1.4.
Hoe het voor mij begon.
Ik diende in 1981 als 'korporaal ziekenpa'* in
Amsterdam, op het toenmalige MARKEURSEL*. Ik was al een jaar of wat niet
operationeel varend geweest en snakte eigenlijk wel naar een volgende varende
of operationele plaatsing. Ik had, als kleintje* op mijnenvegers gediend, was als korp even op
de kruiser De Zeven Provinciën geplaatst geweest, zoals al eerder verteld en had twee
jagers ‘gehad.’
Op het werk, mijn toenmalige plaatsing, liep het
allemaal wel, ik had een leuke job, met fijne collegae en zo. Maar ja, hogerop
komen, dat viel allemaal erg tegen. Ja, de carrièrekansen bij de KM waren in
die jaren heel erg mager, het waren de jaren van de grote bezuinigingen van de toenmalige minister president en regering Lubbers en zo, en ik was nog maar net vier jaar korp, dus ja, ik wist dat ik
nog jaren moest wachten tot ik ooit sergeant zou gaan worden. Maar goed, ik diende
met plezier en dat was heel wat waard.
Thuis, privé, ging het allemaal heel erg heel
minder. Ik was in 1973 getrouwd, maar het huwelijk lag al op de rotsen, na die
acht jaar, zeg maar. Wij hadden samen een kind, een heerlijk en fijn mannetje waar ik
helemaal lijp van was, toen en nu nog. Nu is hij zelf al helemaal volwassen en
heeft zelf een gezin. Scheiden was voor mij geen optie, ook al ging de moeder
van mijn zoon vaak exerceren buiten het echtelijke bed, zeg maar. Ik wist dat
ik dan mijn knul kwijt zou raken en nee, dan maar dat gedoe slikken, ik wilde
dat kind nooit kwijt.
Maar ja, ik ben hem wel even kwijtgeraakt. Maar:
dat was toen. Hij was een redelijk weerbarstige puber, maar welke pubers zijn
dat niet? Na een jaar of wat hadden we weer contact met elkaar. Nu zien we
elkaar wekelijks of vaker en is hij, samen met zijn meisje, de prachtige vader
en is zijn partner dus de fantastische moeder van onze kleinkinderen!
Nu ja, ik was nogal een wat getormenteerde ziel
in die jaren, zeg maar.
Op een gegeven moment kreeg ik het bericht van bureau personeel dat ik overgeplaatst zou worden en wel naar een nieuw te bouwen schip dat in Rotje knor lag. “Ja, de Philips van Almonde”, zei de korporaal schrijver, die mij mijn overplaatsing aanzegde. “Wat voor soort schip is dat dan?” vroeg ik aan hem, maar hij wist het ook niet helemaal zeker. “Een fregat, geloof ik, van die nieuw te bouwen schepen. Met van die maffe namen, man. Maar, ik vernam dat het mooie schepen zijn, met heel veel ruimte voor het personeel en zo”, zei hij er gratis bij.
Op een gegeven moment kreeg ik het bericht van bureau personeel dat ik overgeplaatst zou worden en wel naar een nieuw te bouwen schip dat in Rotje knor lag. “Ja, de Philips van Almonde”, zei de korporaal schrijver, die mij mijn overplaatsing aanzegde. “Wat voor soort schip is dat dan?” vroeg ik aan hem, maar hij wist het ook niet helemaal zeker. “Een fregat, geloof ik, van die nieuw te bouwen schepen. Met van die maffe namen, man. Maar, ik vernam dat het mooie schepen zijn, met heel veel ruimte voor het personeel en zo”, zei hij er gratis bij.
Op een maandagmorgen nam ik dus de trein naar
Rotterdam. In mijn pas gestoomde blauwe uniform, met aan beide kanten twee gele strepen en een ziekenverplegers uitmonstering, ook in het geel. Ik had een plunjebaal met daar in
het hoognodige meegenomen. Werkschoenen, werk pakken, overhemden en zo, je kent het wel.
De tweede plunjezak, waarin dekens en grove en zware zooi in zaten, was al vooruitgestuurd.
Vanuit het treinraam zag ik het fraaie landschap van Zuid-Holland aan me voorbijtrekken.
Gek genoeg wist ik de weg te vinden in heel veel havensteden, zoals Hamburg en Rosyth, Brest of Liverpool, maar Den Haag, hoewel geen havenstad, of Rotterdam, het zei me allemaal niets, ik was, geloof ik, nog nooit in Zuid Holland geweest!
Ik zag de diergaarde Blijdorp voor het eerst in mijn leven, ik zag de Euromast voor het eerst in mijn leven en, moet ik eerlijk zeggen, ik zag Rotterdam voor het eerst in mijn leven en dat meen ik. Rotterdam was een bruisende en werkzame stad, merkte ik. Een stad van: “niet lullen, maar poetsen”, merkte ik en, een heel klein beetje, begon ik die stad al in mijn hart te sluiten. (Nee, ik ga der nooit wonen, ik ben een import, maar ook weer export Mokumer in hart en nieren. Later heb ik de stad vaker bezocht en heb haar charme leren kennen en ja, Rotjeknor heb wel wat hoor!)
Vanuit het treinraam zag ik het fraaie landschap van Zuid-Holland aan me voorbijtrekken.
Gek genoeg wist ik de weg te vinden in heel veel havensteden, zoals Hamburg en Rosyth, Brest of Liverpool, maar Den Haag, hoewel geen havenstad, of Rotterdam, het zei me allemaal niets, ik was, geloof ik, nog nooit in Zuid Holland geweest!
Ik zag de diergaarde Blijdorp voor het eerst in mijn leven, ik zag de Euromast voor het eerst in mijn leven en, moet ik eerlijk zeggen, ik zag Rotterdam voor het eerst in mijn leven en dat meen ik. Rotterdam was een bruisende en werkzame stad, merkte ik. Een stad van: “niet lullen, maar poetsen”, merkte ik en, een heel klein beetje, begon ik die stad al in mijn hart te sluiten. (Nee, ik ga der nooit wonen, ik ben een import, maar ook weer export Mokumer in hart en nieren. Later heb ik de stad vaker bezocht en heb haar charme leren kennen en ja, Rotjeknor heb wel wat hoor!)
Ik nam de tram naar de Van Genth kazerne en
meldde me daar af. Dat stond in mijn reisopdracht. Ik kreeg van de KPLMARN,
die OOFvdW* was, een ‘leerling van de wacht*’ mee om me de ziekenboeg te wijzen
en dat was wel nodig ook. De VGKAZ was een heilloze, sombere, sfeerloze en niet
inspirerende klomp steen waar je gemakkelijk in kon verdwalen. Ik sprak met de
chef van de ziekenboeg die me verzekerde dat de (voorlopige aanwezige) bemanning
onder hun medische dienst viel. De Medische bescheiden, zoals ziektenboekjes,
ziektenkaarten en tandartskaarten, hadden zij in hun beheer, maar, du moment
wij een eigen ziekenboeg hadden, zou hij er voor zorgen dat alles correct aan
ons werd overgedragen. Ik at die middag mee in de kazerne en ging, na de
maaltijd, dan maar eens kijken op die werf, Wilton Fijenoord, waar ons schip
werd gebouwd. Ik pakte de trein vanaf Rotterdam CS en stapte uit op het station Schiedam West, de chef ziekenboeg
had namelijk niet de moeite genomen om zijn jongere collega vervoer van de baas aan te
bieden. Vanaf het station was het nog een aardige tippel. Maar goed, ik vond de werf en
ik vond het kantoor waar ik me moest melden.
Ik moet dus natuurlijk ook wat zeggen over die, eens, hele grote werf,
die Wilton Fijenoord ooit was. Wilton-Fijenoord is een grote werf, nu ja was,
het bedrijf heeft, onder die naam bestaan van 1929-1999 en is daarna opgegaan
in de Damen holding, zoiets dan. WF was een fusiemaatschappij, ik ga jullie der
niet over doorzeuren, maar vanaf 1935 waren alle werkzaamheden geconcentreerd
in Schiedam. Tijdens WO2 bouwde de werf diverse
onderzeeboten voor de Kriegsmarine, waarmee ik niets slechts wil zeggen over
werf en werklui overigens. (Het aantal werknemers groeide in die tijd van 4000
naar 6500 man. Ik zeg daar verder geen kwaad over: je kon als
werf/fabriek/instantie natuurlijk wel stoppen met werken tijdens die oorlog,
maar wat zou er met het personeel gebeuren? Nu ja, die werden werkeloos, vaak
hadden die kerels een gezin dat dan niet meer te eten had en zo. “Eerst komt
het vreten en dan de moraal”, zei Bertold Brecht al veel eerder en zo is het
ook. De werknemers zouden natuurlijk in een scheet naar Duitsland afgevoerd
worden. Na de oorlog is de directie wel afgerekend overigens met hun vergaande
collaboratie.)
WF was voornamelijk een reparatiewerf,
waarop ook omvangrijke verbouwingen werden gedaan. Het eerste wat me opviel,
nadat ik een beetje bekend werd met het enorme complex, waren de droogdokken en
niet alleen de drijvende, maar vooral de gegraven dokken. Ook de enorme portaalkraan
die de skyline van Schiedam beheerst, viel me meteen op.
Het schijnt dat de walvisvaarder WILLEM
BARENDS op deze perfecte werf is gebouwd.
Hieronder nu
even het stukje van Ben Dijkstra, werviaan en ALMO-liefhebber van het eerste
uur, over de geschiedenis van de werf.
De
geschiedenis van Wilton-Fijenoord gaat terug tot het jaar 1823, toen in
Rotterdam de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (N.S.B.M.) werd opgericht met
het doel "om eene geregelde vaart met stoomboten daar te stellen op alle plaatsen,
zowel binnen als buiten het Rijk der Nederlanden, waar zulks voor het algemeen
nuttig en voor de Maatschappij voordelig wordt geacht."
Aanvankelijk kocht de N.S.B.M. haar schepen bij verschillende scheepsbouwers in Nederland en de machines exclusief bij John Cockerill et Cie. in Serang, maar in 1825 besloten de aandeelhouders op het eiland Fijenoord tegenover Rotterdam een etablissement onder leiding van Gerhard Moritz Roentgen voor scheeps-en werktuigbouw op te richten, dat het Etablissement Fijenoord werd genoemd. In 1895 deed de N.S.B.M. haar scheepvaartlijn op Londen, de enige die zij toen exploiteerde, over aan de firma W.H.Müller & Co. Tegelijkertijd schrapte zij haar oude naam en noemde zich voortaan Maatschappij voor Scheeps-en Werktuigbouw Fijenoord.
Bartel Wilton begon in 1854 in Rotterdam aan de Baan een smederij die zich vooral bezighield met de reparatie van schepen. In 1876 verhuisde Wilton naar een terrein aan de Westzeedijk, waar hij zich bekwaamde in de reparatie en nieuwbouw van schepen. De grote sprong voorwaarts kwam in 1898 met de bouw van een ketelmakerij aan de Westkousdijk. Al gauw groeide de smidse uit tot Wiltons Machinefabriek en Scheepswerf, die in 1921 werd omgedoopt in Wiltons Dok -en Werfmaatschappij. Het bedrijf had meer ruimte nodig, in Schiedam was die er, en in 1926 kocht Wilton er 68 hectare grond ten westen van de Wilhelminahaven.
Beide bedrijven floreerden eerst geruime tijd naast elkaar, maar in de jaren twintig van de vorige eeuw begonnen zij aan elkaar te snuffelen om te kijken of een fusie mogelijk zou zijn. Serieuze besprekingen daarover begonnen in 1929. Op 11 september 1929 gaven de aandeelhouders van beide ondernemingen hun fiat aan de fusie en met terugwerkende kracht tot 01 januari van dat jaar kwam de Dok- en Werf Maatschappij Wilton-Fijenoord tot stand met vestigingsplaats Schiedam.
Aanvankelijk kocht de N.S.B.M. haar schepen bij verschillende scheepsbouwers in Nederland en de machines exclusief bij John Cockerill et Cie. in Serang, maar in 1825 besloten de aandeelhouders op het eiland Fijenoord tegenover Rotterdam een etablissement onder leiding van Gerhard Moritz Roentgen voor scheeps-en werktuigbouw op te richten, dat het Etablissement Fijenoord werd genoemd. In 1895 deed de N.S.B.M. haar scheepvaartlijn op Londen, de enige die zij toen exploiteerde, over aan de firma W.H.Müller & Co. Tegelijkertijd schrapte zij haar oude naam en noemde zich voortaan Maatschappij voor Scheeps-en Werktuigbouw Fijenoord.
Bartel Wilton begon in 1854 in Rotterdam aan de Baan een smederij die zich vooral bezighield met de reparatie van schepen. In 1876 verhuisde Wilton naar een terrein aan de Westzeedijk, waar hij zich bekwaamde in de reparatie en nieuwbouw van schepen. De grote sprong voorwaarts kwam in 1898 met de bouw van een ketelmakerij aan de Westkousdijk. Al gauw groeide de smidse uit tot Wiltons Machinefabriek en Scheepswerf, die in 1921 werd omgedoopt in Wiltons Dok -en Werfmaatschappij. Het bedrijf had meer ruimte nodig, in Schiedam was die er, en in 1926 kocht Wilton er 68 hectare grond ten westen van de Wilhelminahaven.
Beide bedrijven floreerden eerst geruime tijd naast elkaar, maar in de jaren twintig van de vorige eeuw begonnen zij aan elkaar te snuffelen om te kijken of een fusie mogelijk zou zijn. Serieuze besprekingen daarover begonnen in 1929. Op 11 september 1929 gaven de aandeelhouders van beide ondernemingen hun fiat aan de fusie en met terugwerkende kracht tot 01 januari van dat jaar kwam de Dok- en Werf Maatschappij Wilton-Fijenoord tot stand met vestigingsplaats Schiedam.
Ik vond, zoals gezegd, uiteindelijk het kantoor
waar de eerste club van de aanloopbemanning haar burelen had en rouleerde*
formeel in. Dat kantoor was zo een afgrijselijk gebouw uit de jaren ‘vijftig/zestig’.
Vooral veel glas en beton en met een uitstraling van een chagrijnige ijsbeer.
Dat inrouleren ging natuurlijk heel snel. Er was
een schrijver die alle stempels ineens zette en binnen drie minuten was ik lid van de bemanning
van de Almo. Dat ging natuurlijk heel wat sneller dan het inrouleren op een
grote kazerne. Later, in de VBHKAZ in Doorn heb ik er zelfs drie dagen over
gedaan, maar dat kwam omdat ik natuurlijk een hele mariniers barang kreeg
uitgereikt. Omdat ik toen meteen stip* werd, moest ik ook een sabel krijgen. De
KPLLDV van het PLUMAG, het PLUnje MAGazijn, keek me lang aan en kwam even later
met drie sabels aanslepen. “Waarom drie van die sabels?” vroeg ik hem. “Kijk”
zei de man, “je hebt lange adjudanten, je hebt gewone adjudanten en je hebt
kleine k.. adjudanten, dus daarom neem ik de maat!” De manier waarop hij het
woord adjudant zei, was nogal kleinerend, maar ja, ik liet het zo, ik was toen
nog maar dubbele* begrijp je?
Als mijn oude grijze cellen me niet in de steek
laten, hadden we toen al accommodatie op de voormalige Hr. Ms. Snellius. Dat,
overigens hele fraaie schip, was een oud marineschip. Samen met haar
zusterschip, de Luymes, waren het zogenaamde “opnemers”, dat wil zeggen dat het
schepen waren die, waar ook ter wereld, onderzoek deden naar de zeebodem, onderzoek
deden naar zeestromingen en allerlei weerkundige gegevens en zo in kaart
brachten en nog wel veel meer onderzoek deden. De schepen waren enkele jaren
daarvoor van de sterkte afgevoerd, ze werden vervangen door de BUYSKENS, BLOMMENDAL
en TYDEMAN, en waren, na jaren trouwe dienst, voor de sloop verkocht aan Wilton
F. (Die schepen werden de ‘Witte vloot’ genoemd omdat ze, ja, je raadt het, wit
geschilderd waren, omdat ze of/en non-combattant waren of/en vaak dienstdeden
in de tropen.)
Er gonsde een verhaal waarvan ik het
waarheidsgehalte niet helemaal heb kunnen achtergronden of vertrouwen, maar het
is een te fraai en een te veel een ‘marine’ verhaal om het niet te geloven en
om het niet door te vertellen. Goed, de Snellius, door ons natuurlijk al snel
als ‘Snelle Jezus’ omgedoopt, was kortgeleden voor 400.000 gulden (nu ongeveer
180.000 euro, voor de sloop verkocht aan die werf, WF, dus. Ondertussen waren
wij, de aanloopbemanning, gelegerd in de VGKAZ, zoals ik al beschreef, een
kazerne die helemaal in het oosten van Rotterdam lag, terwijl de werf heel ver
westelijk lag, niet eens in Rotterdam, maar eigenlijk helemaal in Schiedam,
Schiedam West dan ook nog eens. Dat betekende dus dat de aanloop bemanning ‘s
morgens van de kazerne naar het schip moest worden gebracht, een reis die vaak
meer dan een uur duurde. Rotterdam, nu ja alle steden natuurlijk, maar
Rotterdam wel heel erg, staan bekend om enorme files en verkeersopstoppingen. We
kwamen dan aan rond de koffie en moesten, we konden niet te laat zijn voor de
avondhap, dan om een uur of drie terug naar die kazerne.
“Maar dan ga je toch voor al die files aan?”,
hoor ik de kritische lezer zeggen. Dat zou ook moeten hebben kunnen en zo, maar
ja, voor de file aan betekende ook dat we voor overal* al moesten ontbijten en
lupaks, lunchpakketten, gereed moesten hebben, hetgeen dan weer een enorme
(over)last voor de vaste logistieke bemanning van de VGKAZ zou zorgen.
(Ik moet eerlijk zeggen dat de bemanning van die
kazerne ons best heel wel heeft geholpen, maar dat het (MARNS) commando ons
liever kwijt dan rijk was. Daar heb ik dan wel weer alle begrip voor. Die
kazerne was er voornamelijk op gericht om allemaal jonge en fanatiek getrainde
MARNS op te leiden en ja, dan komt er zo een club vlootboeren tussen door
rennen, die niet echt een voorbeeld waren voor die jonge torren en nu zeg ik
het heel voorzichtig.) En ja, tussen de middag moest er dan ook nog warm geschaft
worden, hoewel we later als ketelaar* werden opgegeven, hetgeen ook nog eens extra
overlast gaf aan die bemanning van die kazerne. Conclusie: we waren door al dat
gedoe slechts een uur of vier in volle actie op een dergelijke dag. (Zie ook
het verhaal van Rob, later.) Dat was natuurlijk veel te duur, veel te kosten
intensief en veel te tijdrovend. Maar wat nu?
De werf vond de oplossing uit: “Goh, marine
makkers, we hebben de Snellius hier nog liggen. Het schip is in puike conditie,
er is nog geen klinknagel vanaf, laat je bemanning lekker hier pitten!” Het KM-antwoord
was: “Jeetje, wervianen, wat een strak plan, dat doen we en bedankt en zo.” “Ho,
ho, brave admiraal, der zit een kostenplaatje aan, natuurlijk.” “Natuurlijk
goed mens, zeg het maar, een rug of zo per jaar?” “Nee, admiraal, vier ton. Per
jaar. Maar, dan kan de bemanning van de Bloys, dat is het volgende schip, ook
gebruik maken van die faciliteiten.”
Het werd, zo stel ik me voor, even stil aan de
lijn, aan de Helderse of Haagse kant dan. Uiteindelijk bleek het toch goedkoper
te zijn om je eigen schip terug te huren voor het bedrag dat je er aan verdiend
had. Dus ja, ook de boys van de Bloys en zelfs twee Indonesische bemanningen,
er werden ook nog eens twee korvetten voor dat land gebouwd op die werf,
sliepen op onze kosten zeg maar, op de Snelle Jezus, maar, wij, de Almo mensen,
hadden ondertussen onze kosten er al uit, hoor. De dekken van het schip waren
voornamelijk uit teakhout gemaakt. Teakhout is duur en duurzaam. Fraai en stoer
hout en bijvoorbeeld uitstekend geschikt voor een tapkast in ons
korporaalsverblijf, zeiden de korpen die het konden weten. En zo gebeurde het
ook.
Maar goed, de Snellius werd dus onze ‘homebase’
en wat voor een. Mensen wat voor fantastische schepen moesten die Luymes en die
Snellius wel niet geweest zijn. Wij, van de ‘nieuwe’ marine waren gewend aan onderzeebootjagers
en aan de Van Speijk fregatten. Voor die bemanningen waren die schepen
nauwelijks vriendelijk. Op de jagers lag je, in de manschappen verblijven, soms
met drie man boven elkaar in slaapverblijven met soms zestig man en had je net
aan 25 centimeter de ruimte tot de kooi boven je. Zoals een grofgebekte collega
het dan wel eens uitsprak: “Als je een beetje harde l.. hebt, lig je zeker klem
tot je der wat aan gedaan hebt.”
Op de Snelle Jezus voelde je je als een gast op
een cruiseschip. Mensen, wat een ruimte en wat een genot om daar op rond te
wandelen.
Een terzijde. Ik heb geen idee hoe het eigenlijk zover kwam, maar via
Facebook, kwam ik in contact met een oude Korporaal KOK. Ik had, geloof ik, een
verhaal over het ‘Marine Smulverhalenboek’ of iets dergelijks geplaatst, in
ieder geval, een KM-kookboek, met vooral, ja verassend, KM-gerechten, dus veel
rijst en telor, maar ook over gebakken marinier*. De man nam contact met me op
en schreef dat ‘ie jarenlang kok was geweest op de Snelle Jezus, waarbij hij
vooral in en rond de Oost voer. De Snelle was zijn favoriete schip ooit en hij
had nog steeds heerlijke recepten en zo, maar wilde graag een foco van het
boek. Nu ja, ik kon der verder niet zo veel mee, met dat boek dan, het was meer
voor de LDV bedoeld, dus verzond ik het dan maar aan hem. Hij was als een kind
zo blij en ja, ik begreep uit zijn verhalen, dat de Snellius ook toen een heel happy
schip was geweest en heel lang was gebleven.
Goed, een week naar mijn aantreden, trad ook de
ziekenpa der eerste klasse aan. Ene Paul. Om hem te beschrijven heb ik een heel
boek nodig, maar ik ga wat steekwoorden laten vallen: Sympathiek, empathisch,
vriendelijk en zo maf als een looien deur. Ik zal nog meer voorbeelden geven.
Laat ik beginnen met deze. Onze ouwe, je weet wel, Cheese of the Dockyard,
wilde, heel goed en heel sympathiek, al zijn mensen persoonlijk begroetten.
Tijdens het inrouleren, dat ik samen met Paul deed, bracht ik hem bij de ouwe
binnen, in ‘s mans kleine kantoortje, ergens achter in het ‘glazen huis’, zoals
het stafgebouw door ons werd genoemd. Paul kwam binnen, deed een soort tapdansje,
maakte een pirouette en stak zijn hand uit: ‘Hoi commandant, ik ben Paul, de beste
ziekenverpleger een die u ooit zult tegen komen.’ Het was tekenend voor de ouwe
dat hij de hand aan nam, grijnsde en zei dat hij dus, naast de beste korporaal
ziekenpa die hij ooit was tegengekomen, ook de beste eerste klas had. Paul
zweeg, iets uit het veld geslagen. Maar, de man won ons beider harten, toen, op
dat moment en voor altijd!
Al heel snel werden Paul en ik dikke maten van
elkaar. We hadden een beetje dezelfde humor en dat klikte goed, maar we hadden ook
allebei dezelfde instelling namelijk: zorg voor onze mensen, zorg voor het
schip, dan pas andere zorg, voor jezelf, zoiets. Goed, Paul en ik richtten ons
al snel zo kwaad en goed als het ging onze ‘mini’ ziekenboeg in op het logementschip. Hierbij moet ik dan wel zeggen dat de oppervlakte van die ziekenboeg
absoluut niet mini was, integendeel zelfs, ze leek eerder op een klein
hospitaal dan op een ziekenboeg van een schip van oorlog, zoveel ruimte hadden
we. Met mini bedoel ik dat we alleen de eerste faciliteiten, dus EHBO en een
klein spreekuur en zo konden doen. We hadden bijna nog geen medisch gereedschap
en nauwelijks medicijnen aan boord, de echte zieken moesten dus naar de VGKAZ
voor het spreekuur van de arts. Voor allerlei bezoeken aan de kazerne was een apart busje
geregeld, bestuurd door een chauffeur van het korps, maar vaak was dat busje al
weg voor wij onze patiënten verzameld hadden, veel waren het niet, natuurlijk,
dus moesten we die ene patiënt wegbrengen met de privéauto van Paul. Hij had
toen zo een Renaultje 4 tje, met van die klapraampjes. Leuke wagentjes, met zo
een pook versnelling in het dashboard.
Nu moet je moet weten dat de laatste mode op eet-, nu ja snackgebied in die tijd Shoarma was, een nieuwigheid, net overgekomen uit Turkije. Het was een pittige en met knoflook- en sambal saus overgoten gebraden vlees lekkernij, toen, echt helemaal nieuw. Ik was er ook (even) gek op, en die snelle hap werd vaak gegeten dus. Ik weet niet of het zo was dat er een shoarmaboer die maaltijden langs de Snellius bracht, zoals later bij ‘Ambrosia', die bekende tent in Den Helder, of dat er iemand was die een bestelling op nam en het dan bij de Turk ging halen of zo, maar in ieder geval, Shoarma, ook wel Swarfega genoemd, stond ’s avonds heel vaak, echt heel vaak, op het menu van de hongerige mannen die daar vaak een klein biertje bij dronken, of dat biertje had hun trek dan juist aangewakkerd, zoiets dan. Het resultaat van dat ‘gezonde menu’ was, op de ‘morning after’, vaak te ruiken op de sanitaire voorzieningen. Mensen, wat gaf dat voor een meur!
Nu moet je moet weten dat de laatste mode op eet-, nu ja snackgebied in die tijd Shoarma was, een nieuwigheid, net overgekomen uit Turkije. Het was een pittige en met knoflook- en sambal saus overgoten gebraden vlees lekkernij, toen, echt helemaal nieuw. Ik was er ook (even) gek op, en die snelle hap werd vaak gegeten dus. Ik weet niet of het zo was dat er een shoarmaboer die maaltijden langs de Snellius bracht, zoals later bij ‘Ambrosia', die bekende tent in Den Helder, of dat er iemand was die een bestelling op nam en het dan bij de Turk ging halen of zo, maar in ieder geval, Shoarma, ook wel Swarfega genoemd, stond ’s avonds heel vaak, echt heel vaak, op het menu van de hongerige mannen die daar vaak een klein biertje bij dronken, of dat biertje had hun trek dan juist aangewakkerd, zoiets dan. Het resultaat van dat ‘gezonde menu’ was, op de ‘morning after’, vaak te ruiken op de sanitaire voorzieningen. Mensen, wat gaf dat voor een meur!
Enfin, Paul en ik moesten eens op een ochtend naar
de kazerne. We waren ondertussen wel helemaal in gericht als ziekenboeg, we
hadden al onze dozen pleisters, flacons ontsmettingsmiddelen en jodium, ons gereedschap en onze
zuurstof koffers, onze brancards en de rest ontvangen en we zouden een echte, helemaal
ingerichte eerstehulppost gaan zijn. De bemanning was ondertussen ook al bijna
compleet en sliep ook op de Snellius. Wij zouden die ochtend de zogenaamde medische
bescheiden, de ziekenboekjes, zeg maar, op gaan halen. Wij wilden die medische
bescheiden, dus ook de vaccinatiebewijzen, de nog te verrichten keuringen en de eventuele tandarts
afspraken, zo goed mogelijk zelf kunnen beheren, zonder afhankelijk te zijn van
de collegae van de VGKAZ. Ik keek wat loom naar de voorbijgaande stad en Paul
babbelde over de avond te voor die hij met veel goede maten in veel
gezelligheid had doorgebracht en stuurde behendig zijn kleine voertuigje
richting de grote stad. Ik rookte een shaggie en keek wat op mij heen. Rotterdam
was nog steeds vreemd, maar wel boeiend voor me, natuurlijk.
Nauwelijks de stad binnengereden hoorde ik een
zacht sissend geluid, dat van links van me kwam, waarna de ruimte van het zoals
gemelde kleine voertuigje zich wel heel snel vulde met een enorme en enorme abnormale
stank. Ik snoof, rook nog eens, snoof een tweede keer en keek natuurlijk enorm smerig
of geschrokken opzij.
“Ja, chef, shoarma en bier. Een heerlijk
combinatie”, grijnslachte de man naast me vals. Nu merkte ik pas hoeveel
knoflook lucht uit zijn poriën, of andere openingen van zijn lichaam kwam. Ik
klapte het raampje aan de passagiers kant open en ademde frisse diesel- en
benzine uitlaat geuren en andere welkome stadsluchten in! Ik werd wel bijna
onthoofd door een passerende lijn negen of zo, maar de dood was beter dan de
geur die mijn maatje verspreide! Er volgden overigens meer van die
schermutselingen. Ik zal uitgebreid terugkomen op Paul in een van de nog
volgende verhalen!
Maar ja, uiteindelijk kwamen we aan boord van de
echte en heuse Philips van Almonde. Eindelijk werd het schip een echt schip zonder al de goed
bedoelende wervianen waar je overheen moest kruipen. Eindelijk werd het casco
een schip met bemanning. De hele groep was nu ongeveer compleet en, ik kan lullen
en schrijven als ik wil, ik kan het niet uitstellen, we gingen eindelijk naar
zee. Eindelijk werd het schip vrijgelaten van zijn dok en van zijn rustplaats
en we gingen varen!
We werden een schip en een bemanning!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten