Tja, het is al wel wat laat, maar eindelijk publiceer ik het verhaal van mijn "uitgever" dan toch. Niet omdat het verhaal zo saai is, in gene dele, maar ja, qua chronologie kwam het er een beetje zo van. Ik heb nogal wat verhalen over Teun en als ik dan eerst het verhaal over sobat R. zou moeten schrijven, zouden we drie afleveringen lang, alleen maar mijn Utregse gabbie horen.
De grap is dat Rob een heel herkenbaar verhaal schreef en allemaal namen noemde die ook weer bij mij boven kwamen, na lezing.
Robmans: hierbij je verhaal. Dikke dank voor het meelezen en redigeren van het E-boek en voor de moeite die je daarvoor hebt genomen. Ik ben je zeer dankbaar en hopelijk werken we in de toekomst nog eens samen.
Dat zal dan niet over de Almo gaan, hoor, maar over een reeks 'thrillers' die ik schreef en die Rob wel 'persklaar' wil maken.
Ja hoor, daar staat het zwart op wit op de “P”(*). Het wordt de Almonde maar die is nog niet eens klaar en nog lang geen Hare Majesteits. Daar ben ik dan mooi klaar mee; wel op een schip maar het varen zit er voorlopig niet in. Naar de Almonde gaan zit er sowieso niet in want eerst naar de WTS voor een opleiding. Opleiding? Jawel een opleiding want op dat nieuwe schip staat apparatuur waar je nog niets van weet. Wel gezellig zo’n opleiding samen met een collega die ook naar de Almonde gaat en om het helemaal compleet te maken zit mijn toekomstige chef in dezelfde opleiding. Omdat ik op de jagers ook in de SONAR werkte mag ik dat straks ook weer gaan doen en de communicatie komt daar nog bij. Als kers op de taart moesten we naar Bremerhaven voor een opleiding MHS (message handling system). Vervelend maar wat moet dat moet.
De grap is dat Rob een heel herkenbaar verhaal schreef en allemaal namen noemde die ook weer bij mij boven kwamen, na lezing.
Robmans: hierbij je verhaal. Dikke dank voor het meelezen en redigeren van het E-boek en voor de moeite die je daarvoor hebt genomen. Ik ben je zeer dankbaar en hopelijk werken we in de toekomst nog eens samen.
Dat zal dan niet over de Almo gaan, hoor, maar over een reeks 'thrillers' die ik schreef en die Rob wel 'persklaar' wil maken.
Ja hoor, daar staat het zwart op wit op de “P”(*). Het wordt de Almonde maar die is nog niet eens klaar en nog lang geen Hare Majesteits. Daar ben ik dan mooi klaar mee; wel op een schip maar het varen zit er voorlopig niet in. Naar de Almonde gaan zit er sowieso niet in want eerst naar de WTS voor een opleiding. Opleiding? Jawel een opleiding want op dat nieuwe schip staat apparatuur waar je nog niets van weet. Wel gezellig zo’n opleiding samen met een collega die ook naar de Almonde gaat en om het helemaal compleet te maken zit mijn toekomstige chef in dezelfde opleiding. Omdat ik op de jagers ook in de SONAR werkte mag ik dat straks ook weer gaan doen en de communicatie komt daar nog bij. Als kers op de taart moesten we naar Bremerhaven voor een opleiding MHS (message handling system). Vervelend maar wat moet dat moet.
Dan
komt dan eindelijk de dag dat ik naar de Almonde mag, of is het moet. Zoals ik
al zei is de Almonde nog niet klaar en dus had CZM bedacht dat we maar
geplaatst moesten worden op de Van Ghentkazerne. CZM had waarschijnlijk een
slechte dag want op die kazerne zaten toch alleen mariniers? Zaten, want nu
wordt dat aangevuld met een vlootbaal. Vol verwachting reisde ik af naar
Rotterdam om me te melden bij de Van Ghentkazerne. Bij binnenkomst viel gelijk
op dat aan orde en tucht streng de hand werd gehouden. Was dat erg? Welnee,
misschien wel voor een ongegradueerde marinier maar niet voor een korporaal van
de vloot.
Vervolgens
naar Schiedam want de Almonde lag daar op de werf Wilton-Feje.. (Dat woord
blijft lastig voor een Ajaxied, dus we zullen het voortaan maar Wilton noemen).
Natuurlijk kom ik niet zomaar die werf op, eerst moesten ze het checken en
daarna zou ik een toegangspasje krijgen, het leek de marine wel. Dat pasje, met
nummer 3, was geen probleem en na een kleine uitleg over de route kon ik het
terrein op. In de verte zag ik haar al liggen, nog een beetje kaal maar wel al
grijs en aan de buitenkant was niet te zien dat het de Almonde was. Vlakbij
stond een gebouw en daar huisde de aanloopbemanning die op dat moment bestond
uit 2 personen, Andre Brouwer en Marco van Dijk, en ik was de derde.
De dag zien door te komen was wel een ding, het schip was
van de werf, de apparatuur was van de fabrikant en het MEOB (marine elektronisch
en optisch bedrijf) zwaaide de scepter over het aansluiten. Deden wij dan ook
wat? Meer dan meelopen en kijken zat er niet in dus was er veel tijd om het
schip te leren kennen. Uiteraard duurde het niet lang voordat er meer collega’s
kwamen: Willem Kooiman (magazijnbeheerder), Willem Rook bijgenaamd Smokey van
de TD, Gerrit Gijssel en Lucas Graver van de MTD (medisch technische dienst).
Op de Van Ghentkazerne werd het ook steeds drukker met
vlootbalen die de strakke hiërarchie van het korps niet zo zagen zitten.
Stunten konden niet uitblijven. Op het eerste bordes van de trap stond het boek
waarin de dragers van de militaire Willemsorde stonden vermeld, naar verluidt
was het aan de beste marinier van de opleiding vergund om één bladzijde in dat
boek om te slaan, een mooie traditie waarin het bladeren door dat boek door
vlootbalen niet op prijs werd gesteld. Baksgewijs was ook iets dat, naar ons
idee uitsluitend, bedoeld was voor mariniers in de opleiding. Ook de
manschappen moesten op baksgewijs komen maar dat zij na baksgewijs als afmars
hadden gekozen voor de pinguïnmars a la Andre van Duin werd niet echt op prijs
gesteld. Wel wil ik vanaf deze plaats mijn respect betuigen voor het korps. Ook
bij de mariniers kan veel maar soms komt de discipline even strikter
bovendrijven dan bij de vloot, je weet wel waar je aan toe bent want de regels
staan vast en wijzigen nooit.
Logistiek bleek het niet
langer vol te houden, te veel mensen en 2 maal per dag veel reistijd naar
Wilton en ook weer terug. De list was snel verzonnen want in een enorm droogdok
lag de oplossing: de Snellius. Ook weer een hele klus. Het schip lag droog in
een dok maar verder was er niet veel. De aanwezige logistieke dienst hebben
daar samen met de nautische dienst onder aanvoering van ene E een kunststukje
neergezet; in zeer korte tijd konden we slapen, eten en recreëren. Dat slapen
was al een stuk ouderwetser dan de accommodatie van de jagers maar klagen deden
we niet. Eten ging prima, de kombuiswagen voorzag in ruime variatie aan eten en
Sjef (of was het Chef) regelde alles in het noodgebouw. Topmensen die in dit
boek wel een eervolle vermelding verdienen!
Ja,
hoor, daar staat het zwart op wit op de “P”. Het wordt de Almonde maar die is
nog niet eens klaar en nog lang geen Hare Majesteits. Daar ben ik dan mooi
klaar mee; wel op een schip maar het varen zit er voorlopig niet in. Naar de
Almonde gaan zit er sowieso niet in want eerst naar de WTS voor een opleiding.
Opleiding? Jawel een opleiding want op dat nieuwe schip staat apparatuur waar
je nog niets van weet. Wel gezellig zo’n opleiding samen met een collega die
ook naar de Almonde gaat en om het helemaal compleet te maken zit mijn
toekomstige chef in dezelfde opleiding. Omdat ik op de jagers ook in de SONAR
werkte mag ik dat straks ook weer gaan doen en de communicatie komt daar Ja nog
bij. Als kers op de taart moesten we naar Bremerhaven voor een opleiding MHS
(message handling system). Vervelend maar wat moet dat moet.
Dan
komt dan eindelijk de dag dat ik naar de Almonde mag, of is het moet. Zoals ik
al zei is de Almonde nog niet klaar en dus had CZM bedacht dat we maar
geplaatst moesten worden op de Van Ghentkazerne. CZM had waarschijnlijk een
slechte dag want op die kazerne zaten toch alleen mariniers? Zaten, want nu
wordt dat aangevuld met een vlootbaal. Vol verwachting reisde ik af naar
Rotterdam om me te melden bij de Van Ghentkazerne, de wacht aan de poort was behulpzaam
maar er was toch wel een eigenaardigheidje. De kortste weg naar de
parkeerplaats was recht door maar dat was te simpel gedacht. Rechtdoor was
immers over het exercitieterrein en dat was enkel bedoeld om op te lopen.
Hoewel, mariniers lopen nooit die exerceren. Bij binnenkomst viel gelijk op dat
aan orde en tucht streng de hand werd gehouden. Was dat erg? Welnee, misschien
wel voor een ongegradueerde marinier maar niet voor
een korporaal van de vloot.
Vervolgens
naar Schiedam want de Almonde lag daar op de werf Wilton-Feje.. (Dat woord
blijft lastig voor een Ajaxied, dus we zullen het voortaan maar Wilton noemen).
Natuurlijk kom ik niet zomaar die werf op, eerst moesten ze het checken en
daarna zou ik een toegangspasje krijgen, het leek de marine wel. Dat pasje, met
nummer 3, was geen probleem en na een kleine uitleg over de route kon ik het
terrein op. In de verte zag ik haar al liggen, nog een beetje kaal maar wel al
grijs en aan de buitenkant was niet te zien dat het de Almonde was. Vlakbij
stond een gebouw en daar huisde de aanloopbemanning die op dat moment bestond
uit 2 personen, Andre Brouwer en Marco van Dijk, en ik was de derde.
De
dag zien door te komen was wel een ding, het schip was van de werf, de
apparatuur was van de fabrikant en het MEOB (marine elektronisch en optisch
bedrijf) zwaaide de scepter over het aansluiten. Deden wij dan ook wat? Meer
dan meelopen en kijken zat er niet in dus was er veel tijd om het schip te
leren kennen. Uiteraard duurde het niet lang voordat er meer collega’s kwamen:
Willem Kooiman (magazijnbeheerder), Willem Rook bijgenaamd Smokey van de TD,
Gerrit Gijssel en Lucas Graver van de MTD (medisch technische dienst).
Op
de Van Ghentkazerne werd het ook steeds drukker met vlootbalen die de strakke
hiërarchie van het korps niet zo zagen zitten. Stunten konden niet uitblijven.
Op het eerste bordes van de trap stond het boek waarin de dragers van de
militaire Willemsorde stonden vermeld, naar verluidt was het aan de beste
marinier van de opleiding vergund om één bladzijde in dat boek om te slaan, een
mooie traditie waarin het bladeren door dat boek door vlootbalen niet op prijs
werd gesteld. Baksgewijs was ook iets dat, naar ons idee uitsluitend, bedoeld
was voor mariniers in de opleiding. Ook de manschappen moesten op baksgewijs
komen maar dat zij na baksgewijs als afmars hadden gekozen voor de pinguïnmars
a la Andre van Duin werd niet echt op prijs gesteld. Wel wil ik vanaf deze
plaats mijn respect betuigen voor het korps. Ook bij de mariniers kan veel maar
soms komt de discipline even strikter bovendrijven dan bij de vloot, je weet
wel waar je aan toe bent want de regels staan vast en wijzigen nooit.
Logistiek
bleek het niet langer vol te houden, te veel mensen en 2 maal per dag veel
reistijd naar Wilton en ook weer terug. De list was snel verzonnen want in een
enorm droogdok lag de oplossing: de Snellius. Ook weer een hele klus. Het schip
lag droog in een dok maar verder was er niet veel. De aanwezige logistieke
dienst hebben daar samen met de nautische dienst onder aanvoering van ene Ad een
kunststukje neergezet; in zeer korte tijd konden we slapen, eten en recreëren.
Dat slapen was al een stuk ouderwetser dan de accommodatie van de jagers maar
klagen deden we niet. Eten ging prima, de kombuiswagen voorzag in ruime
variatie aan eten en Sjef (of was het Chef) regelde alles in het noodgebouw.
Topmensen die in dit boek wel een eervolle vermelding verdienen!
Terug naar de
Snellius. Pracht schip maar het lag verloren in een hoekje van een enorm
droogdok. Zo groot als een voetbalveld. (In mijn beleving dan) Dat dok was al
tijden niet vol water geweest want het onkruid tierde er welig. Slapen was geen
probleem. Het was oud maar wij van de vloot kunnen overal slapen dus ook daar.
Ook daar weer een klein dingetje; de kpl hofmeester, Sjef, had de eigenschap om
tijdens het slapen tropische regenwouden om te zagen en de bomen vervolgens te
verwerken tot planken. Goed slapen kon dus alleen na een bezoek aan de
stacaravan die ze bovenop de Snellius hadden neergezet als KPL’s verblijf. Erg
klein, maar we konden zitten en er was plaats voor een koelkast met daarin
frisdrank en natuurlijk bier.
Verder was er
niets te doen en als KPL’s zich gaan vervelen komt er meestal iets bijzonders
uit hun handen. Zoals het hoort maakten we een rondje door de Snellius omdat we
binnen 24 uur het schip moesten kennen. Bij die ronde kwamen we in de
bergruimte van de bottelier vlonders tegen van een zeer mooie houtsoort:
teakhout. Mooie smalle latten en daar zag onze collega Sjeng, een Limburger
want die noemen we allemaal Sjeng behalve Willem want die noemden we Smokey.
Sjeng zag er brood in en hij ging de werf op om te kijken of die daar wat van
konden maken. De timmermanswerkplaats wilde de latten wel verlijmen tot een
grote plaat en die vervolgens vermaken tot een perfect passen bar blad voor het
KPL’s verblijf. Het eindresultaat mocht er zijn, een prachtig blad voorzien van
een laag Glitsa. Het opklapblad werd er ondergewerkt dus de tapbaas moest in
het vervolg onder het blad door om achter de tap te komen.
Op onze
rondgang kwamen we nog veel meer leuke dingen tegen. Het leukste waren de
patrijspoorten die redelijk eenvoudig te verwijderen waren. Dik onder de verf
maar daaronder massief messing. Een aantal collega’s dachten handig te zijn en
namen een patrijspoort mee naar huis. Waarschijnlijk bedoelt als raam in de
voordeur of gewoon voor de sier. Niemand van die collega’s had in de gaten dat
er camera’s hingen die gericht waren op het dok, de toegangsweg en de Snellius
zelf. Het meenemen van de patrijspoorten stond dus op beeld en daardoor was het
niet zo moeilijk om erachter te komen wie er een patrijspoort had meegenomen.
Aan een vriendelijk, doch zeer dringend, verzoek van de werf om de
patrijspoorten terug te brengen werd dan ook gevolg gegeven. Niet alleen omdat
we gedonder wilden voorkomen maar de werf liet tijdens het verzoek
doorschemeren dat de zaak anders zou worden overgedragen aan de Marechaussee.
Niet alleen in
de Snellius vonden we leuke dingen, ook in het dok. Bijna in het midden van het
dok stond een zeecontainer die zijn beste tijd had gehad. Dat wil zeggen dat de
container beschadigd was door een val uit een kraan. In die container lagen
grote witte platen en dozen vol met bevestigingsmateriaal. Dat moest dus een
bestemming krijgen en die bestemming werd het verblijf. De stellingen in het
verblijf voor opslag en biervaten was niet echte sfeervol dus werd besloten om
met die platen de kasten te bekleden en te voorzien van schuifdeuren. ’s Avonds
gingen we die platen halen want dan viel dat niet op dachten we. Achteraf stom
want platen van 2 vierkante meter verplaatsen zich niet vanzelf door een dok,
we wisten toen ook niet van het bestaan van de camera’s. Vreemd genoeg heeft de
werf nooit een probleem gemaakt van het lenen van die platen en ook niet van
het gebruik van de teakhouten vlonders.
Waarschijnlijk
omdat we het leenden en de spullen dus terug zouden komen, de Griekse marine
heeft dus nog een inleverplicht.
Deden we ook nuttige dingen? Natuurlijk! Buiten het
opknappen van de Snellius en het verbouwen van het KPL’s verblijf was er ook
nog iets met werkzaamheden. Wie ook iets met werkzaamheden deed was Lucas, onze
ziekenverpleger. Hij had niet veel te doen want veel zieken waren er niet,
tenminste niet die met een medische oorzaak. Om te zorgen dat de aankomende
bemanning een beetje gezond door het leven zou gaan had Lucas verzonnen dat
iedereen maar een bezoek aan de tandarts moest brengen. Het idee alleen al, de
tandarts op de kazerne stond niet echt als man die op het welzijn van de patiënt
gericht was. Over zijn assistente ging het verhaal dat je maar beter kon zorgen
dat alles op orde was en dat je op tijd kwam want anders zou er wat zwaaien.
Wat er zou zwaaien was weer niet bekend maar het was duidelijk dat het niet
goed was. Alle ingrediënten waren dus aanwezig om ondergetekende de stuipen op
het lijf te jagen. Inmiddels had ik al een paar (verplichte) controles gemist
en ik dacht dat mij allerlei ellende te wachten stond. Het door Lucas
versterkte trauma is nog altijd latent aanwezig.
Maar als de plicht roept dan roept de plicht en een ritje
naar de kazerne was het begin van de te verwachten hel. Dat ritje duurde best
lang en het verkeer was nog niet zo druk als tegenwoordig dus de angst had alle
tijd om zich op te bouwen. Met een natte rug lag ik uiteindelijk in de stoel
van de tandarts. De assistente had van de overgeslagen controles geen punt
gemaakt (pffff) en de tandarts had bijna iets vaderlijks over zich toen hij de
staat van het monument opnam. Het zou wel een paar afspraken duren en om het
niet te lang te laten duren begon hij gelijk. Gek genoeg viel erna dat eerste
bezoek iets van me af en waren de andere bezoeken niet meer zo heel erg. Het
trauma voor een tandarts is overigens nog steeds latent aanwezig.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten