1.1 Even wat geschiedenis
Dat de KM het in de Tweede Wereldoorlog behoorlijk
voor de kiezen heeft gekregen, behoef ik nauwelijks te vertellen. We weten allemaal
wel van de Slag in de Java Zee, van het zinken van de ISAAC SWEERS, het zogenaamde spookschip, Hr.Ms. TROMP van de bovenwater schepen en de onderzeeërs
die enorm dood en verderf zaaiden onder de vijand, maar waar er ook veel van verloren
gingen en vooral van de marinemannen die de dood vonden, zowel boven als onder
water en zeker ook in de lucht.
(K.W.L. Bezemer heeft in zijn tweedelige werk:
Zij vochten op de zeven zeeën en Verdreven doch niet verslagen, ISBN resp.:
9026920407 en 9026920415 daar sober en zonder opsmuk over geschreven.)
In de jaren na de tweede wereldoorlog was onze
marine een verzameling van heterogene schepen en ook vaak verouderde schepen die
we vaak hadden overgenomen of gekregen van de Engelsen of de Yanks, onze
bondgenoten in die oorlog van toen en nu onze medestanders in de NAVO en in de,
in de begin jaren vijftig, in die, inmiddels op het punt van uitbreken staande,
‘koude oorlog*.
De KM was, in de jaren voor die grote tweede
wereldoorlog, totaal verwaarloosd. Gedurende de eerste wereldoorlog al, die van
1914-1918 duurde, was ons land neutraal geweest en de toenmalige regeringen en
de bevolking van ons land, hoopten dat we dat toen zo zouden kunnen houden. Er
waren stromingen in ons land die vonden dat wij, neutraal landje als we waren,
niet moesten gaan bewapenen om de landen om ons heen, bedoeld werd Nazi
Duitsland, te provoceren, door er een grote en sterke en moderne Defensie op na
te gaan houden. Dat scheelde natuurlijk ook lekker in de Staatsuitgaven, want ‘wie
ben’t zunig natuurlijk, zeggen Zeeuwen en ja, dat zijn ook Nederlanders en dat
zijn we al helemaal als het om ‘nutteloze’ uitgaven gaat als voor die
‘opvreters’ van Defensie, zoals men toen meende. (Schandalig genoeg omdat ons
land rijk genoeg was door de inkomsten uit wat toen nog ‘ons Indië heette. Mijn
persoonlijke mening is dat onze defensie indertijd verraden is door de steeds
meer bezuinigende regeringen uit die jaren, maar goed dat is een hele discussie
an sich.)
In de Great War, La Grande Guerre, de (Eerste) Wereldoorlog
dus, waren landen als België, Groot-Brittannië en Frankrijk opeens volwassen
geworden. Het is niet meer voorstelbaar, in onze ogen van nu, hoeveel jonge
kerels er op de slagvelden van Vlaanderen en Frankrijk, maar ook op de Turkse
stranden van Gallipoli, in het toenmalige Palestina, in Namibië of in het
tweestromenland, en, nu ja, wereldwijd eigenlijk, zijn gestorven. Ik schrijf
dit verhaal niet om over die oorlog uit te gaan wijden, maar ik geef alleen
aan, dat ons land er in 14-18 door gesloft* was. Dat zou, zo was de publieke
opinie, ook wel weer mogelijk zijn tijdens de dreigende jaren dertig, waarin
Hitler aan de macht kwam, toch? Dus, zoals gezegd, onder diverse regeringen
werd er meer en meer bezuinigd (op van alles, maar zeker op de leger uitgaven) en
verslonsde onze Defensie helemaal.
Maar goed, nu even terug naar de jaren vijftig.
Er was opeens weer geld om Defensie op nieuw op te bouwen, doordat de NATO was
gevormd en Hank the Yank veel investeerde in die Defensies van haar bondgenoten,
vooral om de angst voor de Russen. Voor hen die te laat zijn geboren: de angst
voor het communisme nam enorme vormen aan en misschien wel terecht. Hongarije werd
in 1956 overvallen door Rusland, in 1968 kwam er een einde aan een voorzichtige
democratie in Tsjechoslowakije, dat was toen nog één land. De “Praagse lente”,
zoals die stroming genoemd werd, was met een klap voorbij.
Ons land bouwde, onder impuls van de NATO, haar
leger en haar marine en luchtmacht weer op. Er kwamen gelden vrij voor het
bouwen van twee kruisers, de regering kocht een ‘dikke boot, de KAREL DOORMAN, het vliegdekschip Venerable, over van de Britten en er werden twaalf
jagers gebouwd. Er werden een aantal fregatten van de US Navy overgenomen. We
hadden toen een KM van dik 20.000 mensen in de jaren zeventig, toen ik net in
dienst kwam. Maar, eind jaren zeventig was die ooit moderne vloot al aan het
slijten en werd ze achterhaald door de moderne ontwikkelingen en ja, de jagers
moesten eigenlijk wel vervangen worden. Hoewel het geweldige snelle, een
snelheid tot 36 knopen, en goed bewapende schepen waren, tweemaal twaalf
centimeter kanons, vier tot zes veertig millimeter lucht afweerkanons, twee
diepte bomrekken en, naast een lichtraketwerper, ook nog eens twee raket
dieptebomwerpers, was hun tijd achterhaald. De schepen werden hopeloos
verouderd, doordat de nucleaire onderzeeër zijn intrede had gedaan en doordat
de jetvliegtuigen verder ontwikkeld werden. Er moesten andere en betere schepen
komen. (Het waren ontzettende fraaie schepen om te zien, overigens. De bemanningen
hielden van die schepen maar het varen op die jagers was geen pretje, hoor.)
Er werd door allerlei commissies gekozen voor
fregatten. Een type van oorlogsschepen die, na de Napoleontische oorlogen,
jaren niet meer in gebruik was geweest, maar nu, in alle marines over alle
landen, nieuw leven kreeg in geblazen. Een fregat was van oudsher een
driemaster, een fiks schip met tussen de 24 en 48 kanons, met een bemanning van
rond de 250 tot 300 man en het was vooral een snel schip, dat vaak en vooral werd
gebruikt al verkenningseenheid. In WO2 kwam dat type schepen weer voor het
voetlicht, maar vaak was zo een fregat uit die tijd een overhaast gebouwd schip
die de onderzeebootdreiging dan maar aan ging pakken en dat dan vaak met heel
veel succes deed.
Dus besloten wijze mannen, ik schreef het al, in
de jaren zeventig om de jagers, die vervolgens werden verkocht aan vaak
Zuid-Amerikaanse landen, te vervangen door twaalf fregatten. Deze, hele fraaie,
schepen kregen traditioneel de namen van zeehelden in plaats van steden of
provincies.
Omdat onze maritieme historie ritselt van de
zeehelden en we ondertussen al twee ‘dikke’ boten hadden die TROMP en DE RUYTER heetten, werd voor
de nieuwbouw fregatten gekozen voor wat minder bekende Admiraals of
vlootvoogden. Die dikke boten waar over ik sprak waren natuurlijk de aflossers
van de eerdergenoemde kruisers. Als bijzonder kenmerk hadden ze een zogenaamde
3D radar, die in een enorme lelijke, koepelvormige dome verborgen zat en die de
schepen zo de bijnaam ‘Kojak’, (ja je mot echt even van de jaren zeventig zijn
hoor om die te vatten), gaf. Uitleg? Kojak was een detective serie, starring
ene Telly Savalas, die een enorme bats had. KM-gein dus.
Daarvoor had ons land al de VAN SPEIJK klasse fregatten gebouwd, een licentie bouw van de
Britse LEANDER-klasse. Er schijnt een
KB te zijn dat bepaald dat er altijd een oorlogsschip Van Speijk zal heten. In
mijn laatste jaren was het een mijnenveger, geloof ik. Waarom die Van Speijk
tot eeuwige dage herinnerd moet blijven is mij een raadsel overigens. Zo groots
was zijn daad niet, in mijn ogen en die van de echte mensen die het kunnen
weten dan, maar soit. Goed, ook de Van Speijks verouderden, wederom veranderde
de oorlog ter zee, zeg maar en weer moest de vloot worden aangepast. Nu waren
het voornamelijk schepen die de nieuwerwetse raketten en supersonische vliegtuigen
moesten bestrijden.
Men besloot tot het bouwen van een serie van
twaalf schepen die de naam KORTENAER-klasse
zouden krijgen.
Het sloeg, bij het gemiddelde marinepersoneel in
als een bom. Niet zozeer dat er nieuwe fregatten werden gebouwd, dat zou echt
tijd worden, maar wel de naamgeving van die nieuwe schepen. Ik moet zeggen dat
ik ook wel wat ophoorde van die namen. Wie had er ooit gehoord van Bloys van Treslong, dat was een
watergeus, bleek, maar wie had ooit gehoord van Philips van Almonde, wie kende de naam Banckert, of Pieter Florisz?
Ik moet toegeven dat ik de namen Witte de With en Pieter Florisz wel kende. Ik
had ooit eens een boek over die marinemannen gelezen, dat was geschreven door
de, helaas al lang vergeten schrijver Dick Dreux. (Mocht je geïnteresseerd
zijn: het boek heet ‘Vals Goud’, een fraai boek over een van de vele Engelse
oorlogen, dit terzijde.)
In ieder geval waren dat die jaren de jaren van
het verminderde nationalisme en waarschijnlijk wilden de wijze heren met de
puntige hoofden, gekleed in colberts met veel balpen pennen in hun jaszakje,
vermoedelijk niet te veel aan dat Nederlandse natie gevoel gaan toevoegen en
besloten ze dus maar om wat minder klinkende namen aan de nieuw te bouwen
schepen te geven. Ik kan nu wel een hele verhandeling gaan houden over de
politieke situatie in die tijd, maar dat gaat te ver voor dit boek.
Verder nu over die klasse schepen zelf en ik
raadpleegde hierbij een aantal boeken, waaronder een van een oud marineman, William
van Amstel, “De schepen van de KM, vanaf 1945.” (ISBN: 9060139976 Uitgegeven
bij: De Alk, Alkmaar. Jaartal: 1991) Die man, hij was ooit een Naut, voer onder
andere op de ROTTERDAM waar ik
destijds ook op geplaatst was en heeft ook heel even op de Almo gediend, als ik
het goed heb. Ik heb hem dus redelijk goed gekend.) In elk geval: die Kortenaer
klasse, met de twee afgeleide schepen, de Jakob van Heemskerk en de Witte de
With, waren fraaie en hele ‘nieuwerwetse’ boten, vol met allerlei nieuwe (vaak computergestuurde)
technieken en wapensystemen. Ik ben geen techneut natuurlijk, maar de ‘stokers*’
waren helemaal wild van hun twee machinekamers, met allemaal hele goede turbine
motoren (tribune, hoorde ik een oudere onderofficieren steevast zeggen, lees straal-
of vliegtuigmotoren. Dat waren Olympus en Tyne machines, ik geloof gebouwd door
RR, Rolls Royce dus. “We sail RR”, zeiden we weleens trots.)
De wapen technische dienst, de WD, was helemaal
lijp van de bewapening, die indrukwekkend was voor een relatief kleine romp.
Een Oto Melara kanon, een Italiaans fabricaat, het was een 7,6 cm snelvuurkanon
op de bak en een 40 mm dubbelopstelling op het dek boven de hangar, daarnaast ook
nog eens acht Harpoon Sea Sparrow Missiles voor de brugopbouw en tweemaal twee torpedo
lanceer (324 mm, begreep ik) buizen in elke breezij, de brede zijde van het
schip.
De Spodo’s* waren al helemaal in hun sas met hun
meer dan geavanceerde radar en onderzeeboot opsporing apparatuur en wat voor
interessante dingen ze nog meer hadden. Bijvoorbeeld hadden ze Helicopter
Direction Officer en Fighter Direction Officer controles. Vraag me niet
helemaal hoe dat zit, hoor, ik was een simpele logistiekeling. Lezers van het
boek, bekend met die systemen, vullen het zelf wel in.
De Elektronische Oorlog Voering mensen, de EOV,
waren helemaal blij met hun apparatuur, zij, diep verborgen in de buik van het
schip, hadden geweldige dingen om mee te kunnen knoppenbonken* en konden de
vijand al vanaf 1000 mijl aan horen komen. Zeiden ze.
Ze zeiden ook, vol trots, dat ze zulke slimme
apparatuur hadden dat ze bijvoorbeeld ook de naam van de commandant van een
vijandig vliegtuig konden benoemen. (Ja, dat vonden wij, de rest van het schip:
‘Arie.’ Arie is een vreemde uitspraak, maar het heeft de betekenis van:
opschepper, branie, zoiets dan.
De vliegdienst, mits aanwezig, had een hangar
voor twee Sea Lynx heli’s, mits die al aanwezig waren en hadden een enorme
werkplaats met allerlei gereedschappen or het onderhoud van die heli’s. (Omdat
de KM niet voldoende heli’s had, waren we, na de avonturen met de Duitse Lynx
en daar van verlost en konden we de hangar inrichtte als een soort sportschol
en ‘fietsen’ bergplaats.
De ouwe en de zeeofficieren waren al helemaal
happy met een schip dat op trok als een vliegtuig en bijna om haar eigen as kon
draaien!
De Nauten, de echte ouderwetse dekdienst, met zo
een fraaie uitmonstering van twee gekruiste ankers en het oudste dienst van de
marine ooit, hadden hun waaigat. Dat stuk dek onder het hangar dek waar trossen
of konden worden uit gegeven naar de wal. Ook leuk. Nee, ze hadden ook fraaie
posities in de brede zij van het schip voor het BOZ’en en andere zaken
De Logistieke Dienst Verzorging had heel veel fraaie
koel- en vriescellen, ze hadden uitgenaste pantry’s en warmhoud kasten, afwasmachines
en allemaal geweldige kooktoestellen in de kombuis. De bakkerij was zelfs beter
geoutilleerd dan bij een echte bakker aan de wal, hoor.
De LDA had een mooi bureau Commandement met heel
veel ruimte voor het administratieve personeel. Er was zelfs een tweede bureau
voor personeelszaken en zo. Rein, de chef van de LDA, was overigens ook ‘kas houdend
Onderofficier’, zoals dat werd genoemd. Nee, hij was geen grootbankier, maar er
gingen toch dagelijks duizenden guldens door zijn hand. Aan betalingen aan de
mannen maar ook aan betalingen aan de leveranciers en zo. Hij deed dat helemaal
goed, hoor, het was een feest om bij Rein te komen en een babbel te maken
terwijl hij een betaalkaart aan je uitbetaalde. De Magazijn beheerders, de LDGB, hadden een
heleboel magazijnruimtes om hun spullen in op te bergen en de enige die echt
een klein beetje chagrijnig was, was de korporaal ziekenverpleger.
De wijze heren van het Helderse medische commando
(dat waren toch al geen mensen die erg operationeel dachten) hadden het wijs
geacht om een röntgen toestel te installeren. Deze wijze heren, gek genoeg wel
voortkomend uit die LDGD, de Logistieke Dienst Geneeskundige Dienst, maar, zoals
gezegd, bijna allemaal mensen zonder enige operationele ervaring, begrepen niet
dat je, om goede röntgenfoto’s te kunnen maken, je ten eerste een gedegen
opleiding in die richting moest volgen. Dat je, om goede röntgenfoto’s te
kunnen maken, ook een compleet stilliggend object moest hebben en dat het ontwikkelen
van foto’s (toen nog) in drie stadia gebeurde, namelijk: ontwikkelen, spoelen
en fixeren, en dat die alle drie zogenaamde natte stadia zijn. Vocht aan boord
van een varend en dus slingerend schip gaat altijd klotsen en over de randen
van een bassin springen, dus nee, dat was geen wijze beslissing van die
Helderse groep. Ik heb ook nooit een röntgenfoto kunnen maken, al varend. Zoals
zoveel van de Helderse besluiten geen goede besluiten en dit was dus weer een
heel slecht denkbeeld.
Maar goed, we hadden er een hele klasse
prachtige en functionele schepen bij. Eerlijk is eerlijk. De Nederlandse
scheepsbouwkunde behoort niet alleen tot de beste, maar zeker tot de fraaiste
ter wereld. Onze kruisers waren fantastisch om te zien, je kon smullen van de
jagers en ja, ook deze fregatten waren van een ontroerende schoonheid. (Latere
schepen, de DOORMAN en nu de ZEPROV en HOLLAND-klasse zijn natuurlijk ook
prachtschepen om te zien.)
De Duitsers hebben veel van onze plannen
overgenomen en kwam tot hun “Bremen en “Braunschweig” klasse boten.
De eerdergenoemde Heemskerk en De With waren van
een iets afwijkend type. Qua lijnen en tonnage dan niet, maar zij waren zogenaamde
lucht verdedigingen fregatten en hadden daardoor geen helikopterdek en waren
niet voorbestemd om onderzeeërs op te sporen.
De schepen van de Kortenaer klasse zijn tussen
1978 en 2003 in dienst geweest en zijn daarna allemaal verkocht aan onder
andere Griekenland en de Verenigde Arabische Emeritaten. Ik geloof dat de Piet
Hein zelfs is omgebouwd tot luxe jacht? Nu ja, wij vonden onze ALMO toen al een
luxe jacht.
Een ding moet ik nog even kwijt over de trots
die wij in ons, of op ons, schip hadden. In de Alle Hens, een weekblad voor de
KM, stond eens een limerick afgedrukt. Ik heb het toen uitgeknipt en heb het
strookje papier jaren in mijn portefeuille meegedragen, maar ja, het was na
twintig jaar zo verweerd, dat het bijna uit elkaar viel en ik het wel weg moest
doen. De schrijver van die limerick schreef iets in de trant van:
Een matroos deed een grote zonde
=Hij moest gestraft worden en zo=
Dus kreeg hij een straf die nog moest worden uitgevonden
Dus plaatste men hem op de Philips van Almonde.
Een onschuldig rijmpje, misschien? Nu, niet in
de ogen van onze SMJRLDA Rein, die in woede ontstak en de redactie van de Alle
Hens een “schijtbrief” schreef, waar de honden geen droog brood van lustten.
Dat was nog in de afbouw fase, het schip lag nog op de werf. Zo sterk was de
band dus al met wat nog de ALMO moest worden dat Rein hier zo sterk op
reageerde. De sfeer was geschapen.
Ik kom over Rein terug.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten