zondag 3 februari 2019

Bordeaux


Bordeaux
Tijdens een van de reizen die we met ons fraaie schip maakten, deden we onder andere Bordeaux aan. Een meer dan genoeglijke haven waar het indertijd bijzonder goed toeven was en volgens mij nog steeds is. We voeren in een zogenaamd smaldeel* verband. Een smaldeel, dat naast ons uit nog 2 fregatten en een bevoorradingsschip bestond.
Bordeaux is natuurlijk een afkorting van ‘A la borde d’eaux’ ofwel: ‘aan de kust, nu ja, aan de zee, gelegen, maar dat doet de stad al jaren niet meer.
Bordeaux is al een hele oude stad, gesticht in de vierde eeuw. Ze ligt aan de Garonne een fraaie en brede rivier. De stad is de hoofdstad van het departement Gironde en telt ongeveer 350.000 inwoners. Ook is het de hoofdstad van de regio Gascogne en ja, daar kwam d'Artagnan vandaan, nietwaar?
Bordeaux is (natuurlijk) de wijn hoofdstad van de wereld, vanaf de zesde eeuw voor Christus werd hier al aan wijnbouw gedaan. (Geïmporteerd vanuit Griekenland, overigens.) Jaarlijks worden in de Bordeaux regio 700 MILJOEN flessen wijn gebotteld. (Whauw, voorlopig hoeven we geen dorst te lijden, dus.)

Behalve onze tanker*, we voeren weer in een smaldeel, die, zoals gebruikelijk in een olielaadhaven lag, was de groep schepen afgemeerd tegenover een groot plein in die stad waar op dat moment kermis werd gehouden. Volgens mij heette het plein de “Place de la Bourse”, maar ik kan me vergissen, hoor, dus corrigeer me.
Die zaterdag, we waren op vrijdag aangekomen, maar toen had "Witte de With" de wacht om de rest van het weekend vrij te hebben, was ons schip ‘Guard ship’, wat wilde zeggen dat allerlei diensten voor het hele smaldeel door ons schip werden geregeld, zoals de distributie van post en het berichtenverkeer, het uitsturen van wal patrouilles om de rust onder de passagierende bemanningsleden te handhaven en ook de medische wacht voor de groep schepen was onze verantwoordelijkheid. Ziekenverpleger P, die mijn rechterhand in de ziekenboeg was, was nog nooit in Frankrijk geweest en had een busreisje in de omgeving willen maken, wat ik hem natuurlijk van harte gunde, maar wat hem wel een nacht van boord hield en mij dus met de wacht opzadelde. Die dag en die nacht had ik dus de echte wacht, terwijl dokter Kees aan boord rondscharrelde, een wijntje ging proeven aan wal, het was de stad en de streek Bordeaux nietwaar, maar van tijd tot tijd wel contact opnam met de wacht aan de valreep om te horen of er nog iets bijzonders was.
Ik was aan het begin van die avond, het zal rond 20.00 geweest zijn, nog wat bezig in de ziekenboeg met administratieve rompslomp, papierwerk dat met de maandagochtend post van boord moest om op tijd in Nederland te zijn. Dat waren voornamelijk allemaal vervelende rapportages, zoals het aantal Tb-patiënten die er aan boord waren, het aantal röntgenfoto’s dat was genomen, het aantal venerische besmettingen. “Nihil opgaves dienen ook te worden ingezonden”, schreef het VVKM* 185 voor. Nu ja dat soort zaken. Rond negen uur die avond ging de telefoon en de Onderofficier van de Wacht*, een Korporaal Verbindelaar, vroeg of ik “even aan dek wilde komen” want hij had werk voor me. “En neem ook maar een gasmasker mee”, zei hij raadselachtig. Toen ik even later boven kwam begreep ik al snel wat hij bedoelde.
Er stond een grote, huilende, man voor me. Zijn ogen waren rooddoorlopen en tranen stroomden als een miniatuur Niagara waterval over zijn wangen. Van de weeromstuit begon ik ook te janken, want de kwalijke en irriterende dampen die uit zijn jas opstegen waren niet te harden.
“Het lijkt wel traangas”, zei ik.
“Het lijkt wel traangas”, zei de ook Onderofficier van de wacht.
“Het is pepperspray”, huilde de getroffene.
“Wat is er loos?” vroeg de passerende Officier van de wacht.
“Ik denk dat het traangas is, mijnheer”, zei ik.
“Ik denk ook dat het traangas is, mijnheer”, zei de Onderofficier van de wacht.
“Het is pepperspray, mijnheer”, jankte de getroffene.
“Wat een gejank”, zei de Leerling van de wacht* bijdehand en krijgt een schop onder zijn hol van de Korporaal.
“Wat is er gebeurd?" vroeg ik de man, die ik niet kende omdat hij van een van de andere schepen kwam, toen we naar beneden gelopen waren en ik hem bij de wasbak in de ziekenboeg had geïnstalleerd. Zijn jas hadden we boven gelaten, zodat die wat uit kon wasemen.
Snikkend en slikkend, want niet alleen zijn tranen liet hij de vrije loop maar ook een enorme speekselvloed, deed hij zijn verhaal. Het scheen dat er bij de schiettent op de kermis flacons met pepperspray gewonnen konden worden en er een zooitje Fransozen was, dat met dat spul in het publiek aan het spuiten was, zo vertelde hij grienend. Zijn mening over het volk van de “Fraternité” etc. was duidelijk en kort en bondig en wordt, niet geheel terecht volgens mij, door nogal wat Nederlanders gedeeld. Ondertussen had ik een oogspoelflacon gepakt en bewerkte zijn ogen door het chemische middel te verdunnen. Eigenlijk is een soort olieachtige vloeistof hier beter voor geschikt, maar dat geeft een afgrijselijke knoeiboel en vooral op de kleding en dat krijg je er haast nooit meer uit. Het ging al snel wat beter. Ik liet hem een strootje opsteken. (Ja, dat was in de ZB inderdaad. Gek genoeg kon dat gewoon en vonden we dat toen nog heel gewoon in die tijd, maf achteraf, niet?) Zelf zat ik aan het bureau om wat gegevens op te schrijven die hij dan mee kon nemen voor zijn eigen medische dienst toen er op de deur geklopt werd en de leerling binnenkwam met nog twee slachtoffers van de peppersprayspuiters. De ene man ging en ik ging aan de slag met de twee andere snuiters.
Enfin, het bleef nog lang onrustig die avond.
Rond een uur die nacht was de ziekenboeg opgeruimd en uitgewasemd, had ik nog een snelle slok in de Gouden Bal gehaald en was mijn kooitje ingedoken. Ik sliep in het, aan de onderzoekkamer palende, ziekenzaaltje waar vier bedden opnamecapaciteit was.
Rond twee uur in de nacht werd ik wakker van het gemurmel van stemmen. Ik klom mijn graf* uit, schoot broek en slippers aan, ik droeg altijd een sport witje en een onderbroek hoor, en opende de schuifdeur. Ik keek tegen het achterhoofd van Kees aan, die aan de onderzoek- annex operatietafel zat met tegenover hem een ranke, en al helemaal niet onknappe brunette. Voor haar, op het strakke, medisch vormgegeven dek van de tafel lag een gele roos in cellofaan, geflankeerd door een paar glazen en een fles wijn. (Bordeaux, zeker, dacht ik.)
“Sorry”, zei Kees, “ik wilde je niet wakker maken. Was 't druk?”.
Ik probeerde een geeuw te onderdrukken en keek vragend naar de dame.
“Ah oui" zei Don Kees, "Ca, c'est Lucas, mon ami et le chef infirmier. Lucas, voici Babette”.
Holy cow, dacht ik, nou moet ik om twee uur in de nacht Frans gaan lullen.
Dat lukte me wonder wel en met een perfect: “Pleased to meet you”, zette ik mezelf knap voor joker. Totaal niet uit het veld geslagen, antwoordde zij in bijna perfect Nederlands: “Biertje, graag?” Kees schaterde het uit. Die oude marine truc werkte altijd. Een niet Nederlandssprekend iemand, één of ander lulverhaal of stomme opmerking laten zeggen bij wijze van groet. Dit was nog een nette, want ik had Noren in Stavanger met een blij gezicht “Dikke l.., drie bier” tegen een binnenkomende Nederlandse collega horen zeggen, bij wijze van groet. (Dat hadden ze ooit eens van een opvarende van een fregat dat in haar opwerk periode in die haven lag, geleerd, begreep ik.) Zelf had ik ooit in Penang, een havenstad in Maleisië, een overigens bijzonder sympathieke barman, perfecte scheldwoorden in het Nederlands onderwezen waarbij ik hem had verteld dat woorden als ‘Schubbek..’ en ‘Paardenl..’ formele Nederlandse begroetingen waren. In ruil had de man mij leren tellen in het Maleis. Maar dat was echt origineel, want door de oude banden die de KM had met Indonesië had ik die woorden al vaker gehoord.
Ondertussen was het Franse departement van de taal wakker geschoten en had de deuren open gedaan en ik redde me met een redelijk: “Enchanté, madame.”
Het werd gezellig, ik dronk een glas mee en Babette vertelde dat zij de patiënt aan boord had afgeleverd. “Ce pauvre gent, et ces yeux?”
Ik vroeg welke arme kerel, want ik zag er op dat moment geen.
“Alors, die rond negen uur aan boord was, donc”, zei ze. De man was wankelend de weg over gestoken waar zij, rijdend in haar rode 2 cv-tje, een noodstop voor hem had moeten maken en toen zij begreep dat het ‘Un Hollandais’ was en de man de naam van “son bateau” had genoemd had ze hem hier maar afgezet. Daar was ze Kees tegengekomen, die haar had moeten troosten en tegen de Onderofficier van de Wacht had gezegd om de Korporaal ziekenpa maar even te roepen, dan kon hij de dame tot kalmte brengen. Kees keek hierbij wat ongemakkelijk. “Eh ja, zij bracht die man aan boord, maar ze was zo geschrokken door het voorval dat hij haar wat wilde troosten en haar zo tot rust te brengen”, zei Sint Kees. Sint Kees, voor al uw uithuilschouders.
“Ach”, zei ‘ie ook nog, “jij redde het wel.” Beroemde marine zin, dat.
Hij had haar meegenomen naar de Longroom om haar een hartversterkertje te geven en toen de Longroom volliep met officieren en Kees' hart vol met verliefdheid, had hij wat meer privacy gewild en was naar de ziekenboeg afgedaald. Zijn hut maat namelijk had aangekondigd om zijn Franse vriendin, die hij al twee uur lang heel goed kende, Nederlands te leren en hij zou beginnen bij de rangtelwoorden. Hij hoopte al snel bij 69 te zijn.
Die zondag ochtend, het was de rest van de nacht vrij rustig gebleven, en ik had nog een uurtje of wat kunnen pitten, had ik Kees nodig voor een handtekening onder een of ander officieel rapport dat die maandagmorgen echt en heel beslist de deur uit moest en echt door een LTZ(AR) moest worden getekend. Ik klopte aan bij het gordijn van de longroom en de hut genoot van het doktertje stond me te woord en zei dat Kees in zijn slaapvertrek was. Ik ging een dek hoger en liep het gangetje door naar achteren waar ik, dichterbij gekomen, hoorde dat hij Nederlandse les gaf aan zijn vriendin. Ze waren al bij de uitspraak van de OOOOOOh! en even later deed mijn scheepsarts een toegift door het werkwoord “komen” te vervoegen.
Een jaar later waren ze getrouwd. Ik heb de handtekening maar vervalsd.

In overleg met de mevrouw in het verhaal en met haar oudste dochter, heb ik dit verhaal mogen plaatsen. Ik deed het omdat Kees een van mijn beste vrienden was en omdat de ‘weduwe’ en mijn gezin goed met elkaar waren.
De oudste dochter van dat gezin is nu een aanwinst voor Defensie!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De Reunie

Een aantal maanden geleden schreef ik een laatste van vele Blogjes*, over de ALMO en plaatste dat op de 'site', heet dat zo, ja toch...