Maar goed, op een gegeven moment meerden we
af in Portsmouth, ofwel, Portmuiden, zoals de oude Nederlandse zeevaarders die
havenstad noemden. Grappig genoeg zijn er in de Amsterdamse westelijke haven
allemaal straten, sterker er is zelfs een heel fraai fietspad, vernoemd naar
die op zijn Hollands uitgesproken, Engelse havensteden. Je hebt er natuurlijk
Pleimuiden, Poortland, Jarmuiden, Aberdaan en, de mooiste, die me erg trekt,
want dat is dat mooie en lange fietspad: Daveren. Nu ja, er zijn meer van dat
soort namen, maar dit helemaal terzijde.
Portsmouh
dus. Een van de oudste Engelse marine havens, hoewel? Nee, ik ga verder niet
over de Engelse maritieme geschiedenis in. Portsmouth (Nederlands, verouderd: Portsmuiden) is een
havenstad in het zuidoosten van Engeland in het graafschap Hampshire
aan de zeestraat de Solent.
De ‘Butsen’, de Mariniers bijnaam voor Engelsen, noemen Portsmouth ook wel
‘Pompey.’
Portsmouth is
een belangrijke marinehaven en een van de thuishavens van
de Royal Navy.
De stad heeft dan ook een uitgebreid scheepvaartmuseum
met diverse historische oorlogsschepen. Twee van die schepen zijn HMS Victory, het fraaiste en grootste klassieke
oorlogsschip uit de zeilschip tijd. Zij was het vlaggenschip van admiraal Horatio
Lord Nelson in de slag bij Trafalgar. Die zeeslag vernietigde de gecombineerde
Franse en Spaanse vloten en was, uiteindelijk, de doodsteek voor Napoleon, bleek
later. Genoeg geschiedenis. Gaan we verder. (Het
tweede schip is de Warrior, overigens.)
Ik moest en zou
natuurlijk de Victory bekijken. Als jong mens had ik ooit een bouwpakket van
dat schip gehad. Jullie kennen die bouwdozen vast nog wel. Het waren allemaal fraaie
dozen met mooie plaatjes er in en er op, van zo het er uit hoorde te zien als
het echt helemaal af was, maar wat vaak heel anders uitpakte in de praktijk. Als
je de doos opende zag je binnenin zo’n frame met allemaal onderdelen en vooral
onderdeeltjes, die vaak pietepeuterig klein waren. Maar goed, ik had dat bouwen
van die Victory in een paar weken af en, trots als een pauw had ik het model op
mijn slaapkamertje staan. Het stond er jaren later nog, toen ik de KM in ging,
overigens geflankeerd door modellen van de Bismarck,
de Ark Royal en de Warspite. Ik
was natuurlijk vreselijk benieuwd om het schip in nu eens het echt te zien. En,
verdulleme, dat kon!
Het fraaie en
imposante schip lag in een droogdok en was geopend voor bezoek. Nu ja, ik kan
het niet laten, maar even een kort stukkie geschiedenis weer.
Het schip is het oudste, nog steeds in
dienst zijnde, oorlogsschip ter wereld. Ze is in 1768 in dienst
gesteld. Ze is, met de boegspriet meegerekend, zeventig meter lang, zestien
meter breed en steekt acht meter onder de waterspiegel. Vanaf de waterlijn tot
aan de kloot van de grote mast is het een hoogte van 62 meter, een hoogte waar
een kerktoren jaloers op zou zijn. Het heeft acht jaar geduurd om het schip te
bouwen, de bouw koste, in huidig geld, bijna acht miljoen pond, nu ja, hoeveel
euro is dat? Een pond is nu 90 cent tegen de euro, (voor de brexit in 2018) dus
reken maar uit. Maar dat is natuurlijk niet echt geldig, een pond in die jaren
was bijna een week loon voor een geschoold arbeider, denk ik. Nu ja, laat het
zitten. Oh ja, er waren 6000 bomen voor nodig, vooral eiken, om haar te bouwen.
De Victory had drie geschutsdekken met daarop 104 kanons.
Toch is het niet altijd zo fraai
onderhouden geweest. In 1824 werd ze als havenschip, dus een drijvende kazerne
zeg maar, gebruikt en ja, zoals het gaat met mensen die niet meer actief zijn,
zo gaat dat ook met schepen. Ze worden oud en gaan slecht worden. Pas na een
eeuw later besefte men hoe slecht het schip er wel aan toe was en toen pas werd
een stichting in het leven geroepen om haar te behouden. Vanaf die tijd ligt ze
in een droogdok en wordt ze goed verzorgd en onderhouden.
Het aantal bemanningsleden dat ze
momenteel heeft loopt in de duizenden, hoewel die niet daadwerkelijk aan boord
zijn natuurlijk, maar al het RN-personeel dat in het Verenigd Koninkrijk op een
bijvoorbeeld vaag onderdeel van een ministerie werkt, wordt zogenaamd geplaatst
op HMS Victory.
Het schip is het meest bekend geworden
doordat ze als vlaggenschip onder admiraal Lord Nelson bij Trafalgar in 1805 dienstdeed
en waar Nelson die meest befaamde slag won, op 21 oktober was dat. Nelson
sneuvelde tijdens die slag, overigens. De Victory moest toen toch overigens al
een aardig oud beestje zijn geweest.
Ik stapte, met nog wat collegae, aan
boord, kocht een kaartje en we liepen door de entreepoort in het tussendek,
naar binnen. We waren verbijsterd. Ja, het schip, bijna helemaal leeg nu, leek
groot en breed, maar zo vreselijk laag! Je stootte bijna de hele tijd je
kneiter als je niet goed oplette. De kanons stonden tegen de wand gebakst, denk
ik, net als toen, maar wij moesten er niet aan denken hoe het geweest moet zijn
als wij in dit schip, volledig bemand met zo’n 800 kerels, hadden moeten
verblijven.
De stank van al die bijna altijd
ongewassen lijven, sanitair bestond eenvoudig niet, de stank van de kookketels,
van het ranzige eten, van teer en taan, moet overweldigend geweest zijn. En die
gasten lagen en verbleven en amuseerden zich dan weken en maanden achter elkaar
in die ruimtes, ze sliepen allen in hangmatten en dat wacht in en wacht uit,
vier uur op en vier uur af. Bij tropische hitte, bij pool temperatuur achtige
kou, bij storm en ontij. Openteren in het want moet werk geleken hebben voor
mensen die in het circus werkten maar deze kerels deden als routine dat en ook nog
bij noodweer. Ja, houten schepen, ijzeren mannen. Zo heette dat en zo moest het
ook geweest zijn.
In het bijzonder wilde ik natuurlijk de
ziekenboeg zien, onderin en voor in het schip, en zag met ‘plezier’ dat die
ruimte voornamelijk rood was geschilderd. Een bordje legde uit dat dat was
omdat zo het bloed van al die geamputeerde ledematen niet zo af zou schrikken.
De patiënten lagen in een soort aangepaste hangmatten. Dat was in die tijd de
manier om aan boord van schepen te pitten, maar ik zag later, op een
Nieuw-Zeelands (Leander klasse) fregat ook dergelijke opstellingen, in ieder
geval bedden die helemaal vrij konden hangen, zodat de patiënten zich nooit
hoefden schrap te zetten zoals in onze ziekenboegen.
Op de
eenentwintigste oktober van elk jaar wordt nog steeds die slag herdacht met een
groots diner aan boord. Deelnemers aan dat diner zijn natuurlijk allemaal
hotemetoten uit de Britse hotemetoten wereld.
Een paar
keurige plaatjes, in de dekken geplaatst, gaven aan waar Nelson was geraakt en
waar hij was gestorven. Nu ja, al met al was het behoorlijk indrukwekkend. We
namen wat brochures mee, ik kocht nog een boekje (HMS Victory, ISBN
0-85372-454-7 mochten jullie het willen bestellen) en na een uurtje of wat
stonden we weer aan wal. Iets verder op in de haven zagen we de mast van ons
schip uittorenen boven wat gebouwen. Hoe flink bewapend en indrukwekkend die
Victory dan ook moge zijn, tegen een schip als het onze kon het natuurlijk al
helemaal niet op. Zelfs een vloot van die heel indrukwekkende driedekkers kon
niets beginnen tegen zelfs slechts een modern oorlogsschip natuurlijk. Maar
goed, dat is allemaal evaluatie, nietwaar? De baron Von Drais kon ook niet
weten waar zijn uitvinding, de eerste loopfiets, naar toe zou leiden.
Dus hadden we
toen maar even een pint gepakt en zo op naar de stad. Portsmouth is een leuke
haven en biedt veel horeca vertier, maar heeft ook hele leuke boekwinkeltjes,
dus ik had een aangename middag.
(Later is in
Portsmouth ook het museumschip HMS Warrior terechtgekomen. Dat is ook zeker een
bezoekje waard, mocht je nog eens in die stad komen.)
Later heb ik
het VOC-schepen Amsterdam en de Batavia bezocht. Die waren natuurlijk ‘nieuwbouw’
begrijpelijk, maar dat was totaal niet zo imposant om aan boord van de Victory
rond te kruipen. Tijdens een bezoek aan Greenwich, daarover later, kwam ik aan
boord van de meeste befaamde Engelse Tea clipper ‘Cutty Sark’ terecht. Ook al een relikwie, maar ditmaal uit de
negentiende eeuw en weer was ik onder de indruk van de scheepsbouw uit
vervlogen tijden.
Maar goed, Portsmouth
zorgde echter wel voor een probleempje bij het ontmeren en de haven werd meteen ook de
geboorte van een held.
Een van de mannen was natuurlijk ook gaan
passagieren en had er een aardige vriendin aan over gehouden. Nu was hij gewoon
vrije jongen, zonder enige binding dus dat was verder geen probleem voor hem.
Zij was ook ongebonden dus nee, het was allemaal helemaal prettig en er waren
en werden no strings attached, zeg maar. Er was helaas een probleem en dat was
de tijdelijke schoonmoeder van de maat, we zullen hem X. noemen voor het gemak. Die schoonmoeder was
een nogal imponerende en imposante verschijning, qua lichaamsmaten dan en
vooral de voorbouw, de boeg dus, was imponerend, vertelde X. later. Hij, en zijn hele tijdelijke verloofde,
wilden wel even rollebollen, maar ja, de liefde bedrijven waar schoonmama bij is,
was natuurlijk geen goed plan. Goed er lopen mensen met wat vreemdere ideeën op
dat gebied rond, maar X. was dus niet zo. Hoe krijg je een tijdelijke schoonmama
tot rust? Dan neem je een dus, op navraag aan vriendin, een fles rum mee uit de
pub en geef je haar wat te drinken. Dat deed die dame overigens graag en veel
en enige tijd later was ze aanvankelijk vrolijk maar later behoorlijk vermoeid
en iets later helemaal onder zeil.
Dus was dat probleem opgelost. Er kwam echter
nog wel een ‘minor problem’ opdagen en dat in de vorm van een hondje. Het was
het type KL’ tje. Hoe? Wat is dat? Nou laat je fantasie zijn gang gaan. Het
heeft met vrouwelijk geslachtsorgaan te maken en met het bewerken van een
ijsje, snap je?
Het diertje, een stevig mormel, met een dik lijf
en enorme worstachtige pootjes, had de hele tijd ergens verscholen gelegen in
een mand, of misschien wel onder de stevige en hangende borsten van de
schoonmoeder of zo. De Canis, dit is Latijns voor hond, hoorde, het minnespel
was nu in een vergevorderd stadium gekomen, het jongere bazinnetje kreunen en
hijgen en dacht wat trouwe honden dan zo allemaal denken en deed wat trouwe
honden dan zo allemaal doen. ‘F… it’, (ja het was een Engels hondje, dus die sprak,
Engels, oké, je hebt hem) ‘mijn bazinnetje wordt aangevallen! So, I will attack!’
Honden zijn honden. Trouw en actief en trots op
hun status van: beste vriend van de mens. Katten, zelf ben ik nogal een katten
mens, mijn hele gezin overigens, zijn niet zo. Katten denken: ‘Oh, man, word ik
weer wakker gemaakt. P…, (geen Sh.., mijn katten zijn Nederlands), is er
eigenlijk nog wat te vreten ergens? Nee? Nou, dan nog maar even pitten. Laat
die mensen het maar uitzoeken!’
Terzijde: katten hebben geen bazen, maar
ze hebben personeel.
Maar niet zo The Dog! Maat lag net, hoe zal ik
het zeggen, eh, hij was net nu ja, gereed met het aangename karweitje, zeg maar
en lag samen met haar, nu bijna zijn hoofdverloofde, uit te hijgen van het
vermoeiende samenzijn dat ze uiteindelijk allebei gewonnen hadden na een strijd
die was uitgevochten op de bank en op de vloer. Maar: Dog was dus in 'Attack mode'.
Hij nam een korte aanloop met zijn dikke worstenpootjes en ja hoor! Hij viel X.
aan en beet hem in zijn, nee, dat zou wel leuk zijn geweest, maar nee, hij beet
hem in zijn neus. ‘Gvd!’ deed X. Helemaal in het Nederlands, er was geen woord
Engels bij. De wond was diep genoeg om te gaan bloeden en deed behoorlijk veel pijn
ook nog eens. De hoofdverloofde was ondertussen door het geblaf en gevloek tussen
man en ‘his best friend’ ook wakker geworden en ze wierp meteen een aantal
tissues in de strijd. Willen jullie echt weten waar die tissues vandaan kwamen?
Nu ja, een hint, ze waren nog warm en vochtig. Het ergste bloeden werd overigens
gestelpt, de ‘woef’ werd even op de gang geparkeerd en het liefdesleven
verplaatste zich naar een daarvoor aangewezen locatie, zijnde de ‘bedroom’ van
de deerne. Nu ja, ik ben er niet bij geweest, maar het schijnt achteraf een
vrij vruchtbare onderneming geweest te zijn. Daarna trad de rust in. Zoals na
elke gewonnen slag of wedstrijd is het goed rusten of toeven in een warm bed. De Tour win je in bed, zei Joop
Zoetemelk altijd.
Maandagmorgen, aan boord van de Almo. 0900.
(Zulu of X-ray tijd, ik heb het allemaal nooit echt begrepen, overigens:
verbindelaars: praat me bij.) “Attentie, hier de brug: meerrol op post, meerrol
op post. Het tenue bij meerrol is daags blauw met rein wit hoofddeksel.
Korporaal G. melden in de hut van de EO. Uit!”
“Attentie, hier de TC: Zeewacht, zeewacht, zeewacht. Rood
sluiten.” Nu ja, na al die lange jaren ben ik de echte terminologie kwijt, maar
zo ongeveer klonk het. Het was 0900. De oude marine regel gold weer. Een
kwartier voor de schipper, een kwartier voor de eerste officier, want we zouden
eigenlijk pas om 0930 vertrekken. De meerrol kwam op post, de bezetting van de TC
ook, nu ja, iedereen kwam, vaak katterig en soms ‘hungover’, zijn ding doen.
Echter niet X. Zijn plek tijdens meerrol, in de bredezij, bleef onbemand. De
kwartiermeester die daar de leiding had, meldde dat aan de luitenant ter zee die
verantwoordelijk was voor dat deel van het schip. Die officier, typisch een jongere
luitenant ter zee, wist niet wat hij moest doen. De kwartiermeester, zijn
rechterhand, natuurlijk beslist wel: “Ik bel even naar zijn werkplek, die hebben
hem wel gezien, denk ik.” Hij liep naar een nabij zijnde telefoon, toetste het nummer,
stelde een snelle vraag en luisterde. “Nee mijnheer, zijn korp heeft hem nog niet
gezien.” Tegen een andere matroos: “Piet, loop even naar zijn rukbunker. Misschien
is ‘ie ku… muf geweest. Zeer goed porren, Heeft drank op, denk ik!”
Piet was snel weer terug. “Nee mees, hij ligt
ook niet in zijn graf.” De eerste officier, een wijs mens, die het gedruis natuurlijk
had gemerkt, kwam even kijken wat er loos was. De jonge officier vertelde, wat
gniffelend, dat er een ‘achterzeiler*’ was. Die snotneus had er natuurlijk geen
idee van wat het betekend om een achterzeiler te zijn of een achterzeiler niet aan
boord te hebben. De EO vroeg en kreeg de naam van die man en schudde, hij was, zoals
gezegd een wijs mens, het, ondanks de nog niet zo verregaande leeftijd, toch al
geplooide hoofd.
Over die bak één, van toen, die groep
officieren, van de Almo. Ik had het wel eens over de ouwe, die een erg goed
mens was, maar dat was net zo voor die toenmalige, (en ook een latere) EO. Ko,
zo heette onze eerste First*. Ko de
boswachter zoals hij werd genoemd, naar een populaire kinderserie uit die
jaren, was een fijne peer, sterker: hij was een hele fijne peer. Hij was
grijzend, had een zogenaamde ‘plooienbak’ en een scheve lach en een
aanstekelijke grijns. Hij luisterde naar zijn mannen en gaf advies en volgde ook
adviezen van zijn mensen op. Kortom: weer zo een ‘mensch’ die helemaal en totaal
op dit schip hoorde. Hij keek streng naar de jonge LTZ. Zo streng dat de jonge man
al door had dat ‘ie nooit meer Schout Bij Nacht zou worden als het aan zijn
Eerste Officier lag. Ko vroeg om uitleg. De jonge officier krabbelde wat terug en gaf wat uitleg.
“Doorgaan, mijnheer”, zei de EO. Dat is voor jonge officieren dodelijk. In het
Nederlands van de marine betekent dat: “doorgaan” dat je als officier totaal naar
de klo… wordt gewenst! Jong officiertje af. Het was nu werkelijk 0930, dus tijd,
getij en de slepers lagen klaar. Niet dat de ouwe die slepers gebruikte, overigens,
die meerde af en ontmeerde zoals wij een fiets neerzetten.
Maar, na ons moest de plek worden ingenomen door
een UK-fregat, dat al nijdig seinend lag te wachten. (Het: “How long will you
be?” was een sch... seintje van die commandant aan de onze. “About 120 meters”, liet de
ouwe Kees terug seinen.)
Vertalen? Niet nodig, denk ik.
Ko kon verder niets meer doen of ook nog niet meer
tijdrekken. “Ok, mannen, plank binnen!” En, via de Storno naar de brug: “Gereed
voor ontmeren”. De plank werd weggehaald, springen en trossen werden
losgegooid, de officier van de wacht gaf roer- en machinekamer orders en de
eerste man boog zijn hoofd een beetje naar links en rechts om te zien of alles
goed ging en er kwam opeens een taxi, luid toeterend en met zijn lichten seinend,
op de kade aangestormd. Ko de boswachter keek natuurlijk op en had het door.
“Vast*!”, brulde hij en alles stopte heel even. De taxi stopte met gierende
banden. In het voertuig zag men het overdragen van biljetten en, ja hoor, X. sprong
eruit!
Een gejuich klonk op aan boord. De bijna
achterzeiler nam de looppas aan: ‘een-twee, een-twee, een-twee enzovoort’,
zoals hem dat geleerd was in zijn Eerste Militaire Vorming. Hij jumpte fraai over
de twee meter water die het schip van de kade scheidde, de railing was, gelukkig
voor hem, nog niet geplaatst, hij maakte een fraaie duik en ja, hij belandde
aan de voeten van Ko.
Die keek streng, heel streng. Hij keek ook wel heel
opgelucht maar ook weer niet echt blij, maar de strengheid overheerste. X.
stond op en keek naar de EO. Die keek hem ook recht in zijn ponum, zag de snee
in de neus van maat. Nog strenger kijkend vroeg hij: “Heb je gezopen, mijn
jongen?” “Ja, mijnheer!” “Heb je ook gene…, mijn jongen?” “Ook mijnheer!” “Dan
is het goed. Sodemieter nu maar op!”
X. deed dat. Hij heeft er nooit meer wat over gehoord.
Niet officieel. Maar de Eerste Officier wist hem daarna wel te vinden. Als er
vervelende karweitjes waren, buiten de echte uren, was die maat vaak de
‘vrijwilliger van dienst.’
Zo werd de Eerste Officier dus een held voor de
bemanning. Ja, je maakte fouten en nee, je werd niet meteen gerapporteerd. De,
terechte, straf die je kreeg werd in natura betaald.
Almo, schip van mijn dromen.
Prachtig zulke ware verhalen die ik zelf ook meegemaaakt heb herrriner me nog wie kan de mooiste vrouw a/b van de almo krijgen of delelijkste wij de pub in en willem bosch m stapmaatje ziet een barrel vn een women ineen invalide karretje zitten en wij vragen haar voor a/b te komen Nu dat wilde ze wel graag bij de hollanders nu a/b sprong ze over de waterdichte keringen als fanny blankerschoen haar invalide kar stond netjes op de wal bij de valreep Maar ieedereen moest om 24,00 van boord en de werf aldqaar zijn ECHER een probleem !!!! wat matrozen die met een stuk in de fiets a/b kwamen fikkerde haar karretje te water Groot probleem Maar niets gezegd of afgemeld de ooff v/d wacht lulde ook nergens over en ik duiken naar dt karretje en kwam inderdaad van 23 meter weer omhoog op de kade en kon die miep weer naar huis toe Hier is nooit overgeluld want anders hd er wel een bries gestaan dat was hetb weer lucas
BeantwoordenVerwijderenTon, neem ik aan?
VerwijderenLOL, wie ben je?
BeantwoordenVerwijderen