VOORWOORD
In
de tweeëndertig jaar dat ik bij de Marine het dagelijkse brood binnen trachtte binnen
te halen heb ik op meerdere schepen gediend. Ik heb op mijnenvegers gevaren,
heb nog heel even op een echte heuse en grote kruiser mogen dienen, de ZEPROV en ja heb ik ook een aantal
jagers en fregatten ‘gehad’, zoals dat heet.
Die
ZEPROV was een kruiser van de DE RUYTER klasse. Die schepen waren op
stapel gezet aan het einde van de jaren dertig van de vorige eeuw, toen men,
veel te laat, besefte dat onze defensie wel heel erg achterliep bij die van de
nogal met oorlog dreigende Duitsers. De bouw van die schepen was amper begonnen
toen de oorlog uitbrak. De volledige naam van het schip was ZEVEN PROVINCIEN, maar ze heette eerst, KIJKDUIN, daarna DE RUYTER, dan EENDRACHT
en ook nog eens weer KIJKDUIN. Later
heeft men dan toch voor de, in mijn ogen hele fraaie en historische naam ZEVEN PROVINCIEN gekozen. Het was het
laatste grote schip in onze KM. Ze is, net als haar zusterschip, verkocht naar Peru
in de jaren zeventig. Daar voer ze rond als de ALMIRANTE AGUIRRE met het naamsein 84. Bij mijn weten heeft ze tot
1999 nog gediend. Knap staaltje vaderlandse scheepsbouwkunde dus, om een schip
te bouwen dat na vijfenveertig jaar dienst pas werd afgevoerd.
De
grap is dat ik, zeg maar op, de eerste augustus van dat jaar aan boord zou
gaan, maar dat het schip op de eenendertigste juli al werd overgedragen aan de
Peruviaanse marine. Tja, ik heb ook altijd pech, zei Calimero dan, maar goed ik
heb, bij de overdracht van het schip, er een paar weken op mogen dienen, zonder
met haar ooit zee te zien.
Dit boek is opgedragen aan alle KM mensen, van
bak één* tot aan het caf*, maar vooral voor die mensen die ooit op de Almo
voeren. “ALMO”, dat is de officiële KM vier letterige afkorting, zoals de
Koninklijke Marine die gebruikt voor haar schepen. In dit geval staat het voor
Hr. Ms. Philips van Almonde, maar da’s veel te lang allemaal en ALMO was toen,
maar nu nog, ook ‘onze’ troetelnaam voor dat heerlijke en eerlijke schip.
Ik geloof stellig dat die Almo het beste schip
was waar ik ooit op voer. (En ja, ik kan best selectief zijn, ik heb op nogal
wat schepen gevaren, hoor).
Geloof ik stellig? Nee, ik weet het zeker. Vanaf
de kiellegging tot aan haar uit dienst stelling, waarna ze verkocht werd aan
onze NAVO-partner Griekenland, waar ze nu, dat weet ik zeker, nog onder de
naam: H.S. Themistokles met naamsein F 465 rondvaart. Het
schip is vernoemd naar een oude Atheense staatsman, die ongeveer 2500 jaar
geleden onder verdachte omstandigheden overleed. De man had er wel voor gezorgd
dat de Atheense, lees Griekse, marine de belangrijkste vloot van die tijd had.
Die Griekse vloot was in die jaren te vergelijken met wat de Britten tussen
1650 en 1945 hadden, zeg maar, de wereldheerschappij, in de toen nog bekende
wereld.
De Almo was een ‘fraaie ouwe
dame’ (de Britten zeggen het fraaier: a grand old Lady) zoals een van de oude
bemanningsleden het ooit zo liefkozend schreef, maar was vooral een gelukkig
schip, maar het was ook nog eens een fraai schip, nu ja, al die schepen uit die
klasse waren dat, met uitzondering van de twee LVD, Lucht Verdediging Fregatten
fregatten, DE WITH en DE HEEMSKERK. Maar daarnaast was ze ook
nog eens een heel speciaal schip. Waarom dat nu zo was, wil ik proberen uit te
leggen in de verhalen die je hieronder aantreft.
Ik heb, net als meerdere van jullie, lezers, ik
ga er even voor het gemak van uit dat het overschot van de lezers (ex)
marinemensen zijn, zoals al eerder geschreven op meerdere schepen gevaren.
In het kort is de kwalificatie van marine lui,
nu ja, dat behelst zowel het mannelijke als het vrouwelijke deel van de Marine,
voor hun schepen: het is een goed schip of een k.. (slecht) schip. Ik heb veel
goede schepen gehad, maar natuurlijk ook weleens k.. schepen. (Niet alleen
schepen, maar ook, tijdens het dienen met het Korps Mariniers, ben ik slechte
compagnies of bataljons tegengekomen, maar dit is buiten de intentie van dit
boek.)
Maar de Almo, vooral zij, heeft, tot op de
huidige dag, dertig en meer jaar na aan boord gediend te hebben, wel een heel
speciaal plekje in mijn hart veroverd en dat plekje zal er altijd blijven.
‘Ouwe liefde roest niet’, zegt men in ons taalgebied. Gelukkig ben ik niet de
enige die er zo over denkt. Op de sociale media kom je veel groepen tegen die
een gemeenschappelijk verleden hebben. In schepen, kroegen, voetbalclubs,
wielerlegendes, nu ja, noem maar op.
Ook ‘ons’ schip heeft een dergelijk forum, zoals
vermeld voortreffelijk beheerd door Andre. Op dat forum wordt veel en vaak van
gedachten gewisseld, maar steeds met een humoristische en ja, misschien wel
liefhebbende toon en, ja, marinemensen zeggen het niet vaak, maar in het geval
van dit schip, wordt het vaak gezegd met een trotse toon. Allen, die gediend
hebben op dat fraaie fregat, zijn, en terecht, nog steeds trots op haar en dat
hoor ik van de diverse bemanningen waar ze mee gevaren hebben!
Hoe komt dat nu? Waarom zijn schepen goed of
slecht? Dat is een vraag die heel moeilijk te beoordelen is, natuurlijk. Wat ik
een goed schip vind, vindt een ander misschien juist een minder prettig schip,
om het maar even eufemistisch te zeggen. Maar over het algemeen is men het er
wel over eens. Het heeft alles te maken met het gevoel aan boord, de cohesie
van de bemanning onderling, dat eerdergenoemde caf, hoe zijn de korporaals, (in
mijn ogen een van de meest sfeerbepalende groepen aan boord, namelijk jong,
onstuimig bijna volwassen en op weg naar een carrière), hoe zijn de
onderofficieren, die zijn vaak de ruggengraat van het schip, en hoe is de
structuur tussen bak één (bijnaam voor de officieren) en die rest van het
schip.
Maar vooral: wat voor ‘ouwe’ heeft het schip!
Wat dat betreft hat ons schip het niet beter kunnen treffen. Wij hadden, toen,
een wereld ouwe. Cees van de Werff. (Zijn bijnaam aan boord was al snel: Cheese
of the Dockyard, vatten jullie hem?)
Er wordt weleens beweerd dat schepen een ‘ziel’
hebben. Nee, niet die van een fles wijn, maar een ziel, zoals die wordt bedoeld
door de mensen die over theologie gaan en daaraan doen. Is dat zo? Ik weet het
niet. Ik ben geen theoloog of filosoof of psycholoog. Maar, ik geloof het zelf wel.
Ik geloof dat de ziel van een schip, van een nieuw schip dan, wordt gemaakt
door de eerste bemanning die haar in dienst stelt. Zoals bij een gezin met
kinderen, waar de ouders die met liefde en verstand en genegenheid die kinderen
opvoeden en grootbrengen en waarna die kinderen dat ook doen met hun kinderen
etc., etc. en zo verder, doet die eerste bemanning dat met hun boreling, dat
nieuwe schip. Liefde en geduld. Dat is opvoeding. Dat schip, de ziel van dat
schip, neemt dat over en zal, net als die kinderen, die opvoeding altijd bij
zich dragen.
Sentimenteel gewauwel van een oude marineman?
Ja, vast wel. Maar kijk eens diep in je zelf, kijk eens diep in je eigen ziel,
zou ik haast willen zeggen. Heb jezelf niet het idee dat de Almo een beetje een
kind van je is, of, op zijn minst, een aangenomen kind?
Voor de goede orde zal ik nu moeten beginnen
over de marine, nu ja, over het personeel van de marine. Over de Janmaat, de
Jan Kaas, de marineman, zeg maar. Ik ga nu het smalle pad tussen politieke
correctheid en de marineman-mentaliteit verlaten. In de tijd dat ik op de Almo
voer, was ze een zogenaamd ‘mannenschip’. Dat was nog in de tijd voordat
vrouwen ook voeren en naar zee gingen. In de jaren na mijn plaatsing op dat
schip gingen ook de vrouwelijke marine mensen, ik vind dat woord ook niet
helemaal goed, het schept een beetje een nare band, het lijkt haast op
discriminatie, maar is niet zo bedoeld, naar zee. Aanvankelijk was dat op Hr.
Ms. ZUIDERKRUIS, een ‘tanker’, zoals
dat in ons jargon heet, een bevoorradingsschip. Dat fraaie en, ook weer, goede
schip, had vanwege haar omvang, meer ruimte voor aparte hutten voor de aparte
geslachten aan boord. Het schip was nu eenmaal stukken groter dan een jager of
een fregat. Of, maar dat is logisch, mijnenvegers en zo.
Ik maak even wat afspraken, voor het gemak,
zodat ik niet de hele tijd op mijn woorden moet letten: als ik ‘maat’ schrijf,
of zeg, bedoel ik daar ook de vrouwelijke maten mee. Ik ga ook niet meer de
hele tijd Hr. Ms. schrijven als ik een marineschip benoem, dat kost te veel
papier, moet je maar denken. Veel van deze verhalen komen overigens van mijn
Blogs die ik ooit op het forum van de F 823 schreef. Ik heb ze alleen nog eens
wat nagelopen, bijgeslepen en, waar mogelijk, aangevuld. Het probleem is, dat
je op een gesloten forum als dat, die Andre beheert, veel dingen kan zeggen en
namen of functies kunt benoemen. Nu ik echt van plan ben om over onze Almo een
uit te geven boek te gaan schrijven, zal ik moeite moeten doen om die namen en
functies niet te verraden. Ook de verhalen die jullie me toegezonden hebben heb
ik, voor zover ik dat kon, verwerkt. Maar het is voornamelijk een bundel over
de Almo, toen ze nog een jonge meid was, net uit het dok, zeg maar (en ik was
toen nog een jonge vent met alle troebels van een ‘jongere’ man van dien).
Tot zover met me eens? Goed, dan is het nu
meerrol op post* en vertrekken we dus naar zee. Op de Almo!
Het
boek is in anekdotische stijl geschreven overigens. Ik heb het wat luchtig
willen houden.
* achter in deze bundel is er een, voor de met
een * aangeduide woorden, verklarende woordenlijst opgemaakt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten