Met dat eerste woord, types, bedoel ik
natuurlijk: aparte figuren, opvallende mensen en zo. Ik noemde er al een paar,
recent of in het wat verdere verleden. Van hoog tot laag, ach, der waren
zoveel, maar goed ik tracht er nog wat te noemen. Nu ja, die ouwe dan. Ik bedoel
de eerste ouwe, onze allereerste, Kees, dus. Ik heb geen idee wat er van hem
verder geworden is. Is hij KTZ, SBN, VADM geworden? Die vraag heb ik ook over
Ko de ‘Boswachter’, de eerste EO van onze kano. Van de tweede First, lekker
ingewikkeld nu, tweede en eerste eersten, ene en ja, de Driekus, weet ik het wel
ongeveer een beetje. Hij was een man van de subs en is, voor zover ik weet, als
KTZ, CDT OZD geworden. Maar verder? Nou, verder heb ik dan dus maar de toverdoos
aangezet, en heb Driekus ..... ingetikt. De man heeft meer Googlepagina’s
vermeldingen als bekende schrijvers als Mulisch, Wolkers, Hermans of ene Graver.
Ik herinner me hem als een flamboyante man die, nou ja, zeg maar, nog gekker
was dan de rest van de bemanning. Nou, dat was wel erg moeilijk, maar laat ik
het zo zeggen, hij voerde de rest van de mafkezen aan. Hij is directielid,
misschien, hem kennende, directeur geweest, nu ja, zat in de club van hoge
heren, die het Market Garden museum beheren.
Ik ben niet zo een Gooise teef, die steeds maar
zegt: ‘ik ben toch wel echt een gekke meid’, maar de Almo was toch wel een
beetje een gek schip. In het positieve, natuurlijk. De ouwe en Ko en later
Driekus, dreven dat schip, de bemanning dan, tot de grenzen van hun kunnen qua
vakmanschap, zowel als groep als individueel, ze dreven het qua zeemanschap en saamhorigheid
gevoel. Dat deden ze met een drive en een fanatisme die voor ons weleens te
veel werd. Maar ze deden der zelf aan mee. Als eersten stonden ze aanwijzingen
te geven, hielpen mee, als dat kon, om brandslangen uit te rollen, om brancards
naar boven te hijsen en om kritiek te leveren als het niet goed gegaan was.)
Dat hadden wij dan zelf ook wel door gehad, maar ze stonden ook als eerste om
schouderklopjes uit te delen als het wel goed ging. Schouderklopjes vervingen
meer en meer de kritiek.
Totdat het schip helemaal klaar was om een goed
oorlogsschip genoemd te worden. Het beste oorlogsschip van onze vloot. En die
grenzen waren verder dan die we ooit voor mogelijk hadden gehouden.
Ja, we werden hard gedreven en ver gedreven. We
gingen diep, nu ik fanatiek fietser ben, zou ik het willen vergelijken met de
zwarte sneeuw die ik op training weleens zie. Ja, zo ver ging de leiding met
ons. Maar we wisten waarom dat was. We wisten dat de ouwe en heel bak één ook
doorhadden dat we een fantastisch schip moesten zijn. Niet alleen om door
allemaal inspecties te komen, maar, gewoon en heel reëel, omdat er oorlog
dreigde. We waren nog steeds in de koude oorlog die al sinds de jaren vijftig
het vrije westen bedreigde, maar één vonkje zou genoeg zijn om van een koude
een warme oorlog te maken.
Als er, na Ko, twee menen konden inspireren dan
wel deze twee.
Hij, Driekus, was geloof ik geboortig uit Ede,
een mooie plaats op de Veluwe. Hij had zijn leven gesleten in de rioolpijpen, onderzeeërs,
vaartuigen die men ook oorlogsschepen noemt en moest nu, voor (ik zeg het nu popi)
zijn derde kras op een bovenwater prauw varen. Daarna zou die dan een commando
krijgen (op de Kinsbergen, maar dat was pas later) en zo zou hij dan KLTZ
worden.
In de tijd van Faslane, van het opwerken van de
Limey subs, zie en lees eerder, was hij bijna continue op de brug aanwezig.
Wees eerlijk: elke truc, elke actie, elke manoeuvre die de Buts sub CDT
bedacht, had hij al een keer uitgevoerd en met veel sneue gezichten (van de RN
kant) en met een hoop ‘Bloody Hurrah’ van de KM, nu ja, van onze kant, werd
elke aanval of run, zoals het heet, van de ‘vijand’ weer afgeslagen.
Ik kende hem, die EO, aardig goed. Hij was
tevens Personeel Officier en ja, als ziekenpa, deed je daar vrij veel zaken
mee. Hij was een no-nonsens man, maar dat zijn wij, maten, eigenlijk allemaal
wel in meer of mindere mate. Driekus trapte niet in zielige verhalen. Je kon
heel ver met hem gaan, maar tot een grens. Dat wisten we, iedereen aan boord
wist dat, en daar hielden we ons aan. Ik heb met hem, maar met vele EO’s overigens,
goed zaken kunnen doen op het personeel gebied, maar de Driekus spande wel de
kroon.
Ik kreeg een verhaal van ene Peter, dat ik helaas
niet gekopieerd heb. D. Zou, toen hij eenmaal zelf CDT was, menig turbine motor
naar de Filistijnen hebben gevaren omdat hij, hij was toen zelf dus ouwe, na het
BOZ-en meteen naar vol vermogen ging, zeg maar, van nul naar 120 in drie
seconden. Diezelfde bron vermelde ook dat hij., tijdens dat BOZ of RAS, noem
het zo je wilt, op het dak van de brug ging staan en vanaf die positie,
golfballen afsloeg naar de tanker waaruit wij toen aan het laden waren. Ik
hoorde die geruchten ook, hield ze voor een sterk verhaal, maar ja, ik geloof
het nu helemaal. Het was zo een type.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten