Weer
een woordje vooraf.
Goed,
het eerste deel van het boek is af. Het gemakkelijkste deel trouwens, het deel
over het schip zelf en al haar reizen. In dit tweede deel wordt het allemaal wat
meer anekdotisch, in dit deel zal ik verhalen vertellen over types en
gebeurtenissen aan boord. Over het algemeen is het wel wat lichtere kost. Ik moet
natuurlijk wel voorzichtig zijn, ik wil geen namen noemen, ik zal dus alleen
maar met initialen, en dat nog niet eens, werken hoewel ik bijvoorbeeld wel de ouwe met naam en
toenaam heb genoemd. Verder moet anonimiteit gewaarborgd blijven, uiteraard.
In veel van deze ‘stukkies’ die ik eerder als
Blog heb geplaatst op de Almo facebook pagina, waarvoor nog dank aan de
moderator, André, zullen dingen voorkomen die ook hierboven, in deel één, al te
lezen waren. Ik heb dat zo maar gelaten, ik zou zo moeten wieden en
worteltrekken, zeg maar, dat de vaart uit het boek zou gaan.
Zo had ik nog verhalen over verdwenen koperen
patrijspoorten uit de ‘Snelle Jezus, (en een HLD die daar door in paniek
raakte), een teakhouten dek dat voor een groot gedeelte verdwenen was en een
mooi blad voor de tap, van teakhout, in het KPL’s verblijf, bleek te zijn, over
een biertap in het caf, dat er nooit is geweest maar er, rara politiepet en
Chinees vraagteken, er toch was, (dank voor het verhaal) dank aan wervianen
voor het niet bestaande, in ieder geval op geen enkele tekening voorkomend,
apparaat. De Almo was overigens toen het enige S-bootje met een biertap in het
caf heb ik begrepen, de rest van de schepen moesten het met flessenbier doen.
Dus ja, ik val, in dit deel, wat in herhaling.
Dat vinden jullie hopelijk niet erg?
Ik heb nog een verhaal over een SMJRTDW die, in
gedeelten, hele lantaarnpalen en sierhekken voor in de tuin naar zijn huis
vervoerde, hij schreef het overigens zelf, over een MATR die Engelse dubbeldek
bussen ging ‘catchen’, een WSRZM die tevens een KI-man was, dus ja, kijk maar
wat jullie willen lezen.
Nu ja, ik heb natuurlijk alles wel nog eens
herlezen en waar nodig aangepast, hoor.
Helemaal achterin vind je een aantal verhalen
van de mannen zelf. Ik heb er niets aan veranderd, behalve dan naar de spelling
gekeken en het lettertype aangepast.
Verder staan er wat opmerkingen in dit deel over
mijn mening waar het veteranen betreft. Ik ga dat allemaal uitleggen maar, wij,
de Almo’s hebben, in mijn ogen, ook allemaal een veteranen status verdiend,
vind ik. Wij waren/voeren dan soms wel ná de koude oorlog maar hebben, door
onze NAVO en STANAV-gedragsregels, wel gezorgd voor een toen malige veiliger
wereld.
(In mijn mening hebben alle militairen van alle krijgsmachtonderdelen,
die, zeg vanaf de jaren 1956, de inval van de Russen in Hongarije en tot 1988,
de Perestrojka en de val van de Muur, recht op een bintang. Voornamelijk omdat
die jaren zo onzeker waren. Omdat er vaak alarm werd geslagen, omdat wij, militairen
vaker opgeroepen werden, vaker geconfisqueerd werden en vaker in alarmtoestand
werden gebracht.
Mijn mening is dus, voor wat ze waard is: geef
al die (ex) militairen, uit die periode, met terugwerkende kracht een bintang,
een draagspeld, what ever, maar laat het Nederlandse volk in dat gebaar, daardoor
hun dank uitspreken aan die militairen die toen wel paraat waren.)
Ik heb zelf die koude oorlog van vrij dichtbij meegemaakt,
overigens. In mijn jeugd werd ik geconfronteerd met de inval van de Russen in
Hongarije, in 1956, toen de Hongaren zich vrij wilden maken van Rusland en hun
overheersers.
