Londen
Londen, wat een geweldige stad is dat en wat heb
ik het, toen, door de dienst gedwongen, slechts maar kort bezocht. Londen was een
hele speciale haven voor onze bemanning. Ik weet nog dat we in Londen lagen,
afgemeerd in Greenwich naast HMS Belfast,
een vermaarde kruiser uit de tweede Wereldoorlog. We lagen daardoor ook in de
buurt van de Cutty Sark, dat fraaie en
nog enig overgebleven clipperschip en ook naast de Gipsy Moth IV, die daar allebei in droogdok lagen. Die laatste was
het schip van Sir Francis Chichester, de eerste man die, helemaal in zijn
eentje, om de wereld voer. Hij deed daar 226 dagen over. Hij landde, zeggen de
verhalen, slechts een keer, en wel in Sydney, ook al zo een heerlijke stad, en
werd terecht wereldberoemd.
Denk je eens in hoe dat voor die man geweest
moet zijn: 226 dagen in zijn uppie, alleen op zee, geen SATCOM en niets van dat
alles en echt, onder Kaap Hoorn en onder Kaap de Goede Hoop door. Man, wat een
held moet dat geweest zijn. Hij overleed in 1972, overigens, slechts 71 jaar
oud.
De Cutty Sark was een van die beroemde
zogenaamde theeclippers, die, ja, inderdaad, thee aanvoerden vanaf India naar
Londen. De eerst aangekomen oogst kreeg, in dat maffe thee liefhebbende
Engeland, de hoogste prijs en die clippers, bijgenaamd Tea Clippers, maakten
enorme reizen tegen enorme snelheden, toen dan. De Cutty Sark is opgelegd in
Greenwich, het was ooit een bekend museumschip, ik ben toen gelukkig aan boord
van haar geweest, ze is later helaas afgefikt, maar, zoals Google verteld, is
ze nu weer in haar oude luister hersteld.(In een boek van Hammond Innes is dat schip ggekomen, overigens.)
Hoe kom ik nu op Londen? Onze toenmalige
koningin, Beatrix, deed in die tijd een staatsbezoek aan Her
Majesty the Queen. (Met de onvergetelijke prins Claus aan haar zijde. Ik heb
hen beiden, later, meerdere malen ontmoet, tijdens de Fairwind reis van ’88, op
een ander, maar ook een heel goed, schip, overigens.) Ons ALMO schip zou dan ‘luister
bijzetten’ bij dat staatsbezoek. De toenmalige Bevelhebber der
Zeestrijdkrachten, of was het nu de Commandant Zeemacht, ik weet het niet meer,
maar het was geloof ik ene SBN Brainich von Brainich-Felt, (hij was ook al zo
een oud onderzeeboot man en onze eerste officier, de befaamde Driekus, en hij kenden elkaar van vroeger,
Driekus had namelijk ooit onder die SBN gevaren, toen hij zelf nog maar een jong officiertje was).
Goed, de SBN zou een selecte groep marine lui van het smaldeel voorstellen aan onze (nu ondertussen voormalige) koningin en die mensen zouden dan ook, dat meteen maar door, aan de Queen worden voorgesteld, in ieder geval, in haar nabijheid worden geduld tijdens het echte bezoek van vorstin aan vorstin, zoiets staat me bij.
Goed, de SBN zou een selecte groep marine lui van het smaldeel voorstellen aan onze (nu ondertussen voormalige) koningin en die mensen zouden dan ook, dat meteen maar door, aan de Queen worden voorgesteld, in ieder geval, in haar nabijheid worden geduld tijdens het echte bezoek van vorstin aan vorstin, zoiets staat me bij.
Niet alleen de Almo zou het hoge bezoek
vergezellen, er was een heel smaldeel afgevaardigd. Ik heb in mijn gedachten dat
de "Tromp" en "De Ruyter" er ook bij waren, ik vermoed dat dat was om de Engelsen
even te piepelen over de Vierdaagse en Driedaagse zeeslagen en ook nog even de
tocht naar Chatham in te wrijven, die die beide Admiraals allebei met tien –
nul van die RN wonnen en ook om nog even de Butsen er aan te herinneren dat wij
ooit bijna Londen hadden ingenomen en in ieder geval hun toenmalige grootse
oorlogsschip, de Royal Charles, het Engelse vlaggenschip, naar ons land hadden
meegenomen.
(Ja, in 1666, inderdaad, dat wel, maar toch.
