse humor, kwam er dus de ochtend van het vertrek naar zee ook een “Fahrrad zurück”. Met een grote grijns liet de Duitse (ont) meerploeg en totaal verroest en kennelijk net uit de Emdense modder getakelde ouwe tweewieler aam boord hijsen met een heuse kraan. “So, das Fahrrad euer Grossvater ist zurück, Herr Rauch. Bitte sehr und keinen dank.” Wij lagen plat en Old Smook had een bek vol tanden. Duitsers en humor, het is wat dik allemaal, maar toch.

Maar goed, dat was later, maar die zondag morgen daarvoor werd er gevoetbald tegen het team van de marinebasis Emden. Ik mocht verzorger zijn en had wat water en versnaperingen voor onze spelers bij me. Het werd en leuke match, vraag me de stand niet en na afloop lieten de Duitsers zien dat ze geweldige gastheren waren. We werden uitgenodigd in hun verblijf. Er waren veel vochtige en lekkere versnaperingen. Heerlijk, koud en goed gehopt bier, onder andere, er waren ook heerlijke hapjes en ja, zoals men zegt men: sport verbroederd. Peet, de mede Groninger en ik, raakten in gesprek met een paar Unteroffiziere en die complimenteerden ons met ons goede Duits. Wij vertelden hen dat we allebei uit het Nederlands-Duitse grensgebied kwamen en één van die Unteroffiziere vertelde me dat hij in die buurt jaren verkering had gehad. Waar dat wel was geweest, vroeg ik hem. Tot mijn totale verbazing zei hij dat dat in Gasselternijveen was geweest. Een plaatsje van helemaal niemendal, ergens aan de Hunze, ergens in het oosten van Drenthe, in het veengebied, vertelde hij. Maar het was wel het dorp waar ik was opgegroeid en grootgebracht. Ik vertelde hem dat en vroeg met welke ‘Nieveenstere’ schone hij dan wel verkering had gehad. Hij noemde een naam. Ik was nog meer verbijsterd. De naam die hij noemde! Dat was mijn bloedeigen nicht! We haalden herinneringen op en dronken een glas op het toeval. Het werd een lange nazit.

Het was overigens typerend voor de sfeer aan boord van ons schip dat op de stunt van de beide korpen geen enkele sanctie volgde. Wij, korporaals onder elkaar, hadden het de twee pipo’ s natuurlijk stevig duidelijk gemaakt dat post toch altijd prioriteit één had, boven lekkere wijven met grote voor balkons of zo. Dat begrepen ze en hun excuses waren gemeend. Wij, korporaals, dachten nu dus ook dat het verder niet ‘door het schip’ zou gaan. We dachten dat we het verhaal hadden afgedicht. We hoorden er verder ook niemand over, bak 1 was stil, het ouwe mannenhok hoorden we niet, het caf reageerde ook al niet, maar we hadden buiten de waard gerekend.
Bij het aanlopen van de volgende haven vroeg de ouwe fijntjes aan de facteur: “Of hij dit keer alleen op de fiets de wal op zou gaan en die fiets dan ook maar meteen terug zou nemen?”

Een mens die ouwe.



1 opmerking:

  1. Mooi verhaal weer.....
    Alleen is het vlag en GEUS hijsen/neerhalen.
    Die wimpel bleef hangen, zoals je zelf ook al zei.

    BeantwoordenVerwijderen

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...