Ik was nog een kleuter, natuurlijk, maar ik
voelde wel de spanning, tussen mijn ouders en mijn oudere broers en zussen aan,
die toen in ons gezin, en in het hele land, heerste. In 1968 was er dan ook nog
de brute inval in Tsjechoslowakije en werd dat land, eerst door ene Dubcek vrij
gemaakt, in die ‘Praagse lente’, bezet door de Russen. Ene Jan Palach, een
student, verbrandde zich toen in het openbaar. Misschien was dat wel de reden
dat ik militair werd? Voor de vrijheid om je mening te mogen uiten, om je niet
te hoeven te verbranden in het openbaar om toch maar vrij te zijn, of te mogen
zeggen wat je zou moeten mogen zeggen? Vrijheid, eigenlijk? Ik weet het niet,
ik was nog jong, maar delen van die dingen speelden wel mee toen ik dienst nam,
natuurlijk.
Ik ben lid van het Facebook forum over dat
prachtige schip, de Philips van Almonde. Ik heb dat schip, ooit, ‘van de werf
gehaald’, zoals men in KM termen zegt en ik heb een paar fantastische jaren aan
boord van dat fregat gehad.
Het schip had een aanloop bemanning die klonk
als een klok. Een eerste ouwe om noot te vergeten, Cheese of the Dockyards (KM
speak voor Kees van der Werf), een eerste, Eerste man, Ko de Boswachter, zoals
we hem noemden of Cornelius the Hunter, in ieder geval ene Ko, hij was ook al zo
een ‘type’. Beide officieren, CDT en EO, verstonden hun vak, hadden de zaak, de
bemanning en het schip dus, helemaal door en zorgden daardoor dat wij, de rest
van de bemanning, vanaf bak één en de Onderofficieren, de zogenaamde ‘ouwe
mannen’ en wij Korpedanten, waar ik toen toe behoorde, maar ook de mannen van
het caf, met ontzettend veel enthousiasme en inzet ons werk deden en onze
‘liefde’ voor het schip deelden.
Liefde voor een schip, nu ja, dat klinkt allemaal
heel romantisch, maar romantiek, dat is iets, een woord, een begrip, dat niet
in de maten taal te pas komt. Maar: ik geloof heel echt en helemaal zeker, dat
elk bemanningslid van toen, maar ook van de latere generaties heb ik begrepen,
zelfs Griekse bemanningsleden die het schip nu onder hun beheer hebben, nog
steeds een hele warme plek in hun hart hebben voor dat fraaie en goede schip.
Maar dat gold ook, en misschien nog, voor de
mensen van de werf die ons toen hebben geholpen. Ik heb het idee dat die
‘wervianen’ ons schip ook in hun hart hebben gesloten. Alle lof voor de mensen
van die werf. Wat hebben ze ons vreselijk goed geholpen, wat waren ze
voorkomend en je weet hoe moeilijk maten kunnen zijn als ze wat te zeiken
hebben, maar de wervianen deden niet moeilijk, ze hielpen waar ze konden en
deden dat altijd met een grap, een witz, zeg maar en met veel inzet en met veel
plezier. Klinkt dit allemaal te positief? (Mijn spellingscontrole geeft op het
aanslaan van dat woord ook poeslief aan, grappig genoeg) Niets is minder waar! Niks:
te positief voorstellen. De bemanning was een enorme eenheid, een hechte groep,
een band of brothers. (Nee waarde, dit stuk lezende dames, toen voer de Almo
nog als ‘mannenboot’. Waarbij ik niets en ook al helemaal niets wil zeggen over
jullie, de later varende dames. Ik heb ‘gemengd’, zo heette dat toen nog,
gevaren en ik heb hele fijne herinneringen aan onze vrouwelijke
bemanningsleden. De meiden/vrouwen hadden het, ik praat over wat latere jaren,
moeilijk genoeg om zich te bewijzen aan boord, maar hebben dat keurig opgelost,
door hun inzet, hun relativerings- en inlevingsvermogen. Mijn hoed, heb ik
niet, mijn pet, draag ik niet meer, maar mijn fietshelm dan, helemaal af voor
alle marine meiden!
Van een hele sympathieke collega van toen, las
ik op het Almo forum wel de havens die we, onder andere tijdens de proefvaart,
hebben aangedaan. Daar was Lissabon toen dus niet bij! Maf, ik wist toch zeker
dat…. enzovoort. Ik had geen idee dat we, ik zat tot aan het begin van de
eerste STANAV, aan boord, zoveel havens hebben aangedaan. (Ik had al een paar
STANAV’s gedaan, met andere scherpen, en heb de schade later ook nog weer
ingehaald.) Hadden we nog tijd om te varen, eigenlijk, met al die havens? Maar,
feit blijft dat het fraaie en goede schip, meerdere malen in Lisboa, stad van
kathedralen, kastelen en kroegen geweest is, en ook tijdens de proefvaart. Ik
schreef al, zonder enige gene, het verhaal over hoe ik terug aan boord kwam na
een stapje aan de wal. Daar ga ik niet over liegen, zo was het en zo is het.
Maar: er zijn zoveel verhalen over die oude
juffer te vertellen dat ik nogal wat papier nodig heb. De verhalen zijn
eigenlijk alleen maar positief, ik kan het niet anders over zeggen. Ik geloof
dat de Almo het enige S-fregat is geweest waar we nog nooit een enorme Influenza
aanval hebben gehad. Da’s moeilijk ziekenpa ge-ouweneel voor ‘dat er nauwelijks
gegriept werd.’ Nou ja, natuurlijk werd er gegriept. Je weet wat ze zeggen: ‘Een
jankaas die niet griept, is ziek.’ Maar serieus, ik kan me, maar goed, zoals
men zegt: de tijd heelt alle wonden, niet echt herinneren dat er serieuze
klachten van of onder de bemanning waren of onder hen heerste. Ik geloof ook
niet dat er ooit een schip is geweest waar zo weinig ‘bakkies’ werden getrokken
als toen in die tijd bij ons aan boord.
Helaas, geloof ik, zijn er geen oud toelissen
lid van de FB-pagina, nu ja, uit die tijd, dus ik kan mijn stelling niet
toetsen aan de praktijk. Wat een taal weer, m’n jongen, doe eens normaal man,
zouden we toen ooit zeggen. Even over die toelissen. Ik had het er al eens
over, jullie waren gewaarschuwd dat ik vaak wat herhalingen had, nietwaar? Dat
was een geweldige club lui, net als de rest overigens. De chef was ene Rein,
geen achternamen, dus. Hij was toen nog een en SGT en een Grunniger. Over dat
Grunniger zijn kom ik ook nog op terug. Hij had een KPL aan boord, die later
plaatsingen ging doen en mij een aardig opkontje gaf om op een ander S-fregat
een Oostreis te kunnen gaan maken. Dan hadden we nog ene Anton, een OC’er,
(bestaan die nog?) Ook Willem, een oudgediende die het allemaal snaaide en een
jonge vent, ene Rob. Maar er was ook ene Shirley Temple die de show stal. Maar,
nee, privacy, dus geen echte namen. (Die schrijvers waren echt apart en uniek:
moest je bij de rest van de KM altijd ‘maanden’ op je declaraties of zo
wachten, of, varend op je havengeld, bij deze groep had je je poen al te pakken
voor dat meerrol op post was gepraaid. Ik overdrijf, maar je vat hem wel.
Nee, geen namen, nee, dat had ik gezegd, maar,
zoals ik al schreef, in bijnamen is janmaat gespecialiseerd. Shirley Stempel, een
van onze toelissen aan boord, heette natuurlijk helemaal niet zo. Ik schreef
het al. Maar omdat zijn achternaam rijmde op Stempel en er ooit een kindsterretje
was dat Shirley Temple heette en ja, een schrijver zet vaak stempels, dus was
die bijnaam snel gevonden en verzonnen.
Later voer ik op weer een ander S-fregat. Daar
hadden we een kokoloog aan boord. Een lange, smalle en nu ja, zeg maar, een
hele magere gozer, met nogal grote en wijduitstaande oren. De chef BOTT gaf hem
zijn bijnaam. Die luidde PLAMO, afkorting van PLAnk Met Oren. Hij was onder die
naam algemeen bekend aan boord. Dat ging zover dat hij zich ook zo voorstelde
als hij de telefoon opnam. “Met Plamootje. Natuurlijk Commandant, over een half
uur is uw brunch voor u en uw gasten klaar. Geen dank, hoor.” Ik moest zijn
ziekenboekje eens opzoeken en begon bij de P te kijken, maar vond dat niet, tot
hij mij zijn echte achternaam vertelde.
Goed, nu: ter zake.
De lantaarnpalen werden als cadeautjes gemaakt voor diverse mensen die van boord gingenHeb er 1 gemaakt voor de htd nico ver.... en verder nog voor een ltz 1 naam helaas vergeten maar hekwerken maakte ik niet , Bak 1 vroeg me nogaleens wat te fabrieken oa dat hoekbankje in de longroom bij de tap en wat meer van zulke dingen oa het bed voor de ltz mevr wibier daar was geen hut en bedje voor Dus werd ik gevraagd omdan een bedje in elkaar te flanzen in een of anderde radio hut En dan voor de donimee Dondrop kandelaars maken in de smederij voor de kerkdiensten en voor weggevertjes Dat was het weer ik deed dit allemaal uit Hobby en verders niets meer groet dat was her weer sepatoe
BeantwoordenVerwijderen