woensdag 19 december 2018

De Almo 8: proefvaart III, de bijna achterzeiler


Maar goed, op een gegeven moment meerden we af in Portsmouth, ofwel, Portmuiden, zoals de oude Nederlandse zeevaarders die havenstad noemden. Grappig genoeg zijn er in de Amsterdamse westelijke haven allemaal straten, sterker er is zelfs een heel fraai fietspad, vernoemd naar die op zijn Hollands uitgesproken, Engelse havensteden. Je hebt er natuurlijk Pleimuiden, Poortland, Jarmuiden, Aberdaan en, de mooiste, die me erg trekt, want dat is dat mooie en lange fietspad: Daveren. Nu ja, er zijn meer van dat soort namen, maar dit helemaal terzijde.

Portsmouh dus. Een van de oudste Engelse marine havens, hoewel? Nee, ik ga verder niet over de Engelse maritieme geschiedenis in. Portsmouth (Nederlands, verouderd: Portsmuiden) is een havenstad in het zuidoosten van Engeland in het graafschap Hampshire aan de zeestraat de Solent. De ‘Butsen’, de Mariniers bijnaam voor Engelsen, noemen Portsmouth ook wel ‘Pompey.’
Portsmouth is een belangrijke marinehaven en een van de thuishavens van de Royal Navy. De stad heeft dan ook een uitgebreid scheepvaartmuseum met diverse historische oorlogsschepen. Twee van die schepen zijn HMS Victory, het fraaiste en grootste klassieke oorlogsschip uit de zeilschip tijd. Zij was het vlaggenschip van admiraal Horatio Lord Nelson in de slag bij Trafalgar. Die zeeslag vernietigde de gecombineerde Franse en Spaanse vloten en was, uiteindelijk, de doodsteek voor Napoleon, bleek later. Genoeg geschiedenis. Gaan we verder. (Het tweede schip is de Warrior, overigens.)
Ik moest en zou natuurlijk de Victory bekijken. Als jong mens had ik ooit een bouwpakket van dat schip gehad. Jullie kennen die bouwdozen vast nog wel. Het waren allemaal fraaie dozen met mooie plaatjes er in en er op, van zo het er uit hoorde te zien als het echt helemaal af was, maar wat vaak heel anders uitpakte in de praktijk. Als je de doos opende zag je binnenin zo’n frame met allemaal onderdelen en vooral onderdeeltjes, die vaak pietepeuterig klein waren. Maar goed, ik had dat bouwen van die Victory in een paar weken af en, trots als een pauw had ik het model op mijn slaapkamertje staan. Het stond er jaren later nog, toen ik de KM in ging, overigens geflankeerd door modellen van de Bismarck, de Ark Royal en de Warspite. Ik was natuurlijk vreselijk benieuwd om het schip in nu eens het echt te zien. En, verdulleme, dat kon!
Het fraaie en imposante schip lag in een droogdok en was geopend voor bezoek. Nu ja, ik kan het niet laten, maar even een kort stukkie geschiedenis weer.

Het schip is het oudste, nog steeds in dienst zijnde, oorlogsschip ter wereld. Ze is in 1768 in dienst gesteld. Ze is, met de boegspriet meegerekend, zeventig meter lang, zestien meter breed en steekt acht meter onder de waterspiegel. Vanaf de waterlijn tot aan de kloot van de grote mast is het een hoogte van 62 meter, een hoogte waar een kerktoren jaloers op zou zijn. Het heeft acht jaar geduurd om het schip te bouwen, de bouw koste, in huidig geld, bijna acht miljoen pond, nu ja, hoeveel euro is dat? Een pond is nu 90 cent tegen de euro, (voor de brexit in 2018) dus reken maar uit. Maar dat is natuurlijk niet echt geldig, een pond in die jaren was bijna een week loon voor een geschoold arbeider, denk ik. Nu ja, laat het zitten. Oh ja, er waren 6000 bomen voor nodig, vooral eiken, om haar te bouwen. De Victory had drie geschutsdekken met daarop 104 kanons.
Toch is het niet altijd zo fraai onderhouden geweest. In 1824 werd ze als havenschip, dus een drijvende kazerne zeg maar, gebruikt en ja, zoals het gaat met mensen die niet meer actief zijn, zo gaat dat ook met schepen. Ze worden oud en gaan slecht worden. Pas na een eeuw later besefte men hoe slecht het schip er wel aan toe was en toen pas werd een stichting in het leven geroepen om haar te behouden. Vanaf die tijd ligt ze in een droogdok en wordt ze goed verzorgd en onderhouden.
Het aantal bemanningsleden dat ze momenteel heeft loopt in de duizenden, hoewel die niet daadwerkelijk aan boord zijn natuurlijk, maar al het RN-personeel dat in het Verenigd Koninkrijk op een bijvoorbeeld vaag onderdeel van een ministerie werkt, wordt zogenaamd geplaatst op HMS Victory.
Het schip is het meest bekend geworden doordat ze als vlaggenschip onder admiraal Lord Nelson bij Trafalgar in 1805 dienstdeed en waar Nelson die meest befaamde slag won, op 21 oktober was dat. Nelson sneuvelde tijdens die slag, overigens. De Victory moest toen toch overigens al een aardig oud beestje zijn geweest.
Ik stapte, met nog wat collegae, aan boord, kocht een kaartje en we liepen door de entreepoort in het tussendek, naar binnen. We waren verbijsterd. Ja, het schip, bijna helemaal leeg nu, leek groot en breed, maar zo vreselijk laag! Je stootte bijna de hele tijd je kneiter als je niet goed oplette. De kanons stonden tegen de wand gebakst, denk ik, net als toen, maar wij moesten er niet aan denken hoe het geweest moet zijn als wij in dit schip, volledig bemand met zo’n 800 kerels, hadden moeten verblijven.
De stank van al die bijna altijd ongewassen lijven, sanitair bestond eenvoudig niet, de stank van de kookketels, van het ranzige eten, van teer en taan, moet overweldigend geweest zijn. En die gasten lagen en verbleven en amuseerden zich dan weken en maanden achter elkaar in die ruimtes, ze sliepen allen in hangmatten en dat wacht in en wacht uit, vier uur op en vier uur af. Bij tropische hitte, bij pool temperatuur achtige kou, bij storm en ontij. Openteren in het want moet werk geleken hebben voor mensen die in het circus werkten maar deze kerels deden als routine dat en ook nog bij noodweer. Ja, houten schepen, ijzeren mannen. Zo heette dat en zo moest het ook geweest zijn.
In het bijzonder wilde ik natuurlijk de ziekenboeg zien, onderin en voor in het schip, en zag met ‘plezier’ dat die ruimte voornamelijk rood was geschilderd. Een bordje legde uit dat dat was omdat zo het bloed van al die geamputeerde ledematen niet zo af zou schrikken. De patiënten lagen in een soort aangepaste hangmatten. Dat was in die tijd de manier om aan boord van schepen te pitten, maar ik zag later, op een Nieuw-Zeelands (Leander klasse) fregat ook dergelijke opstellingen, in ieder geval bedden die helemaal vrij konden hangen, zodat de patiënten zich nooit hoefden schrap te zetten zoals in onze ziekenboegen.
Op de eenentwintigste oktober van elk jaar wordt nog steeds die slag herdacht met een groots diner aan boord. Deelnemers aan dat diner zijn natuurlijk allemaal hotemetoten uit de Britse hotemetoten wereld.
Een paar keurige plaatjes, in de dekken geplaatst, gaven aan waar Nelson was geraakt en waar hij was gestorven. Nu ja, al met al was het behoorlijk indrukwekkend. We namen wat brochures mee, ik kocht nog een boekje (HMS Victory, ISBN 0-85372-454-7 mochten jullie het willen bestellen) en na een uurtje of wat stonden we weer aan wal. Iets verder op in de haven zagen we de mast van ons schip uittorenen boven wat gebouwen. Hoe flink bewapend en indrukwekkend die Victory dan ook moge zijn, tegen een schip als het onze kon het natuurlijk al helemaal niet op. Zelfs een vloot van die heel indrukwekkende driedekkers kon niets beginnen tegen zelfs slechts een modern oorlogsschip natuurlijk. Maar goed, dat is allemaal evaluatie, nietwaar? De baron Von Drais kon ook niet weten waar zijn uitvinding, de eerste loopfiets, naar toe zou leiden.
Dus hadden we toen maar even een pint gepakt en zo op naar de stad. Portsmouth is een leuke haven en biedt veel horeca vertier, maar heeft ook hele leuke boekwinkeltjes, dus ik had een aangename middag.
(Later is in Portsmouth ook het museumschip HMS Warrior terechtgekomen. Dat is ook zeker een bezoekje waard, mocht je nog eens in die stad komen.)
Later heb ik het VOC-schepen Amsterdam en de Batavia bezocht. Die waren natuurlijk ‘nieuwbouw’ begrijpelijk, maar dat was totaal niet zo imposant om aan boord van de Victory rond te kruipen. Tijdens een bezoek aan Greenwich, daarover later, kwam ik aan boord van de meeste befaamde Engelse Tea clipper ‘Cutty Sark’ terecht. Ook al een relikwie, maar ditmaal uit de negentiende eeuw en weer was ik onder de indruk van de scheepsbouw uit vervlogen tijden.

Maar goed, Portsmouth zorgde echter wel voor een probleempje bij het ontmeren en de haven werd meteen ook de geboorte van een held.
Een van de mannen was natuurlijk ook gaan passagieren en had er een aardige vriendin aan over gehouden. Nu was hij gewoon vrije jongen, zonder enige binding dus dat was verder geen probleem voor hem. Zij was ook ongebonden dus nee, het was allemaal helemaal prettig en er waren en werden no strings attached, zeg maar. Er was helaas een probleem en dat was de tijdelijke schoonmoeder van de maat, we zullen hem X.  noemen voor het gemak. Die schoonmoeder was een nogal imponerende en imposante verschijning, qua lichaamsmaten dan en vooral de voorbouw, de boeg dus, was imponerend, vertelde X.  later. Hij, en zijn hele tijdelijke verloofde, wilden wel even rollebollen, maar ja, de liefde bedrijven waar schoonmama bij is, was natuurlijk geen goed plan. Goed er lopen mensen met wat vreemdere ideeën op dat gebied rond, maar X. was dus niet zo. Hoe krijg je een tijdelijke schoonmama tot rust? Dan neem je een dus, op navraag aan vriendin, een fles rum mee uit de pub en geef je haar wat te drinken. Dat deed die dame overigens graag en veel en enige tijd later was ze aanvankelijk vrolijk maar later behoorlijk vermoeid en iets later helemaal onder zeil.
Dus was dat probleem opgelost. Er kwam echter nog wel een ‘minor problem’ opdagen en dat in de vorm van een hondje. Het was het type KL’ tje. Hoe? Wat is dat? Nou laat je fantasie zijn gang gaan. Het heeft met vrouwelijk geslachtsorgaan te maken en met het bewerken van een ijsje, snap je?
Het diertje, een stevig mormel, met een dik lijf en enorme worstachtige pootjes, had de hele tijd ergens verscholen gelegen in een mand, of misschien wel onder de stevige en hangende borsten van de schoonmoeder of zo. De Canis, dit is Latijns voor hond, hoorde, het minnespel was nu in een vergevorderd stadium gekomen, het jongere bazinnetje kreunen en hijgen en dacht wat trouwe honden dan zo allemaal denken en deed wat trouwe honden dan zo allemaal doen. ‘F… it’, (ja het was een Engels hondje, dus die sprak, Engels, oké, je hebt hem) ‘mijn bazinnetje wordt aangevallen! So, I will attack!’
Honden zijn honden. Trouw en actief en trots op hun status van: beste vriend van de mens. Katten, zelf ben ik nogal een katten mens, mijn hele gezin overigens, zijn niet zo. Katten denken: ‘Oh, man, word ik weer wakker gemaakt. P…, (geen Sh.., mijn katten zijn Nederlands), is er eigenlijk nog wat te vreten ergens? Nee? Nou, dan nog maar even pitten. Laat die mensen het maar uitzoeken!’
Terzijde: katten hebben geen bazen, maar ze hebben personeel.
Maar niet zo The Dog! Maat lag net, hoe zal ik het zeggen, eh, hij was net nu ja, gereed met het aangename karweitje, zeg maar en lag samen met haar, nu bijna zijn hoofdverloofde, uit te hijgen van het vermoeiende samenzijn dat ze uiteindelijk allebei gewonnen hadden na een strijd die was uitgevochten op de bank en op de vloer. Maar: Dog was dus in 'Attack mode'. Hij nam een korte aanloop met zijn dikke worstenpootjes en ja hoor! Hij viel X. aan en beet hem in zijn, nee, dat zou wel leuk zijn geweest, maar nee, hij beet hem in zijn neus. ‘Gvd!’ deed X. Helemaal in het Nederlands, er was geen woord Engels bij. De wond was diep genoeg om te gaan bloeden en deed behoorlijk veel pijn ook nog eens. De hoofdverloofde was ondertussen door het geblaf en gevloek tussen man en ‘his best friend’ ook wakker geworden en ze wierp meteen een aantal tissues in de strijd. Willen jullie echt weten waar die tissues vandaan kwamen? Nu ja, een hint, ze waren nog warm en vochtig. Het ergste bloeden werd overigens gestelpt, de ‘woef’ werd even op de gang geparkeerd en het liefdesleven verplaatste zich naar een daarvoor aangewezen locatie, zijnde de ‘bedroom’ van de deerne. Nu ja, ik ben er niet bij geweest, maar het schijnt achteraf een vrij vruchtbare onderneming geweest te zijn. Daarna trad de rust in. Zoals na elke gewonnen slag of wedstrijd is het goed rusten of toeven in een warm bed. De Tour win je in bed, zei Joop Zoetemelk altijd.

Maandagmorgen, aan boord van de Almo. 0900. (Zulu of X-ray tijd, ik heb het allemaal nooit echt begrepen, overigens: verbindelaars: praat me bij.) “Attentie, hier de brug: meerrol op post, meerrol op post. Het tenue bij meerrol is daags blauw met rein wit hoofddeksel. Korporaal G. melden in de hut van de EO. Uit!”
“Attentie, hier de TC: Zeewacht, zeewacht, zeewacht. Rood sluiten.” Nu ja, na al die lange jaren ben ik de echte terminologie kwijt, maar zo ongeveer klonk het. Het was 0900. De oude marine regel gold weer. Een kwartier voor de schipper, een kwartier voor de eerste officier, want we zouden eigenlijk pas om 0930 vertrekken. De meerrol kwam op post, de bezetting van de TC ook, nu ja, iedereen kwam, vaak katterig en soms ‘hungover’, zijn ding doen. Echter niet X. Zijn plek tijdens meerrol, in de bredezij, bleef onbemand. De kwartiermeester die daar de leiding had, meldde dat aan de luitenant ter zee die verantwoordelijk was voor dat deel van het schip. Die officier, typisch een jongere luitenant ter zee, wist niet wat hij moest doen. De kwartiermeester, zijn rechterhand, natuurlijk beslist wel: “Ik bel even naar zijn werkplek, die hebben hem wel gezien, denk ik.” Hij liep naar een nabij zijnde telefoon, toetste het nummer, stelde een snelle vraag en luisterde. “Nee mijnheer, zijn korp heeft hem nog niet gezien.” Tegen een andere matroos: “Piet, loop even naar zijn rukbunker. Misschien is ‘ie ku… muf geweest. Zeer goed porren, Heeft drank op, denk ik!”
Piet was snel weer terug. “Nee mees, hij ligt ook niet in zijn graf.” De eerste officier, een wijs mens, die het gedruis natuurlijk had gemerkt, kwam even kijken wat er loos was. De jonge officier vertelde, wat gniffelend, dat er een ‘achterzeiler*’ was. Die snotneus had er natuurlijk geen idee van wat het betekend om een achterzeiler te zijn of een achterzeiler niet aan boord te hebben. De EO vroeg en kreeg de naam van die man en schudde, hij was, zoals gezegd een wijs mens, het, ondanks de nog niet zo verregaande leeftijd, toch al geplooide hoofd.

Over die bak één, van toen, die groep officieren, van de Almo. Ik had het wel eens over de ouwe, die een erg goed mens was, maar dat was net zo voor die toenmalige, (en ook een latere) EO. Ko, zo heette onze eerste First*. Ko de boswachter zoals hij werd genoemd, naar een populaire kinderserie uit die jaren, was een fijne peer, sterker: hij was een hele fijne peer. Hij was grijzend, had een zogenaamde ‘plooienbak’ en een scheve lach en een aanstekelijke grijns. Hij luisterde naar zijn mannen en gaf advies en volgde ook adviezen van zijn mensen op. Kortom: weer zo een ‘mensch’ die helemaal en totaal op dit schip hoorde. Hij keek streng naar de jonge LTZ. Zo streng dat de jonge man al door had dat ‘ie nooit meer Schout Bij Nacht zou worden als het aan zijn Eerste Officier lag. Ko vroeg om uitleg. De jonge officier krabbelde wat terug en gaf wat uitleg. “Doorgaan, mijnheer”, zei de EO. Dat is voor jonge officieren dodelijk. In het Nederlands van de marine betekent dat: “doorgaan” dat je als officier totaal naar de klo… wordt gewenst! Jong officiertje af. Het was nu werkelijk 0930, dus tijd, getij en de slepers lagen klaar. Niet dat de ouwe die slepers gebruikte, overigens, die meerde af en ontmeerde zoals wij een fiets neerzetten.
Maar, na ons moest de plek worden ingenomen door een UK-fregat, dat al nijdig seinend lag te wachten. (Het: “How long will you be?” was een sch... seintje van die commandant aan de onze. “About 120 meters”, liet de ouwe Kees terug seinen.)
Vertalen? Niet nodig, denk ik.
Ko kon verder niets meer doen of ook nog niet meer tijdrekken. “Ok, mannen, plank binnen!” En, via de Storno naar de brug: “Gereed voor ontmeren”. De plank werd weggehaald, springen en trossen werden losgegooid, de officier van de wacht gaf roer- en machinekamer orders en de eerste man boog zijn hoofd een beetje naar links en rechts om te zien of alles goed ging en er kwam opeens een taxi, luid toeterend en met zijn lichten seinend, op de kade aangestormd. Ko de boswachter keek natuurlijk op en had het door. “Vast*!”, brulde hij en alles stopte heel even. De taxi stopte met gierende banden. In het voertuig zag men het overdragen van biljetten en, ja hoor, X. sprong eruit!
Een gejuich klonk op aan boord. De bijna achterzeiler nam de looppas aan: ‘een-twee, een-twee, een-twee enzovoort’, zoals hem dat geleerd was in zijn Eerste Militaire Vorming. Hij jumpte fraai over de twee meter water die het schip van de kade scheidde, de railing was, gelukkig voor hem, nog niet geplaatst, hij maakte een fraaie duik en ja, hij belandde aan de voeten van Ko.
Die keek streng, heel streng. Hij keek ook wel heel opgelucht maar ook weer niet echt blij, maar de strengheid overheerste. X. stond op en keek naar de EO. Die keek hem ook recht in zijn ponum, zag de snee in de neus van maat. Nog strenger kijkend vroeg hij: “Heb je gezopen, mijn jongen?” “Ja, mijnheer!” “Heb je ook gene…, mijn jongen?” “Ook mijnheer!” “Dan is het goed. Sodemieter nu maar op!”
X. deed dat. Hij heeft er nooit meer wat over gehoord. Niet officieel. Maar de Eerste Officier wist hem daarna wel te vinden. Als er vervelende karweitjes waren, buiten de echte uren, was die maat vaak de ‘vrijwilliger van dienst.’
Zo werd de Eerste Officier dus een held voor de bemanning. Ja, je maakte fouten en nee, je werd niet meteen gerapporteerd. De, terechte, straf die je kreeg werd in natura betaald.
Almo, schip van mijn dromen.

3 opmerkingen:

  1. Prachtig zulke ware verhalen die ik zelf ook meegemaaakt heb herrriner me nog wie kan de mooiste vrouw a/b van de almo krijgen of delelijkste wij de pub in en willem bosch m stapmaatje ziet een barrel vn een women ineen invalide karretje zitten en wij vragen haar voor a/b te komen Nu dat wilde ze wel graag bij de hollanders nu a/b sprong ze over de waterdichte keringen als fanny blankerschoen haar invalide kar stond netjes op de wal bij de valreep Maar ieedereen moest om 24,00 van boord en de werf aldqaar zijn ECHER een probleem !!!! wat matrozen die met een stuk in de fiets a/b kwamen fikkerde haar karretje te water Groot probleem Maar niets gezegd of afgemeld de ooff v/d wacht lulde ook nergens over en ik duiken naar dt karretje en kwam inderdaad van 23 meter weer omhoog op de kade en kon die miep weer naar huis toe Hier is nooit overgeluld want anders hd er wel een bries gestaan dat was hetb weer lucas

    BeantwoordenVerwijderen

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...