Over die Royal Charles is veel te doen geweest. Zo werd het schip al een paar
jaar na de in bezitneming gesloopt, maar de ‘kont’, de hele fraaie
achtersteven, werd er afgezaagd en is tot 2012, te bezichtigen geweest in het
Rijksmuseum. Ik heb het daar zelf gezien. Daarna is het in ‘bruikleen’ teruggegeven
aan de Britten, maar ik heb het idee dat het waarschijnlijk nooit meer terug
komt, hoor.)
Van tevoren kwamen we, de voor te stellen
personen van ons schip dan, even bijeen in de Gouden Bal. Omdat ik de korporaals
oudste was, was ik één van de aangewezen personen om voorgesteld te worden, net
als de caf oudste, de spreeuw*, nu ja, de kaan natuurlijk, de ouwe en de eerste
man, maar ook een dergelijke delegatie van de overige schepen.
De toenmalige first, onze Driekus dus, zorgde
ervoor dat we allemaal op tijd in het ‘prostaathok’, zoals de Gouden Bal, heel
oneerbiedig door de rest van het schip, genoemd werd, aanwezig waren. Hoewel
hij nog niet zo lang zijn functie als eerste officier aan boord bekleedde,
kende hij ons allemaal behoorlijk goed, dat is natuurlijk de kwaliteit van een
eerste officier en hij stelde ons kort voor aan zijn ex-CDT. ‘Kijk’, zei hij, over mij dan,
‘dit is de korporaal ziekenpa. Je kan hem herkennen aan zijn grijze haren,
Schout bij Nacht.’ (Driekus zei natuurlijk je en jij tegen de SBN, noemde hem
Brain en Brain noemde hem ook Driekus, en ‘ouwe pik.)
Ik meende op dat moment even mijn bek open te moeten
trekken.
“Dit is geen grijs haar, hoor SBN, maar dit
wordt oud blond genoemd”, bracht ik uit. SBN en EO lachten allebei hardop. “Hou
je die erin, Brain? Schrijf die even op, ik vind hem wwel geinig ook, Lucas. Lang over nagedacht? Ik vind dat wel een grappige vondst tegen over de Hare
Majesteit”, zei mijn EO. De SBN grijnsde, schreef het op in zijn
notitieboekje en zei: “Dat doe ik Driekus, ik zal die mannen van het hof eens laten zweten”,
waarmee hij hoogstwaarschijnlijk de entourage rond dat hof bedoelde.
Twee dagen later werd een delegatie van de
bemanning van het smaldeel voorgesteld aan ons staatshoofd en aan het Engelse,
nu ja, Britse staatshoofd en allemaal entourage staatshoofden. Dit, ik heb het
van horen zeggen, ging even mis.
In Lissabon, eerder, en in Bordeaux, later, was
gebleken dat een oudere, een OC HOFM1*, behoorlijk geteisterd werd door
toenemende dipsomanie met heel veel nare gevolgen, (eh, dipsomanie, ja, dat is zeg
maar, trek in wat te drinken, zoiets, nu ja, geen trek in water of koffie, of zo, als
je me begrijpt?) moest ik ASAP een vlucht voor hem en mij, als begeleider,
boeken om de man op de SMD* af te zetten. De man, hij werkte in het caf, ik weet niet eens meer hoe
hij heet, zorgde er steevast voor dat hij de vroege dienst had en zette dan een
doosje bier voor die volgende ochtend al klaar in de koelkast van het caf. De
avond ervoor had hij al een doosje bier geleegd, ik lieg het niet en de
ochtend van zijn dienst begon met koffie zetten en zo en met het legen van een
half doosje bier, om 0630.
Ja, griezelig eigenlijk. Maar het ergste van alles was dat hij ook nog eens leed aan ‘Enuresis Nocturna’. Hetgeen betekend: dat ‘ie in zijn bed zeek en wel zo hevig dat zijn ondermaten druipend van de urine wakker werden. Zijn matras was totaal vernield door de urine. (Dat probeerde hij allemaal te verdoezelen, maar op een gegeven moment lukt dat helemaal niet meer, natuurlijk.)
Ja, griezelig eigenlijk. Maar het ergste van alles was dat hij ook nog eens leed aan ‘Enuresis Nocturna’. Hetgeen betekend: dat ‘ie in zijn bed zeek en wel zo hevig dat zijn ondermaten druipend van de urine wakker werden. Zijn matras was totaal vernield door de urine. (Dat probeerde hij allemaal te verdoezelen, maar op een gegeven moment lukt dat helemaal niet meer, natuurlijk.)
De man moest natuurlijk teruggevlogen worden
naar patria en ja, dat werd mijn taak. Ik ging met een RN-busje naar Heathrow
Airport, kreeg, met de KM kloeten van de SMJRLDA een vlucht op een KLM-toestel
naar Schiphol en de man in kwestie bleek ook nog eens vliegangst te hebben.
Holy Moly. Met behulp van hele sympathiek stewardessen kreeg ik hem aan boord, ik legde de zaak aan de dames uit en we kregen meteen een paar stoelen in de, bijna lege, businessclass. Ondertussen taxieden we naar de startbaan en de gezagvoerder legde ons een en ander uit. Zij naam was Baksteen, Benno Baksteen, een naam die ik later heel vaak in het nieuws hoorde omdat hij voorzitter was van de bond voor piloten, zoiets, dan. Op het horen van die naam verstijfde mijn patiënt enorm en kreeg nog meer vliegangst. Het duurde de nodige tijd voor ik hem rustig had.
Holy Moly. Met behulp van hele sympathiek stewardessen kreeg ik hem aan boord, ik legde de zaak aan de dames uit en we kregen meteen een paar stoelen in de, bijna lege, businessclass. Ondertussen taxieden we naar de startbaan en de gezagvoerder legde ons een en ander uit. Zij naam was Baksteen, Benno Baksteen, een naam die ik later heel vaak in het nieuws hoorde omdat hij voorzitter was van de bond voor piloten, zoiets, dan. Op het horen van die naam verstijfde mijn patiënt enorm en kreeg nog meer vliegangst. Het duurde de nodige tijd voor ik hem rustig had.
Omdat we dus ‘duur’ vlogen, vroeg een van de
stewardessen wat we wilden drinken en ze noemde allerlei alcoholische
versnaperingen op. Mijn patiënt-s gezicht begon op te fleuren en hij bestelde..
geen moer. Ik vertelde dat een watertje of een kopje koffie genoeg waren.
Ik leverde de man af, had een nachtje thuis,
knuffelde mijn zoon en keerde de volgende dag, met aankoop van een enorme
aantal NL-kranten, terug naar Londen. Ik nam daar een trein en een Subway en
kwam uiteindelijk in Greenwich aan. Ons bootje lag afgemeerd langszij HMS
Belfast, een veteraan uit de Tweede Wereldoorlog en als museum schip opgelegd
in de Thames, vlak bij Tower Bridge. Ze had nog een kernbemanning aan boord,
allemaal ex RN-personeel, dat het schip in goede stand hield en dat
rondleidingen aan boord verzorgde. Vaak waren het ‘killicks’ of ‘PO’s’ en ja,
er was natuurlijk een warm over en weer tussen de diverse verblijven.
Ik was dus niet aangetreden in het bij het hof bekende
rijtje van wel aangetreden KM-mannen in het paleis, dat de SBN in zijn boekje
had staan. Toen nummer negentien, ja ik was bescheiden, ik wilde niet als
nummer een, dan ook aan de beurt kwam om voorgesteld te worden, spiekte
Brainich even. ’Dit is die en die, de KPLZVP van de ALMO, hoogheid, u kunt hem
herkennen aan zijn “oud blonde haren”, grapte hij.’
De hoogheid keek even verrast. Ze keek ook wat
hulpeloos naar de SBN, die, op haar blik ook wat hulpeloos naar een of andere
LTZ van zijn staf keek, die ook wat hulpeloos terugkeek. De “oud blonde man”,
was vervangen door een KPLLDA, ene Jan L. Hij was een Indische jongen, met een kop met donker haar, een donkere huid en
was totaal geen ‘Orang Blanda’ in ieder geval.
Op de blikken van de majesteit en de blikken van
allerlei adjudanten redde de SBN zich gemakkelijk: “Maar zoals u ziet: camouflage
werkt dus, Koninklijke hoogheid!”
Kort hierna werd ik overgeplaatst, met veel pijn
in mijn hart. Ik had twee jaar op dit fantastische schip met die bijzondere
bemanning gediend en het waren, ondanks mijn privé perikelen, bijna de
gelukkigste jaren van mijn leven geweest. Ik had kerels leren kennen, had met
hen gewerkt, had van hen dingen geleerd,
die me in de latere jaren en niet alleen in mijn marine tijd, heel goed van pas
kwamen.
Ik werd bevorderd, ik ging andere dingen doen,
werd later nog vaker bevorderd en ging nog veel meer andere dingen doen, maar,
geloof me, er is geen dag in mijn verdere leven geweest dat dat maffe schip, de
ALMO, niet in mijn geheugen opdook.
N.B.: Grappig genoeg. Tijdens het schrijven van
dit gedeelte van het boek, over dat
Koninklijk bezoek van Beatrix, (waar ik dus niet echt bij betrokken was) blijkt
er net een Koninklijk bezoek van Koning Willem Alexander en echtgenote plaats
te vinden aan de Queen.
Geschreven oktober 2018.
Geschreven oktober 2018.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten