zondag 16 december 2018

De Almo, deel 7, (Proefvaart II)


Een andere, vaak niet naar behoren genoemde groep schepelingen is de al eerdergenoemde LDA. De Logistieke Dienst Administratie, de ‘toelissen*’ zeg maar. Dat zijn de mensen die de hele administratie van het schip bijhouden. Alle kosten die worden gemaakt, alle beoordelingen die worden opgemaakt, de straffen, de salarissen, nu ja de toelages dan, de declaraties, de voorschotten, kortom, alle financiën en alle persoonlijke berichten gingen via die mensen. (En nog veel meer, natuurlijk.)
De Almo had vijf van hen aan boord en ja, wederom, het klinkt saai, allemaal vakmensen en vooral, maar dat hoorde je al, dat gold voor de hele bemanning, gedreven mensen. De chef was ene Rein, een al wat oudere SMJR. Hij had een KPL naast zich, die een ander bureau voerde en drie schrijvers een waarvan Anton een bijzondere plaats in nam. Anton was een fervente Vitesse supporter. De KPL heette Jan en kon later een mooie plaatsing voor me regelen aan boord een ander fregat in een fraaie en verre Verre Oosten reis.
Maar goed, Rein en zijn bureau zorgden ervoor dat je nooit op je centen hoefde te wachten, nooit achter je reisdeclaraties aan moest rennen, maar dat je die al had, voor dat je de reis begon, zeg maar. Waarschijnlijk was dat helemaal tegen de regels in, maar ja, zo ging het wel op de Almo. Ik kom later op Rein terug, in het hoofdstuk over Delfzijl.
De twee andere toelissen, waaronder ene Gerard, waren ook goud waard, hoor, het was, ja het klinkt als een litanie, een geweldige ploeg. Ook ene Willem deed heel veel duiten in heel veel zakjes en is nog steeds, begrijp ik, een fanatieke 010 aanhanger. (Een van die schrijvers had de wat vreemde bijnaam: Shirley Stempel, overigens.)
Ik weet, ik schreef dat al, dat ik niet alle data meer heb, maar ik geloof dat we een week of drie achter elkaar op zee zaten en daarna een eerste haven aandeden, dat was Haakonsvern in Noorwegen. Haakonsvern is zeg maar het Den Helder van Noorwegen en ligt in de buurt van Bergen. We voeren een eind een prachtige fjord op en ik werd weer eens verliefd op de ruige natuur en de prachtige aanblikken die het Noordse land bood. (Ik was er ooit al eens geweest, met een ander schip, namelijk.) Jaren later zou ik het land nog beter leren kennen, toen ik een aantal winters met het Korps mocht oefenen boven de poolcirkel.
We kregen van onze ouwe de tijd om te gaan stappen in Bergen, maar die stad ligt toch een behoorlijk stuk verderop, dus er waren niet veel liefhebbers om de geneugten van de dure Noorse horeca te willen leren kennen. Want de Noorse horeca is helemaal niet goedkoop. Ik herinner me uit mijn marinierstijd dat je voor een halve liter bier vijftien euro moest neertellen, lekker en goed gehopt bier dat wel, maar ja, dat was geen aanrader. Er was echter wel een soort oploopkantine, een soort instuif café, op de haven en daar gingen we dan maar een overigens veel goedkoper maar nog steeds heel duur biertje doen. Er zaten wat Noorse maten en we gingen al gauw bij elkaar zitten. We leerden scheldwoorden van hen en gebruikten lange tijd later nog steeds woorden als: Swettelule en Arshool. Heel erg Noors was dat overigens niet, maar goedkope vertalingen van bij ons in zwang zijnde vloeken, zeg maar.

Een van onze onderofficieren was overigens wel naar de stad gegaan en had daar een aardige dame opgeduikeld. Hij zag er wel wat in en ging helemaal op de romantische tour. Hij nam haar mee uit eten en zo. Nu is voedsel in Noorwegen goed te betalen, maar niet te knagen, maar ja, onze sergeant ‘Don Juan’ moest er ook zo nodig twee flessen wijn tegen aanknallen, vermoedelijk niet wetende hoeveel wijn en andere alcoholische versnaperingen in dat land kostten. Toen de rekening kwam, was hij meteen blut. De dame in kwestie meldde dat ze terug naar huis ging, haar man paste op de kleine. Hij was tot tranen toe geroerd of beroerd. Een van zijn maten heeft een taxi van de haven moeten nemen om hem terug naar boord te krijgen. Hoe die liefde verder verlopen is, durf ik niet te zeggen.
Ondertussen deden de wervianen het goed, nu ja, meer dan goed, aan boord. Er waren natuurlijk allemaal ‘dingetjes’ die moesten worden verholpen. Veel kleine dingetjes natuurlijk, maar die konden ter plekke worden gedaan. Niet goed afgehangen deuren, rare uitstekende stukken metaal aan schotten of deuren, een heleboel kleinere reparaties aan allerlei soorten apparatuur, het werd ter plekke verholpen, zonder klagen en zonder gemekker. Die wervianen hadden overigens de beschikking over een eigen hut aan boord, omdat wij nog niet volledig bemand waren. We waren immers nog niet operationeel immers? Veel van die mannen dronken hun biertje bij ons of in het caf of in een van de andere verblijven en dat was altijd gezellig. Wel moesten ze erg wennen aan de KM humor en de manier van spreken, nu ja de manier van ons ‘leegdrukken’, zeg maar. De wervianen waren natuurlijk burgers, natuurlijk ook met hun eigen idioom, maar toch.
Een van onze meest notoire figuren aan boord, een kwartiermeester, ik kom nog uitgebreid op hem terug, was vrij direct in zijn uitleg van dingen tegen zijn personeel. Toen een van die matrozen iets verkeerds had gedaan of had begrepen sprak hij de man dan ook op zijn bekende manier toe. Ik stond daar toevallig bij en ja, ik werd er niet warm of koud van, gewend zijnde aan de KM taal. De matroos in kwestie, die zo bars werd toegesproken overigens,  ook niet maar een werviaan, mijn latere en nog steeds goede vriend Ben, die het ‘gesprek’ ook had gehoord, een echte Rotterdammer en een man met zijn hart op zijn tong, werd wat bleek en zei: “Maar zo ga je toch niet mensen om?” De KWMR in kwestie bromde wat van dat en dat zo hoorde en Ben zei: “Man, je hebt bruine ratten en rioolratten en jij mag zelf bedenken wie van de twee jij bent.” Hij liep weg en liet de KWMR sprakeloos achter.
Wij, de ziekenboeg, hadden een probleem met onze, hele chique, medische store. Ik melde dat aan Ben, de man met de leiding en hij vertelde me dat het helemaal ok kwam. De volgende dag stonden er twee wervianen een hele dag te prutsen en te hameren en te timmeren en te boren en daarna: nooit meer een centje pijn. (Nou ja, of dat kwam door de Paracetamol of de Ascal die in dat magazijn lagen? Nee, dit is zo flauw, nee, dit moet ik schrappen.) Maar, wij zongen in die tijd vaak het Fabeltjeskrant lied: ‘Hup daar is Willem met de waterpomptang, de nijptang en de combinatietang als het over hen ging, maar dat was allemaal goed bedoeld en wij, marine en werf, kwamen heel goed door alle deuren. Aan het einde van de proefvaart beloonde de werf, Wilton-en-de-naam-die-ik-niet-kan-uitspreken, ons. In natura, geld mochten ze niet geven. Maar: we kregen bonnen te besteden in onze toko. Feest. Konden we nu gratis bier en zo kopen? Nou, nee, maar we mochten wel toko* dingen kopen, zoals tandpasta en haarlotionnetjes en zo. Of zo. Ja, wat doe je dan? We kochten scheerschuim. Hoe veel bussen scheerschuim kan je voor een leuk bedrag kopen? Nou ja, veel. ‘Meligheid kent geen tijd’, zei ooit de bekende filosoof Paco Saul, een goede vriend van me. Dus achtervolgden we elkaar, ik geloof dat het niet alleen de KPL’s waren, maar dat de mannen van het (overigens fantastische caf) het ook waren die een klopjacht in zetten op de mannen van de werf. Nou, misschien deden die werf mannen het bij ons, wij van de marine zijn niet zo agressief, namelijk. Wat haal je uit een bus scheerschuim? Veel, heel veel, toiletten vol, heb ik gemerkt toen een van de werfmensen mijn gezicht volspoot en ik hem achtervolgde naar het toilet OOFF. Nadat mijn bus leeg was, was de ruimte vol. Hij zat ook als een sneeuwpop op de plee. Hij had zwarte wenkbrauwen, alleen daar aan was hij te herkennen. Laat ik zo zeggen: we dronken het af. Tot laat op de avond en laat in de nacht.
Later deden we Stavanger nog aan. We laadden daar olie en konden even trachtten nog even naar huis te bellen vanaf de steiger, maar verder was het hurry up en weer varen, hoor. Onze ouwe had haast om het schip in dienst te stellen. We deden in die buurt, in een stille fjord, dan die ‘gemeten mijl’, onder andere, waarbij ons spliksplinter en helemaal baroe* fregat het maximale uit de machinerie kon persen. Vraag me niet meer hoeveel mijl we haalden, maar het was genoeg om met je auto binnen de bebouwde kom een fikse prent te krijgen, in ieder geval. In de bebouwde kom is dat, ja dat weten jullie, 50 km per uur, maar de oude dame bereikte iets van vijftig mijl (maal 1,852 kilomter) per uur.
Als het schip dan ook van ‘nul’ naar ‘vol vermogen’ ging dan leek het wel als of je achterover in je stoel gedrukt werd, zo snel ging dat. De boeg van het schip kwam dan uit het water en het schip had een enorme schuim snor voor de boeg en een enorm schuimspoor, zoals een speedboot dat heeft, achter haar fraaie bips.
Wat zich nu echter en wat helaas wel heel naar was, voordeed was de enorme heibel (zeg maar het ontiegelijke lawaai) in de achterste slaapverblijven. Bij iets meer dan een vaart van een mijl of vijftien was het verblijven, laat staan slapen, daar een onmogelijkheid. Dat weet, van het werkwoord wijten, men, na veel en landurig onderzoek en na vele en luide klachten, aan het: ‘imploderen van luchtbellen langs de randen van de schroeven’. Men heeft dat, na allerlei testen, ook wel iets kunnen verhelpen, maar helemaal rustig werd het nooit.
Ik heb ooit eens een nacht doorgebracht in een van die slaapverblijven en ja, ik begreep heel goed dat de bewoners van die slaapverblijven wel eens een extra slaapmutsje nodig hadden.

In die tijd deden we ook nog een, voor mij onvergetelijke haven aan, nee, dat zeg ik fout. We gingen voor de spijker* op een onvergetelijke ankerplaats, Torbay. Torbay is een baai die aan de zuidkust van Engeland, helemaal afgescheiden van de heersende westenwinden ligt. Het is een fraaie inham, waarschijnlijk ontstaan door de warme golfstroom die hier, vanuit de tropen, aan land komt, zeg maar. In het noorden van de baai ligt de belangrijkste stad: Torquay. Het zuidelijke eindpunt van Torbay is Berry Head, een plaats waar de naamgever van ons schip zijn invasie voor (koning) stadhouder Willem de Derde heeft uitgevoerd.
Omdat we voor de spijker lagen konden we slechts per wacht divisie aan wal. De ene helft van de bemanning op zaterdag middag en de andere club had dan de hele zondag. Torquay is overigens een fraaie en typisch Britse badstad, met een fraaie boulevard, met palmen inderdaad. In het plaatsje is Agatha Christie geboren.

Vanwege het milde klimaat zijn in die Torbay aan de kust veel palmbomen te zien. Deze 'palm' is echter eigenlijk de Cordyline Australis afkomstig uit Nieuw-Zeeland. Deze bomen zijn ook elders in het VK te zien, maar waren als eerste in deze regio te vinden. (geleend uit Wiki, natuurlijk.)

Maar goed, we lagen in Torbay, het weer was uitzonderlijk goed, ik was op zaterdag avond de wal op geweest met een heerlijk clubje maten en we hadden ons de pints lekker laten smaken. Die zondag had ik de wacht. Paul, de ziekenpa, was nu gaan fototrippen, foto’s maken aan de wal, zoals dat eufemistisch heet voor een enorm aantal pinten pakken en ik nam de gelegenheid te baat om het schip eens helemaal echt te gaan verkennen. Gedurende de afgelopen weken was daar niet heel erg veel tijd voor geweest. Maar: man, man, man. Wat een ruimtes had je daar in dat schip, plaatsen en plekken waar je helemaal geen besef van had. Ik kwam in de zogenaamde meelbergplaats, ik kwam in allerlei opslagruimtes van de TD en de WD en in de LOS, Licht Ontvlambare Stoffen, bergplaats en ja, ik had, na een uur of vier gekruip, geklim en gesjouw, wel een aardig idee hoe complex zo een schip is. Ik mocht met de stoker van de wacht mee op zijn ronde, langs de dikke motoren, maar ook langs de Brein pomp, zoals dat heette. Braine pomp, bleek het te zijn, was achteraf de pomp die menselijke uitscheidingen overboord zette, na ze eerst vermalen en zo te hebben. Man, dat was een shit rondje, zeg maar!
Er was nauwelijks werk, tijdens mijn wacht, het schip was dan ook half verlaten natuurlijk, het was een zondagmiddag dus de helft van de bemanning die niet op post was lag of te snurken of keek tv of deed andere ontspannen dingen, dus zocht ik het hangar dek maar op. De vloed ging uit, dus ons schip lag met haar togus naar buiten. (oeps, zei ik togus? Nee, ik bedoel bips, natuurlijk.) Hoewel de inwoners om en rond Torbay natuurlijk vaak meerdere schepen voor anker zagen liggen, was de aanblik van een dergelijke moderne en sierlijke gevechtsmachine wel nieuw en indrukwekkend. Vanuit de verre omgeving kwamen dan ook plezierbootjes, rondvaartboten of zelfs stevigere prive jachten dat schip, met de driekleur die hen, in hun collectieve geheugen nog wel wat moest zeggen, (vier oorlogen hebben we tegen die gasten gevoerd, immers) voorbij ons schip varen en ons bewonderend bekijken.
(Ik zeg nu wel het ‘collectieve geheugen’. In geen enkel land ter wereld is er zoveel geschiedenis gevoel als in de UK. Ik weet haast zeker, ik weet het echt zeker, dat ze de invasie van onze Flupke van A. nog nooit vergeten zijn, net zoals ze het stukvaren van de ketting over de Theems (Jan van Brakel, deed dat) en de regering van ‘onze’ koning/stadhouder zullen ze ook nooit vergeten zijn!)
Goed, ik wandelde wat op en neer op het helidek, dronk een mok koffie, rookte en hoorde fraaie Engelse complimenten overwaaien. Ik probeerde die te beantwoorden en merkte opeens dat een collega, ook een Peter, zich nogal aan het uitsloven was met zijn gewichten op het heli dek, aan het hekwerk en goed in het zicht van een jachtje met nogal wat vrouwelijke, in behoorlijk kleine en dus opwindende badpakken gehulde, bemanning.
Peter was onze korporaal kok en ja, zoals dat gaat op die schepen, ook onze bakker en een hele verrekte goede. Peet was een liefhebber van bodybuilding, zoals dat toen heette, maar nu ‘fitness’ wordt genoemd. Het was nog allemaal heel ver voor de tijd van de sportscholen, hoor. Zoals veel mensen die aan body builden doen was hij enigszins narcistisch. Da’s helemaal niet erg, natuurlijk. Als je der goed uitziet mag je dat laten blijken en laten zien. Ik heb er niets op tegen in elk geval. Enfin, ik wilde dat ik een beetje meer was zoals hij, maar in die tijd bewoog ik niet al te veel.

(Tegenwoordig word ik nog wel eens begroet met: 'man wat zie je er afgetraind uit!’ Dat doet me deugd, maar voor hen, de lezertjes die zich mij nog herinneren uit die tijd, was ik inderdaad 25 centimeter te kort voor mijn gewicht. Na Delfzijl, daarover later meer, ben ik, door de invloed van mijn maatje Peter, een konstabel, gaan bewegen. Eerst een rondje vliegdek, daarna twee, zes, acht rondjes schip en verder. Ik viel, door de invloed van die Peter, in een half jaar 24 kilo af. Ik ben wel weer eens wat aangekomen, maar blijf nu, omdat ik veel fiets, aardig op mijn gewicht. Geschreven in de zomer van 2018.)

Ik zwaaide naar dat jachtje en naar de schaars geklede dames en zag Peter met zijn gewichten naar de hangar sjouwen en op een stoel gaan zitten, de gewichten op het dek leggend. Het was heerlijk, bijna subtropisch weer, zoals dat daar vaak is en ik besloot lekker aan dek te blijven. Als men mij nodig had zouden ze me wel omroepen, wist ik.
Even later kwam er een vlotte speedboot vanaf het haventje gevaren met weer een stel lekkere meiden in weer hele vlotte bad kledij aan boord. Ik stond, ik geef dat toe, een beetje verlekkerd te kijken naar dat fraai afgeronde spul toen ik opeens Peet naast me weer op zag duiken, nu met de gewichten naar boven gericht en met gestrekte armen en zo bezig. Ik deed aan verbetering van de relaties tussen de beide koninkrijken, gezien de vele oorlogen die we hadden gevoerd, zoals vermeld en ik zwaaide en wuifde weer vriendelijk. Er werd terug gewuifd en zo en leuke dingen geroepen en het bootje gaf een dot gas en spoot weg. Ik keek om en zag Peter weer plaatsnemen op zijn stoel en de gewichten rustten weer. Dat ging nog een paar maal zo door en toen begreep ik dat hij inderdaad heel narcistisch was. Hij kwam alleen in het zicht met zijn gewichten als hij bekijks had! Ik lachte wat voor me uit. 

Maar, een ding is zeker, narcist of niet: hij was een geweldige bakker die elke dag vers brood bakte voor de bemanning, hij bakte bruin/wit, volkoren, meergranen en kleinbrood, van alles. Ook bakte hij taarten voor de, die dag, jarige janmaat. En: zijn zoute koekjes heb ik nooit meer zo lekker gevonden als die van hem, maar hij geloofde dat nooit! Ik heb later veel gezocht naar ‘zoute koekjes’ zoals die van hem, maar nooit gevonden. Helaas, hij had van zichzelf besloten dat zijn zoute bakwaren niet geslaagd waren, dus vaak geen zoutjes op het menu! (Nu ja, het kan natuurlijk ook zijn dat hij het, terecht een rotwerk vond om bladerdeeg te maken, waaruit dat soort zoutjes bestaan. En, geloof me, dat is het ook, weet ik uit mislukte ervaring.)

1 opmerking:

  1. Ik beleef het weer allemaal vanuit nu de luie stoel en de schaatsen die ik kreeg van Kees Verkerk de schaatser die toen aa/b kwam voor een biertje heb ik nog steeds Maar ik geniet van de proza die je schrijf HELEMAAL zo als het was SUPER LUCAS

    BeantwoordenVerwijderen

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...