Toen dus bleek dat alles ‘het deed’, zeg maar,
kwam de tijd om het schip over te nemen ‘van de werf’ en officieel in dienst te
stellen. Dat deed Van der Werf, hoe flauw kan je zijn?
Hoe dat eerste precies in zijn werk ging durf ik
je niet te zeggen, hoor. Maar veel hebben we er niet van gemerkt, moet ik
zeggen. Er zullen de nodige handtekeningen gezet zijn en zo en misschien heeft
onze ouwe wel een All Riskverzekering moeten nemen of een ‘Pech Onderweg’ polis
af moeten sluiten, ik weet dat echt niet. In ieder geval de Philips van Almonde
kon toegevoegd worden aan de vloot.
Op een koude en winderige woensdag trad de hele
bemanning aan op het halfdek, het zogeheten helidek. Er werd een
spreekgestoelte neergezet, een deel van de Marinierskapel stond opgesteld, er
waren stoelen aangesleept voor hele hoogwaardige gasten, waaronder de
toenmalige minister van defensie, de heer H.A.F.M.O. van Mierlo, ondertussen overleden.
Die man was een van de medeoprichters van een, toen nog enthousiaste en aardig
positieve nieuwe politieke partij, die de Haagse kussens wel eens even zou
opschudden. De Democraten ’66 noemden ze zich. Ik was, in die jaren, best wel
een fan van die partij. Toen!
(Ik ga niet over politiek beginnen, je weet het, iedereen doet wat hij/zij wil, stemt wat zij/hij wil, maar als ik nu die mijnheer Pechthold zie schutteren, met zijn Penthouse en zijn vriendin met nare zwangerschap onderbreking? In 2018 geschreven, natuurlijk, dan is mijn sympathie voor die partij al behoorlijk geslonken. Laatste nieuws, nu, begin oktober 2018 is dat die Pechthold afgetreden is.
(Ik ga niet over politiek beginnen, je weet het, iedereen doet wat hij/zij wil, stemt wat zij/hij wil, maar als ik nu die mijnheer Pechthold zie schutteren, met zijn Penthouse en zijn vriendin met nare zwangerschap onderbreking? In 2018 geschreven, natuurlijk, dan is mijn sympathie voor die partij al behoorlijk geslonken. Laatste nieuws, nu, begin oktober 2018 is dat die Pechthold afgetreden is.
Ik was, toen nog jong en onbezonnen, natuurlijk ook wel
een fan van die partij, omdat een van de andere medeoprichters van die D partij
een oud leraar Frans van me was, van de mulo. Nee, ik ga niet ingewikkeld doen
en me hoger maken dat wat ik ben. Ik heb als hoger onderwijs slechts de muloschool
doorlopen. Ja, het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. That’s it Folks. Geen High
School, geen Gymnasium, geen Atheneum of hoe spel je zulks. Gewoon, vier jaar
na de lagere school doorgezeten en niks bijgeleerd en dom gebleven. Van kale
boer tot Stip, dat is toch ook aardig! Als anekdote kan nog gelden dat ik
‘verkering’ had met de dochter van die mede oprichter van die partij. Mijn
Frans was, qua grammatica, niet al te best en zij kon er voor zorgen dat pa me betere cijfers
gaf dan ik eigenlijk verdiende. Ze verbeterde gewoon antwoorden in mijn
proefwerken voordat pa die moest corrigeren, dat deed hij thuis. Ik ben haar
eeuwig dankbaar gebleven, weet haar naam niet eens meer, maar het was een lief
ding. Even terzijde. Ik 'liep' zoals men toen zij, met ene Antje. Een fraaie blondine die op die leeftijd al allemaal verrukkelijke rondingen had, daar waar ze ze ook moest hebben, zeg maar. Alles gewoon helemaal onschuldig, natuurlijk. Maar met de dochter van die leraar Frans zat ik in het reuzenrad van de meest beroemde en oudste kermis en paardenmarkt ter wereld, die van Zuidlaren, te snoggen, zeg maar, niet door hebbende dat er een NTS, zo heette dat toen nog, cameraploeg het geheel zat te filmen en dus ook de mij en de vriendin had vastgelegd op beeld. Dat kwam dan weer in het 2000 uur Journaal, het enige en beste journaal dat we toenmaals hadden, en ja, de volgende ochtend was ik natuurlijk gewoon de eikel, de gek, de pisang en de l.. en de klootz.. en zo en ja, gek toch, de verkering was uit.)
De commandant maakte een fraaie en toepasselijke toespraak, waarna het commando klonk: “Front maken naar de vlag. Vlag en wimpel hijsen.” De eerste keer dat die woorden officieel aan boord werden uitgesproken. Het Wilhelmus klonk, wij salueerden correct en als een man en zo was de Philips van Almonde opeens ‘Hare Majesteits Philips van Almonde’ geworden. Voor iedereen een plechtig moment en dat meen ik echt. Er was een borrel na, nu ja, die Van Mierlo spoog er niet in, hoor, na afloop, er waren hapjes en het was een feestelijke middag die, door ons, feestelijk werd afgesloten in de Leeuwenkuil, zeg maar.
De dag daarop vertrokken we naar onze nieuwe
thuishaven, het overigens hele vervelende en saaie en dooddoende en nare Den
Helder, wat een pokkengat is me dat! We werden daar dan wel warm onthaald, hoor, er
stonden veel mensen op de steiger, veel familieleden natuurlijk en die juichten
en zwaaiden en, in de havenkom, spoten vele havenslepers grote bogen water. Andere
schepen lieten hun sirenes janken en hun alarmen afgaan. Wij, de bemanning, stonden
model aangetreden en het deed ons allemaal wel goed.
De rest van het jaar ging op aan allerlei haven
oefeningen. Denk hierbij aan havenbranden, aan bezoeken aan en van de NBCD*
school, we kregen extra opleidingen en cursussen en we namen de laatste voorraden
in. Eind december gingen we met winter verlof, allen met een voldaan gevoel,
goh dat schip gaat het helemaal worden. De sfeer aan boord was goed, er was
geen animositeit tussen de verblijven, we konden het allemaal goed vinden en
ja, het schip klopte, mensen onderling klopten, apparatuur klopte, bevoorrading
klopte en, heel belangrijk, het eten klopte ook al helemaal. We hadden een
geweldige kombuisploeg, onder leiding van een chef-kok, die ook nog eens voor
het koninklijk huis had gekookt.
(Ik moet dit even kwijt over KM kokologen: wat
die gasten, tegenwoordig natuurlijk m/v klaarspelen op een relatief kleine
oppervlak, met slingerende kooktoestellen, spattend en kokend water, grenst aan
het ongelooflijke. Ik heb, noem het zielig, nog bijna nooit zo lekker gegeten,
vooral rijsttafels en zo, als bij de KM.)
Maar goed, dat geldt wel voor elke marineman, hoor. Die marine lui doen
dingen die je in de burgermaatschappij niet voor mogelijk houdt, denk alleen
maar aan het BOZ’en tijdens een enorme zee en met slecht weer, met ijs en
sneeuw en zo. Hetgeen natuurlijk niet in verhouding staat tot wat de mannen van
de houten zeilschepen moesten ondergaan in stormnachten op smalle ra’s en met
klapperende zeilen en zo.)
Na het winterverlof gingen we als ‘schip van de
wacht* varen en we combineerden dat met het inwerken van onze vaardigheden in
het opwerken van ons schip en de CC met het werken met helikopters. Natuurlijk
bood elk schip van deze klasse plaats aan twee Lynx heli’s maar die waren er,
zoals al eerder gezegd, vaak helemaal niet. De reden daarvoor was
waarschijnlijk geldgebrek of zo of leveringsproblemen bij de fabrikant, of ze
waren te duur of werden ergens in Libië op een strand gezet.
Hoe dan ook, er werd nu wel een toestel ter
beschikking gesteld en dat dan ook dagenlang, later avonden en nachten lang, en
er werd geoefend met het oplanden en het opstijgen en vastzetten van de
machine, maar natuurlijk werd er ook heel intensief geoefend met de sonar opsporing
apparatuur die de heli aan boord had en dan met het schip verbinding maakte.
Het waren saaie dagen en lange nachten voor een groot deel van de bemanning,
hoewel de boerennachtsgasten* er niet al te veel last van hadden, eerlijk
gezegd.
Af en toe werd er natuurlijk, ook ’s nachts, een
zogenaamde voorzorgslanding gepland. Dat wil zeggen dat de heli zogenaamd in de
problemen was en met moeite naar boord terugkwam, zodat het zeewacht brandpiket*,
aan moest treden, dan, waar mogelijk de brand moest blussen en, heel
belangrijk, de bemanning redden die dan weer door de Medische Actie Dienst
moest worden afgevoerd naar de ziekenboeg. Dat waren intensieve oefeningen
hoor, geloof het maar. Maar we leerden veel en vaak ging het ook bijna altijd helemaal
goed.
(Ook de Duitse marine had ons gevonden. Zij hadden nieuwe fregatten in
de aanbouw, schepen op die van onze format schepen was overgenomen en die
hadden dus ook heli’s aan boord. Ook met hen oefenden we de heli’s en hun
bemanningen. Wij waren nu ondertussen al aardig door de wol geverfd met al dat
oplanden en zo, maar de Duitse bemanningen hadden nog veel te leren. Niet
zozeer dat ze slechte vliegers waren, of slechte crews hadden, dat helemaal
niet, maar hun en onze procedures kwamen, ondanks dat we dezelfde NAVO-procedures
hadden, niet helemaal overeen. Natuurlijk hadden ze, in die jaren, ook nog niet
de fregatten zoals wij die hadden. (Hun later Sachsen klasse was afgeleid van
onze Kortenaer schepen, voor zover ik het begrijp. Maar ja, het lukte hen en
ons om goede collegae te worden, na al die oefeningen dronken we vaak
gezamenlijk een biertje en ‘we didn’t talk about the war’ John Cleese. Verderop
meer)
Het ging dus bijna altijd helemaal goed, zoals
ik al schreef. Bijna altijd en die woorden zijn een tijd lang blijven hangen
aan boord.
Professionals, ja, dat waren we, wij allen, dat
waren we geworden na heel veel werken en trainen. Niet alleen bak één was dat,
of de ouwe mannen of de gasten in het caf, maar ook en al helemaal de korpen. Anders
waren we waarschijnlijk niet geplaatst aan boord van een van de nieuwste en
modernste prauwen van de Zeemacht. Ik gaf het al eerder aan: vanaf die bak één,
de officieren, tot de laagste milicien, maar dat moet je niet echt letterlijk
nemen, met laagste bedoel ik alleen maar de mensen die geografisch ver
verwijderd van de Longroom leefden en werkten, waren wij allemaal, pro’s. (Zeg
niet dat je een pro bent in Australië, overigens, daar betekent dat woord heel
wat anders, zoals een vrouwelijk opvarende van de Van Brakel ooit meemaakte. In Down Under betekent Pro dat je een
prostituee bent, namelijk.)
Even een paar terzijdes, die jullie misschien al
eens eerder gelezen hebben:
Maar goed, zoals gezegd, wij waren het allemaal
wel. Profs, dus, Ik las een paar hele leuke reacties van toenmalige collegae korporaals,
naar aanleiding van wat Blogjes die ik ooit eens schreef op de site van de Almo
en ja, ik herkende de mannen nog, las met vreugde hun reacties en had dezelfde
gevoelens als zij hadden bij en in die tijd: Top! Het waren goede jaren, en het
was inderdaad een goede bemanning!
(Ik moet me overigens verontschuldigen bij W.,
die Gipsy genoemd werd aan boord en die ik zo ook heb opgevoerd. Ik heb hem
jaren ouder ingeschat dan dat hij werkelijk is. Voor die arrogantie ga ik diep
door het stof, man. Excuus. Gipsy heeft die excuses aanvaard en vind het een ondertussen
een Geuzennaam en da’s het ook.)
Maar, het was wel een heel jong korpetijnen, of
korpedanten, (korporaals) verblijf, toen hoor. De technologie, voor wat de
computers en alles wat er mee gedaan werd of mee gedaan kon worden betrof,
stond nog in haar baby, nu ja, foetus, schoentjes. Maar, aan boord van die
nieuwe fregatten was ze wel al heel erg aanwezig. (Ik ga jullie het gemopper
van de SMJR Hans, die voornamelijk belast was om het hele systeem draaiende te
houden besparen, maar er waren een heleboel ‘Fuck ups’ en dus een boel ‘Fuck U’s
zo.) Maar in ons (selecte) groepje mannen zaten ook een heleboel jonge gasten,
wij noemden hen de ‘Whizzkids’ die het allemaal hadden over bits en bytes en nou ja, van dat soort zaken, dus. Dat was toen wel al heel
ver qua ic-technologie en zo, wij, de oudere mannen, snapten er geen reet van,
toen, maar nu? Dat soort zaken weet de doorsnee man/vrouw die wel eens knoppen
bonkt, ondertussen allemaal.
Maar goed, al die Whizzkids, dat heette toen de WD-groep,
als ik het goed heb,
en al de wat oudere lu…., onder andere de twee
konstabel korpen en Gipsy en ik, de KPL toelis, vele KPL’s machinisten en zo,
zaten allemaal in dat ene verblijf. En, het was een goed verblijf, maar dat
vertelde ik al vaak.
Dus over dat professioneel zijn dan.
In die jaren kwamen de nieuwe heli’s van de KM,
de Lynxen, ik noemde het onderwerp heli’s al even, net inrouleren, zeg maar.
Niet echt helemaal nieuw, maar ieder geval een verbeterde versie ervan, of zo.
Maar ook bij de marine van onze oosterburen, de Deutsche Bundes Marine dus. In
elk geval, de Almo mocht en moest die heli’s af oefenen en dus werd op die
manier meteen onze CC, en ook de vlieg mannen dan, de lessing paaien* en de
VDO, de Vlieg Dek Officier, dat was vaak de oudst aanwezende Onderofficier van
de mariniers, af geoefend voor het op- en af landen van heli’s. Maar ook de MAD
kon veel oefenen op het eventueel af te voeren van gewonden en zo. Dat was
allemaal een hele goeie zaak dus.
Het was in maart ’82 dat we daar mee begonnen.
Intensieve weken van hard werken en veel oefenen en hele lange dagen en soms
nachten maken. (Ook nachtoefeningen werden er gedaan, natuurlijk.) Het was echt
hard werken en hard oefenen en vooral uren maken. En dat vooral voor de mannen
die echt betrokken waren bij de vliegdienst mensen, voor de helikopter directie
mannen, of de vliegdek officier, maar natuurlijk ook voor die eerdergenoemde paaien,
voor de mensen op de brug en de TD en, nu ja, wees eerlijk, eigenlijk was het
gewoon druk voor de hele bemanning. De kokologen zorgden ervoor dat er de hele
nacht door soep en sandwiches en koffie was, nu ja, noem maar op.
We gingen dan vaak op maandag morgen vroeg naar
zee, we kwamen vrijdag laat terug en waren een hele week, en dat wekenlang
achter elkaar, bezig met die choppers. Ja, ook weer de LD, had het zwaar,
vergeet niet dat de MAD uit bijna de hele LDV, bestond. Dus die mannen moesten,
na weer een oefening, die tot half twaalf duurde, zorgen dat er om twaalf uur,
als het middagmaaltijd was, nog even als de raphazen het eten in de bakken
doen, tafels dekken, eten opvoeren naar de andere verblijven en al dat gedoe
meer.
De Duitse Heli ploeg verbleef die dagen aan
boord, keurig gerangschikt, natuurlijk. Manschaftten bei Manschafften,
Unteroffiziere bei Unteroffiezere, nu ja, je begrijpt me. Het was aardig volk,
het waren professionele marine lui en we wisselden woorden en grappen en hadden
het, hoe kan het anders, veel over het voetbal. Elke dag oefenden we, ook in de
nachten en ja, wij leerden en zij leerden. Alles ging goed, er was geen averij,
er waren geen misverstanden, de ploegen deden hun uiterste best en ja, no
problemo’s, keine probleme.
Tot de laatste dag. Toen ging het mis, echt mis.
De laatste landing was voorbij. De laatste heli ging haars weegs. We hadden de
bemanning leren kennen
Wij waren dat weekend nog wel schip van de wacht*
en in mijn tijd, sprak de grijsaard, was je dat ook nog een hele week en dus
ook in het weekend en dat ook nog eens buiten op zee. Goed, het was dus
weekend, einde van alle heli oefeningen en van de vliegploegen en ja, dus
gingen we maar en klaverjasje leggen om de verveling te verdrijven.
Nauwelijks hadden we onze eerste Grolsch
ingeschonken, Almo volk, veel Tukkers aan boord, natuurlijk, had het niet zo
met Ome Freddy H., of de brug riep iets om, met heli’s en zo, maar dat was heel
onduidelijk. Het was bijna 1 april, dus iedereen reageerde wat lacherig. Maar
collega S., de man van de Heli Inlu.
Centrale, kwam het verblijf binnen stieren. “Mannen, safeguard*, die
laatste chopper* is van het scherm! Vermoedelijk neergestort! Ik hoorde dat de
ouwe een zoek opdracht kreeg van CZM!’ Hij verdween in de looppas weer naar
zijn post, ergens daar onder in het schip. Die ruimte die wij, niet ODOPS’en,
de Fregglegrot noemden.
Voordat de CDT zijn eigenlijke oproep deed via
de scheepsomroep, stonden wij, de hele bemanning, allemaal al weer op post.
Geen biertje meer, geen kaartspelletje, geen gezeik of gegriep, gewoon de
mannen, de professionals, stonden er weer! Zoals het betaamt van professionele
zeelui. Zoals wij, de mensen van de Almo waren. De SPODO’s, de Nauten, de MAD,
de WD, de TD, de OD en ik vergeet natuurlijk hele groepen, zonder opzet
overigens, iedereen was op post en zonder morren. Het schip was gereed voor
alle eventualiteiten.
We hebben achtenveertig uur gezocht naar die
vermiste heli. Ieder voorwerp dat op de zeebodem lag werd door de mannen, die
de sonar deden, bekeken. Alles wat geen ‘water’ was, maar dreef, hebben de
Nauten opgepikt, met de zodiac of met dreg haken of zo en die werden ook
onderzocht. Maar: helaas. Geen resultaat. Drie collegae verdronken. Ik geloof
dat er twee van hen aangespoeld zijn ergens op een Duits Waddeneiland of misschien
door een schip zijn opgepikt.
Wij moesten die zondag echt naar binnen. We
hadden geen peut meer, door al dat zoeken en zo. Een ander schip nam het van
ons over. Tot onze spijt. Want de hele bemanning had graag door willen gaan met
de zoekopdracht. Die Duitse vliegers waren onze ‘mannen’ geworden, begrijp je?
Jaren later heb ik, met een ander fregat, ook eens iets dergelijks
meegemaakt. Toen was er een Australisch vliegtuigje verdwenen. Het was vermoedelijk
neergestort in de buurt van het Grote Barrièrerif. We hebben daar ook 48 uur
naar gezocht. Een ander verhaal, dat misschien ooit wel eens wordt
opgeschreven. ) In het kort, we zochten urenlang, schijnwerpers, bemanning op
post, je kent het wel. Opeens voelden en hoorden we een ‘BUMP’ in het voorschip. Vermoedelijk was het
vliegtuigje blijven ‘zweven’ en heeft onze dome het tot zinken gebracht, maar
ja, dat is nooit zeker, nietwaar?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten