Een andere, vaak niet naar behoren genoemde
groep schepelingen is de al eerdergenoemde LDA. De Logistieke Dienst
Administratie, de ‘toelissen*’ zeg maar. Dat zijn de mensen die de hele
administratie van het schip bijhouden. Alle kosten die worden gemaakt, alle
beoordelingen die worden opgemaakt, de straffen, de salarissen, nu ja de toelages
dan, de declaraties, de voorschotten, kortom, alle financiën en alle
persoonlijke berichten gingen via die mensen. (En nog veel meer, natuurlijk.)
De Almo had vijf van hen aan boord en ja,
wederom, het klinkt saai, allemaal vakmensen en vooral, maar dat hoorde je al,
dat gold voor de hele bemanning, gedreven mensen. De chef was ene Rein, een al
wat oudere SMJR. Hij had een KPL naast zich, die een ander bureau voerde en
drie schrijvers een waarvan Anton een bijzondere plaats in nam. Anton was een
fervente Vitesse supporter. De KPL heette Jan en kon later een mooie plaatsing
voor me regelen aan boord een ander fregat in een fraaie en verre Verre Oosten
reis.
Maar goed, Rein en zijn bureau zorgden ervoor
dat je nooit op je centen hoefde te wachten, nooit achter je reisdeclaraties
aan moest rennen, maar dat je die al had, voor dat je de reis begon, zeg maar.
Waarschijnlijk was dat helemaal tegen de regels in, maar ja, zo ging het wel op
de Almo. Ik kom later op Rein terug, in het hoofdstuk over Delfzijl.
De twee andere toelissen, waaronder ene Gerard, waren
ook goud waard, hoor, het was, ja het klinkt als een litanie, een geweldige
ploeg. Ook ene Willem deed heel veel duiten in heel veel zakjes en is nog steeds, begrijp ik, een fanatieke 010 aanhanger. (Een van die schrijvers had de wat vreemde bijnaam: Shirley Stempel, overigens.)
Ik weet, ik schreef dat al, dat ik niet alle
data meer heb, maar ik geloof dat we een week of drie achter elkaar op zee
zaten en daarna een eerste haven aandeden, dat was Haakonsvern in Noorwegen. Haakonsvern
is zeg maar het Den Helder van Noorwegen en ligt in de buurt van Bergen. We
voeren een eind een prachtige fjord op en ik werd weer eens verliefd op de
ruige natuur en de prachtige aanblikken die het Noordse land bood. (Ik was er
ooit al eens geweest, met een ander schip, namelijk.) Jaren later zou ik het
land nog beter leren kennen, toen ik een aantal winters met het Korps mocht
oefenen boven de poolcirkel.
We kregen van onze ouwe de tijd om te gaan
stappen in Bergen, maar die stad ligt toch een behoorlijk stuk verderop, dus er
waren niet veel liefhebbers om de geneugten van de dure Noorse horeca te willen
leren kennen. Want de Noorse horeca is helemaal niet goedkoop. Ik herinner me
uit mijn marinierstijd dat je voor een halve liter bier vijftien euro moest
neertellen, lekker en goed gehopt bier dat wel, maar ja, dat was geen aanrader.
Er was echter wel een soort oploopkantine, een soort instuif café, op de haven
en daar gingen we dan maar een overigens veel goedkoper maar nog steeds heel duur
biertje doen. Er zaten wat Noorse maten en we gingen al gauw bij elkaar zitten.
We leerden scheldwoorden van hen en gebruikten lange tijd later nog steeds
woorden als: Swettelule en Arshool. Heel erg Noors was dat overigens niet, maar
goedkope vertalingen van bij ons in zwang zijnde vloeken, zeg maar.
Een van onze onderofficieren was overigens wel
naar de stad gegaan en had daar een aardige dame opgeduikeld. Hij zag er wel
wat in en ging helemaal op de romantische tour. Hij nam haar mee uit eten en
zo. Nu is voedsel in Noorwegen goed te betalen, maar niet te knagen, maar ja,
onze sergeant ‘Don Juan’ moest er ook zo nodig twee flessen wijn tegen
aanknallen, vermoedelijk niet wetende hoeveel wijn en andere alcoholische
versnaperingen in dat land kostten. Toen de rekening kwam, was hij meteen blut.
De dame in kwestie meldde dat ze terug naar huis ging, haar man paste op de
kleine. Hij was tot tranen toe geroerd of beroerd. Een van zijn maten heeft een
taxi van de haven moeten nemen om hem terug naar boord te krijgen. Hoe die
liefde verder verlopen is, durf ik niet te zeggen.
Ondertussen deden de wervianen het goed, nu ja,
meer dan goed, aan boord. Er waren natuurlijk allemaal ‘dingetjes’ die moesten
worden verholpen. Veel kleine dingetjes natuurlijk, maar die konden ter plekke
worden gedaan. Niet goed afgehangen deuren, rare uitstekende stukken metaal aan
schotten of deuren, een heleboel kleinere reparaties aan allerlei soorten
apparatuur, het werd ter plekke verholpen, zonder klagen en zonder gemekker.
Die wervianen hadden overigens de beschikking over een eigen hut aan boord,
omdat wij nog niet volledig bemand waren. We waren immers nog niet operationeel
immers? Veel van die mannen dronken hun biertje bij ons of in het caf of in een
van de andere verblijven en dat was altijd gezellig. Wel moesten ze erg wennen
aan de KM humor en de manier van spreken, nu ja de manier van ons ‘leegdrukken’,
zeg maar. De wervianen waren natuurlijk burgers, natuurlijk ook met hun eigen
idioom, maar toch.
Een van onze meest notoire figuren aan boord,
een kwartiermeester, ik kom nog uitgebreid op hem terug, was vrij direct in
zijn uitleg van dingen tegen zijn personeel. Toen een van die matrozen iets
verkeerds had gedaan of had begrepen sprak hij de man dan ook op zijn bekende
manier toe. Ik stond daar toevallig bij en ja, ik werd er niet warm of koud van,
gewend zijnde aan de KM taal. De matroos in kwestie, die zo bars werd
toegesproken overigens, ook niet maar een
werviaan, mijn latere en nog steeds goede vriend Ben, die het ‘gesprek’ ook had
gehoord, een echte Rotterdammer en een man met zijn hart op zijn tong, werd wat
bleek en zei: “Maar zo ga je toch niet mensen om?” De KWMR in kwestie bromde
wat van dat en dat zo hoorde en Ben zei: “Man, je hebt bruine ratten en
rioolratten en jij mag zelf bedenken wie van de twee jij bent.” Hij liep weg en
liet de KWMR sprakeloos achter.
Wij, de ziekenboeg, hadden een probleem met
onze, hele chique, medische store. Ik melde dat aan Ben, de man met de leiding
en hij vertelde me dat het helemaal ok kwam. De volgende dag stonden er twee
wervianen een hele dag te prutsen en te hameren en te timmeren en te boren en
daarna: nooit meer een centje pijn. (Nou ja, of dat kwam door de Paracetamol of
de Ascal die in dat magazijn lagen? Nee, dit is zo flauw, nee, dit moet ik
schrappen.) Maar, wij zongen in die tijd vaak het Fabeltjeskrant lied: ‘Hup daar is Willem met de waterpomptang, de
nijptang en de combinatietang als het over hen ging, maar dat was allemaal goed
bedoeld en wij, marine en werf, kwamen heel goed door alle deuren. Aan het
einde van de proefvaart beloonde de werf, Wilton-en-de-naam-die-ik-niet-kan-uitspreken,
ons. In natura, geld mochten ze niet geven. Maar: we kregen bonnen te besteden
in onze toko. Feest. Konden we nu gratis bier en zo kopen? Nou, nee, maar we
mochten wel toko* dingen kopen, zoals tandpasta en haarlotionnetjes en zo. Of
zo. Ja, wat doe je dan? We kochten scheerschuim. Hoe veel bussen scheerschuim kan
je voor een leuk bedrag kopen? Nou ja, veel. ‘Meligheid kent geen tijd’, zei
ooit de bekende filosoof Paco Saul, een goede vriend van me. Dus achtervolgden
we elkaar, ik geloof dat het niet alleen de KPL’s waren, maar dat de mannen van
het (overigens fantastische caf) het ook waren die een klopjacht in zetten op
de mannen van de werf. Nou, misschien deden die werf mannen het bij ons, wij
van de marine zijn niet zo agressief, namelijk. Wat haal je uit een bus
scheerschuim? Veel, heel veel, toiletten vol, heb ik gemerkt toen een van de
werfmensen mijn gezicht volspoot en ik hem achtervolgde naar het toilet OOFF.
Nadat mijn bus leeg was, was de ruimte vol. Hij zat ook als een sneeuwpop op de
plee. Hij had zwarte wenkbrauwen, alleen daar aan was hij te herkennen. Laat ik
zo zeggen: we dronken het af. Tot laat op de avond en laat in de nacht.
Later deden we Stavanger nog aan. We laadden
daar olie en konden even trachtten nog even naar huis te bellen vanaf de
steiger, maar verder was het hurry up en weer varen, hoor. Onze ouwe had haast
om het schip in dienst te stellen. We deden in die buurt, in een stille fjord, dan
die ‘gemeten mijl’, onder andere, waarbij ons spliksplinter en helemaal baroe*
fregat het maximale uit de machinerie kon persen. Vraag me niet meer hoeveel
mijl we haalden, maar het was genoeg om met je auto binnen de bebouwde kom een
fikse prent te krijgen, in ieder geval. In de bebouwde kom is dat, ja dat weten
jullie, 50 km per uur, maar de oude dame bereikte iets van vijftig mijl (maal
1,852 kilomter) per uur.
Als het schip dan ook van ‘nul’ naar ‘vol
vermogen’ ging dan leek het wel als of je achterover in je stoel gedrukt werd,
zo snel ging dat. De boeg van het schip kwam dan uit het water en het schip had
een enorme schuim snor voor de boeg en een enorm schuimspoor, zoals een
speedboot dat heeft, achter haar fraaie bips.
Wat zich nu echter en wat helaas wel heel naar was,
voordeed was de enorme heibel (zeg maar het ontiegelijke lawaai) in de
achterste slaapverblijven. Bij iets meer dan een vaart van een mijl of vijftien
was het verblijven, laat staan slapen, daar een onmogelijkheid. Dat weet, van
het werkwoord wijten, men, na veel en landurig onderzoek en na vele en luide
klachten, aan het: ‘imploderen van luchtbellen langs de randen van de schroeven’.
Men heeft dat, na allerlei testen, ook wel iets kunnen verhelpen, maar helemaal
rustig werd het nooit.
Ik heb ooit eens een nacht doorgebracht in een
van die slaapverblijven en ja, ik begreep heel goed dat de bewoners van die
slaapverblijven wel eens een extra slaapmutsje nodig hadden.
In die tijd deden we ook nog een, voor mij
onvergetelijke haven aan, nee, dat zeg ik fout. We gingen voor de spijker* op
een onvergetelijke ankerplaats, Torbay.
Torbay is een baai die aan de zuidkust van Engeland, helemaal afgescheiden van
de heersende westenwinden ligt. Het is een fraaie inham, waarschijnlijk
ontstaan door de warme golfstroom die hier, vanuit de tropen, aan land komt,
zeg maar. In het noorden van de baai ligt de belangrijkste stad: Torquay. Het zuidelijke eindpunt van Torbay is Berry Head,
een plaats waar de naamgever van ons schip zijn invasie voor (koning)
stadhouder Willem de Derde heeft uitgevoerd.
Omdat we voor de spijker lagen konden we
slechts per wacht divisie aan wal. De ene helft van de bemanning op zaterdag
middag en de andere club had dan de hele zondag. Torquay is overigens een
fraaie en typisch Britse badstad, met een fraaie boulevard, met palmen
inderdaad. In het plaatsje is Agatha Christie geboren.
Vanwege
het milde klimaat zijn in die Torbay aan de kust veel palmbomen te zien. Deze
'palm' is echter eigenlijk de Cordyline Australis afkomstig uit Nieuw-Zeeland. Deze bomen zijn ook elders in het VK te zien,
maar waren als eerste in deze regio te vinden. (geleend uit Wiki,
natuurlijk.)
Maar goed, we lagen in Torbay, het weer was
uitzonderlijk goed, ik was op zaterdag avond de wal op geweest met een heerlijk
clubje maten en we hadden ons de pints lekker laten smaken. Die zondag had ik de
wacht. Paul, de ziekenpa, was nu gaan fototrippen, foto’s maken aan de wal,
zoals dat eufemistisch heet voor een enorm aantal pinten pakken en ik nam de gelegenheid te baat om het schip eens
helemaal echt te gaan verkennen. Gedurende de afgelopen weken was daar niet
heel erg veel tijd voor geweest. Maar: man, man, man. Wat een ruimtes had je
daar in dat schip, plaatsen en plekken waar je helemaal geen besef van had. Ik
kwam in de zogenaamde meelbergplaats, ik kwam in allerlei opslagruimtes van de
TD en de WD en in de LOS, Licht Ontvlambare Stoffen, bergplaats en ja, ik had,
na een uur of vier gekruip, geklim en gesjouw, wel een aardig idee hoe complex
zo een schip is. Ik mocht met de stoker van de wacht mee op zijn ronde, langs
de dikke motoren, maar ook langs de Brein pomp, zoals dat heette. Braine pomp,
bleek het te zijn, was achteraf de pomp die menselijke uitscheidingen overboord
zette, na ze eerst vermalen en zo te hebben. Man, dat was een shit rondje, zeg maar!
Er was nauwelijks werk, tijdens mijn wacht, het
schip was dan ook half verlaten natuurlijk, het was een zondagmiddag dus de helft van
de bemanning die niet op post was lag of te snurken of keek tv of deed andere ontspannen
dingen, dus zocht ik het hangar dek maar op. De vloed ging uit, dus ons schip
lag met haar togus naar buiten. (oeps, zei ik togus? Nee, ik bedoel bips,
natuurlijk.) Hoewel de inwoners om en rond Torbay natuurlijk vaak meerdere
schepen voor anker zagen liggen, was de aanblik van een dergelijke moderne en
sierlijke gevechtsmachine wel nieuw en indrukwekkend. Vanuit de verre omgeving
kwamen dan ook plezierbootjes, rondvaartboten of zelfs stevigere prive jachten
dat schip, met de driekleur die hen, in hun collectieve geheugen nog wel wat
moest zeggen, (vier oorlogen hebben we tegen die gasten gevoerd, immers) voorbij
ons schip varen en ons bewonderend bekijken.
(Ik zeg nu wel het ‘collectieve geheugen’. In
geen enkel land ter wereld is er zoveel geschiedenis gevoel als in de UK. Ik
weet haast zeker, ik weet het echt zeker, dat ze de invasie van onze Flupke van A. nog nooit vergeten zijn, net zoals ze het stukvaren van de ketting over de
Theems (Jan van Brakel, deed dat) en de regering van ‘onze’ koning/stadhouder
zullen ze ook nooit vergeten zijn!)
Goed, ik wandelde wat op en neer op het
helidek, dronk een mok koffie, rookte en hoorde fraaie Engelse complimenten
overwaaien. Ik probeerde die te beantwoorden en merkte opeens dat een collega, ook
een Peter, zich nogal aan het uitsloven was met zijn gewichten op het heli dek,
aan het hekwerk en goed in het zicht van een jachtje met nogal wat vrouwelijke,
in behoorlijk kleine en dus opwindende badpakken gehulde, bemanning.
Peter was onze korporaal kok en ja, zoals dat
gaat op die schepen, ook onze bakker en een hele verrekte goede. Peet was een
liefhebber van bodybuilding, zoals dat toen heette, maar nu ‘fitness’ wordt
genoemd. Het was nog allemaal heel ver voor de tijd van de sportscholen, hoor. Zoals
veel mensen die aan body builden doen was hij enigszins narcistisch. Da’s
helemaal niet erg, natuurlijk. Als je der goed uitziet mag je dat laten blijken
en laten zien. Ik heb er niets op tegen in elk geval. Enfin, ik wilde dat ik
een beetje meer was zoals hij, maar in die tijd bewoog ik niet al te veel.
(Tegenwoordig word ik nog wel eens begroet
met: 'man wat zie je er afgetraind uit!’ Dat doet me deugd, maar voor hen, de
lezertjes die zich mij nog herinneren uit die tijd, was ik inderdaad 25
centimeter te kort voor mijn gewicht. Na Delfzijl, daarover later meer, ben ik,
door de invloed van mijn maatje Peter, een konstabel, gaan bewegen. Eerst een
rondje vliegdek, daarna twee, zes, acht rondjes schip en verder. Ik viel, door
de invloed van die Peter, in een half jaar 24 kilo af. Ik ben wel weer eens wat
aangekomen, maar blijf nu, omdat ik veel fiets, aardig op mijn gewicht.
Geschreven in de zomer van 2018.)
Ik zwaaide naar dat jachtje en naar de
schaars geklede dames en zag Peter met zijn gewichten naar de hangar sjouwen en
op een stoel gaan zitten, de gewichten op het dek leggend. Het was heerlijk,
bijna subtropisch weer, zoals dat daar vaak is en ik besloot lekker aan dek te blijven. Als men mij
nodig had zouden ze me wel omroepen, wist ik.
Even later kwam er een vlotte speedboot vanaf
het haventje gevaren met weer een stel lekkere meiden in weer hele vlotte bad
kledij aan boord. Ik stond, ik geef dat toe, een beetje verlekkerd te kijken
naar dat fraai afgeronde spul toen ik opeens Peet naast me weer op zag duiken,
nu met de gewichten naar boven gericht en met gestrekte armen en zo bezig. Ik
deed aan verbetering van de relaties tussen de beide koninkrijken, gezien de
vele oorlogen die we hadden gevoerd, zoals vermeld en ik zwaaide en wuifde weer vriendelijk.
Er werd terug gewuifd en zo en leuke dingen geroepen en het bootje gaf een dot
gas en spoot weg. Ik keek om en zag Peter weer plaatsnemen op zijn stoel en de
gewichten rustten weer. Dat ging nog een paar maal zo door en toen begreep ik
dat hij inderdaad heel narcistisch was. Hij kwam alleen in het zicht met zijn
gewichten als hij bekijks had! Ik lachte wat voor me uit.
Maar, een ding is zeker, narcist of niet: hij
was een geweldige bakker die elke dag vers brood bakte voor de bemanning, hij
bakte bruin/wit, volkoren, meergranen en kleinbrood, van alles. Ook bakte hij
taarten voor de, die dag, jarige janmaat. En: zijn zoute koekjes heb ik nooit
meer zo lekker gevonden als die van hem, maar hij geloofde dat nooit! Ik heb
later veel gezocht naar ‘zoute koekjes’ zoals die van hem, maar nooit gevonden.
Helaas, hij had van zichzelf besloten dat zijn zoute bakwaren niet geslaagd
waren, dus vaak geen zoutjes op het menu! (Nu ja, het kan natuurlijk ook zijn
dat hij het, terecht een rotwerk vond om bladerdeeg te maken, waaruit dat soort
zoutjes bestaan. En, geloof me, dat is het ook, weet ik uit mislukte ervaring.)
Ik beleef het weer allemaal vanuit nu de luie stoel en de schaatsen die ik kreeg van Kees Verkerk de schaatser die toen aa/b kwam voor een biertje heb ik nog steeds Maar ik geniet van de proza die je schrijf HELEMAAL zo als het was SUPER LUCAS
BeantwoordenVerwijderen