Een aparte man!
Maar, goed, nu even
over een andere man, de man de geloof ik iedereen ondertussen wel kent, hij was de
toenmalige KPL en is nu gepensioneerd als LTZVK2OC, ik noem hem X. Heel kort: ik kan
der nu nog even niks mee, met zijn naam dan. Hij was een boef, een bandiet, een ongeleid
projectiel en een man die ten eerste een vakman en een zeeman was en daarnaast
al die andere kwaliteiten, schurk, wijvendief, oplichter ook nog had. Die waren vaak enigszins negatief, maar
werden door bak één en door de rest van het schip, vaak vergoelijkt door zijn immense
vakmanschap.
Uit diverse meldingen
op de diverse sociale media wil hij niet dat er over hem gepubliceerd wordt. Dat
wordt niet door hem zelf verordonneerd, overigens, was het maar zo, dan zou ik
een discussie aan kunnen gaan, maar ik heb al helemaal geen contact met hem, dan zou
ik hem kunnen geruststellen, dat hij totaal anoniem zal blijven. En dat zal ook
gebeuren. Hij zal nooit anoniem zijn voor ons, die hem kennen, maar die hem
niets aan gaan rekenen, integendeel. Hij was een ware maat, en een van goud. Een topper, maar een aparte topper. Ik heb de discussie over hem even gevolgd op die media,
maar ik kan niet onder hem uit, net zoals ik niet onder de Almo of onder de Ouwe, Driekus of Rob of Gypsie uit kan, om maar een paar te noemen, ik kan eigenlijk niet onder al de mannen van de Almo uit. Soit.
Ik heb het dus
even over een van de meest beruchte en notoire ‘boeven’ van de hele KM en ja,
dat wil wat zeggen. Het is niet, nee, niet dat enge en vreselijk getatoeëerde mannetje
dat ooit eens een vaag boekje geschreven heeft over “de Km en ik” en zo. Ik heb
die man ook een paar keer meegemaakt en, in KM-spraak, het was niet mijn man.
Hij was provocerend om het provoceren zelf en daardoor gewoon niet leuk of amusant
en niet prettig. Ik heb dat boekje, na het half gelezen te hebben, dan ook
gewoon weg gelazerd. Nee, ik heb een heilig ontzag voor boeken en schrijvers,
maar dat werkje was te erg voor woorden. Jullie, de meesten van jullie, hebben die
man wel gekend, neem ik aan.
Maar, het onderwerp
van dit verhaal is gewoon een naturel mens, gewoon een man die altijd zichzelf
was en altijd zichzelf bleef. Een boef ja, maar wel een eerlijke boef. De man
waar ik op doel is (was) ook een naut, een KWMR, zoals dat nog heette in de
tijd waar ik nu over praat. Om te beginnen: het was een geweldige vakman, al
eerder gezegd, een zeeman in hart en nieren, hij was een bijzonder charmante
figuur, hij was een blije prater met een fraaie lach en een enorm gevoel voor
humor maar ook een enorme wijvendief,
maar wel bij iedereen geliefd. Een schurk avant
la lettre, zoals de Fransen zouden zeggen. Hij kon eigenlijk gewoon niets
verkeerd doen, hoewel hij vaak dus totaal fout was.
In de serieuze ‘literatureluur’
zijn er veel hele dikke en ernstige boeken geschreven over mannen zoals hem.
Jane Austen deed dat en zo, nu ja, van dat soort romans weet je wel. Emile Zola,
Flaubert, Victor Hugo zouden hem wel willen hebben leren kennen als onderwerp
voor een dikke psychologische romen van 700 bladzijden, maar ze leefden te
vroeg. Die schrijvers hebben hem dus nooit gekend, maar wij, en niet alleen wij
van ons schip, de halve, of misschien de hele, marine wel. Zijn naam is nog
steeds bekend, berucht misschien, in de toenmalige en misschien in de huidige, KM
ook nog wel.
Hij kwam in mijn,
en in het leven van velen van ons op de Almo, tijdens de veelbewogen tijd als
aanloop- en eerste bemanning. Hij was ooit elektromonteur geweest, begreep ik,
maar die studie beviel hem niet, die was veel te theoretisch. Hij was een man
van daden en werken met zijn handen. Hij ging voor een zogenaamde herselectie
en werd dan maar naut en werd, binnen een jaar KWMR. Op zijn vakkennis. Hij
diende eerst even op een kleiner ‘bootje’, later op een bevoorrader en werd
toen geplaatst aan boord van de ‘Oude dame.’ Dat was voor hem even wennen, zo
een heel ander soort grote boot vroeg namelijk veel van je nautische kennis, maar
hij had wel een geweldige ploeg mensen aan boord. Twee hele goede bootsmannen,
een paar collegae kwartiermeesters die het ook allemaal snapten en een Kaan die
ook niet van de straat was. Ook de zogenaamde dek officieren deden het goed,
maar, hij stak er wel even bovenuit. Toch was hij, in onze ogen, apart. Hij
kwam uit het noorden/noordoosten, nu ja daar in de buurt. Maar hij kwam ook, vertelde hij
trots, uit een ‘kamp’, waarmee hij natuurlijk geen Duits kamp bedoelde, maar
dat hij en zijn familie uit een woonwagenkamp kwamen. Dat bleek ook wel uit wat
dingetjes die we vaak meemaakten in het korporaalsverblijf, waar hij natuurlijk
ook deel van uitmaakte. Hij dronk, maar dat deden wij ook, graag een drankje.
Geen bier, maar Baco’s. Hoe straffer, hoe beter. Wij dronken dan wel een paar
biertjes maar hij dronk hetzelfde aantal Baco’s. Wij werden muf, nee, niet
helemaal, nou ja, een beetje, prettig verheugd noemden we dat, maar hij dus
niet. Hij leek, uiterlijk, helemaal steenkoud nuchter te blijven. We moesten weleens
naar het toilet, na zoveel bier en af en toe moesten we dan ook weleens steun
zoeken aan een deurpost of zo, want ja, dat schip slingerde enorm, ook aan de
steiger liggend, zeg maar. Hij niet. Strak en zonder gedoe liep hij heen en
terug. Maar we merkten aan zijn opgewonden gepraat dan wel, dat hij wat op had.
Dan werd hij scherp en begon (soms scherpe) woordgeintjes te maken en zo. Maar:
het bleef geinig en ontspannen.
Hij had een
standaard geintje tegen nieuwe collegae die in Het Hok kwamen. “Wedden dat ik
met mijn kont kan kijken?”, vroeg hij dan. De nieuwe collegae deden dan van ah
en oh en zo. Hij liet dan zijn broek(en) zakken en ja hoor, hij had een nieuwe
prooi. Hij had op beide billen namelijk een oog laten tatoeëren.
De man was een
dermate complexe figuur en heeft het leven van ons, toen, en van vele KM-mannen,
maar vooral van heel veel vrouwen, denk ik, later dermate beheerst dat ik misschien
een heel ander en een heel dik boek over hem zou kunnen schrijven. Ik ga het natuurlijk wel over
hem hebben, ondanks alle waarschuwingen om dat niet te doen, natuurlijk, want,
man, man, man, wat een aparte gozer was hij en ik wil die herinneringen aan hem plaatsen
in het kader van de Almo.
Voor de lezers
die de KM alleen maar van na de ‘drooglegging’, dat is schijnbaar gebeurd heb
ik begrepen, trossen los, tap dicht, zoiets dan, kennen, moet ik even uitleggen
dat er dingen gebeurden in die tijd, die tegenwoordig gewoonweg verboden zijn,
of misschien niet meer voorkomen, zeg maar.
Ik geef, voor hen
die die tijd en die man, niet hebben meegemaakt alleen het verhaal: ‘Zwemmer
van de wacht’.
Dat begrip
‘zwemmer enzovoort’, is denk ik waarschijnlijk uitgestorven. Nu ja, vroeger,
tijdens BOZ-operaties en bij HELI-operaties, was er altijd een bemanningslid
met het brevet Duiker/Kikker aanwezig. Die zat, in rubberpak, dan in, het
‘stand by’ rubbervlot, dat, hetzij in de brede zij, hetzij op het helidek was
opgesteld. Vaak was het de Marinier eerste klas die aan boord was geplaatst,
maar ook vaak een ander bemanningslid die diverse brevetten had.
Du moment dat er
een bemanningslid van welk schip dan ook over de pint ging, of een helikopter
het dek miste, ik noem maar wat, dook hij, die zwemmer dan, met vlot en al, te
water in een, natuurlijk heldhaftige, poging om de drenkeling/helibemanning,
noem maar op, te redden. Dat was link, en heel link. Door de zuiging van de
schroeven of door de zuiging van de twee schepen die aan het BOZ’en/Ras’en waren,
werden de drenkelingen naar de schroeven toe getrokken en ja, de zwemmer dan
ook. Ik heb het slechts een keer meegemaakt, in het eggie, zeg maar, maar toen liep
het allemaal goed af. Maar enfin.
Onze man in kwestie, verkleedde zich, mits de dienst het toeliet en het BA van de Baco gehalte in
het bloed steeg, graag als zogenaamde ‘zwemmer van de wacht’.
Hij betrad dan de
Leeuwenkuil, gehuld in slechts een minuscuul stukje leer, dat, vreemd genoeg
bij een naut, ‘schede’ werd genoemd en waarin dan zijn ‘trossen mes’, zeg maar,
stak en die hij dan voor zijn lid had gebonden. De riem liep dan naar achter
over de billen, met een ‘reetveter’, net
zoals een modern en niets verhullend dames zwembroekje maar dan avant la lettre.
Dat was hilariteit alom, natuurlijk. Op zijn achterwerk had de man op SB en BB-billen
ook nog eens een oog laten tatoeëren! (Een klein detail dat later, ten huize
van zijn familie, nogal voor opschudding zou zorgen, maar daarover later nog,
misschien.)
Hij maakte
weddenschappen met nieuw geplaatste collegae dat hij zijn kont kon laten
kijken, iets dat dat hij altijd won, natuurlijk. Goed, hij haalde vaak die truc
uit en ja, vaak was het dolle pret. Tot een befaamde kerstmis op zee, ik
beschreef het al.
Ome Kees was
afgedaald in de leeuwenkuil en gaf, een geweldige geste, een vat bier weg. Hij
werd door Gipsy uitgenodigd om het eerste biertje te tappen en, ja, daar had de
man ook al ervaring mee en hij schonk schitterende glazen bier. Opeens ging de
deur open en ja, hoor, daar was ‘ie weer: X, als de befaamde zwemmer van de
wacht.
Ome Kees, een
glas bier zorgvuldig afstrijkend, keek hem aan en vroeg: “Ken je het verschil
tussen een vuurtoren je zelf, X.?” X., de BACO's klotsend tussen de oren, keek de
ouwe verbaasd aan. Ome Kees grijnsde op zijn bekende manier en zei: “Een
vuurtoren heeft wel een karakter!” X. ging stilletjes weg, douchte zich en ging
plat. Die ouwe: niet te verslaan.
Nog even over Rein, onze chef toelis. Er was in die tijd, ons schip was
nog niet eens in dienst gesteld en we waren nog maar een vage schim in de
nadere toekomst, eens een limerick geplaatst in, ik geloof, nee ik ben er wel zeker
van, in de ‘Alle Hens’. Jullie (her)kennen het blad wel. Het was, zeg maar, het
officiële ‘vakblad’ van de marine. Er stonden mededelingen in, bevorderingen,
het ging over mensen die de dienst uit gingen of overleden waren, nu ja, zo een
maandblad dat je even doorsnuffelt en waar je een al dan niet interessant
artikel in leest.
Maar er stonden,
in die tijd ook weleens moppen of rijmpjes in. En over een van die rijmpjes
werd onze Rein, onze SMJRLDA nogal boos. Hoe het exact ging? Ik heb geen idee
meer. Ik heb het in die tijd uitgeknipt, in mijn portefeuille gestopt maar ja.
Dertig jaar, een hoop andere portefeuilles, heel veel overplaatsingen, een
echtscheiding, een nieuw huwelijk en diverse verhuizingen later, raak je nog
wel eens iets kwijt. Het kwam er overigens op neer, ik doe het even van uit het
vage van mijn herinneringen dat:
“Een matroos moest een straf krijgen voor een bepaalde zonde,
een straf die nog niet was
uitgevonden
en werd dus geplaatst op de Philips van Almonde.”
Onschuldige
rijmelarij, denken we nu. Maar het zette toen, vooral bij die dubbele schrijver
voornoemd, nogal kwaad bloed. (Dat was dus de SMJR toelis die ook Grunniger was
en een goede vriend van me is gebleven.)
Hij/zij die het complete
gedichtje/rijmpje nog heeft, nodig ik uit om het eens op te schrijven. De
boosheid van Rein kwam vooral voort uit de trots die we, als hele bemanning
overigens, toen al voelden en toen al hadden in onze prauw. Rein haalde zijn
gram, hoor, hij schreef een stevig ingezonden stuk en de ‘Alle Hens’ gaf een
hevig excuus en zo, maar de toon was gezet. Almo versus Alle Hens. Zoiets dan.
Maar: helemaal
ongelijk had de humorist van de Alle Hens niet, hoor. Er zaten nogal wat
schurkjes en boefjes bij ons aan boord. Je had natuurlijk de man Teun waar ik
uitgebreid over geschreven heb en schrijven zal.
Niets is wat het
lijkt, natuurlijk. Teun beschrijft overigens later in dit boek zijn eigen verhaal
over die gebeurtenis.
In ieder geval,
stel je dit eens voor: een rustige zaterdag avond op zee. Het is twee glazen in
de EW, ofwel negen uur in de avond. Een S-fregat vaart rustig op de Noordzee,
de Philips van Almonde, zo heet het
mooie slanke en ranke schip, heeft “de wacht”, is dus schip van de wacht. Alles
is nu rustig aan boord. De dagelijkse werkzaamheden zijn afgelopen, de diverse
oefeningen, die dagelijks op het programma staan, zijn naar tevredenheid
afgewikkeld. En terecht, het fregat heeft een bemanning die heel goed op elkaar
is ingespeeld en heel goed met elkaar door allerlei waterdichte deuren kan. Van
hoog tot laag. Vanaf bak 1, en de ouwe mannen, maar ook kunnen de korpen en het
caf elkaar helemaal pruimen.
Ze weten allemaal
wie en wat ze zijn en meer: ze weten wat ze waard zijn. Daar hebben de ouwe en
de eerste man en de diverse officieren en onderofficieren wel voor gezorgd. De
bemanning, mits geen wacht, trekt zich terug in de verblijven, hun huiskamers
dus, om daar de avond door te brengen met vrolijke kout, een goed kaartspel en
natuurlijk, de Almo is een schip vol slimmeriken en halve intellectuelen, dus worden
er goede gesprekken gevoerd over filosofie en .., nee, natuurlijk niet. Dit
fregat is een feestboot, dat werd de bemanning vaak verweten, maar terecht. Máár,
terecht, zoals ik schreef. Want we deden het, we konden het en na afloop van
een drukke oefendag of - week en na zo een werkweek mochten we een feestje houden,
had onze ouwe verteld. “Keihard en kei goed werken en daarna keihard en kei
goed ontspannen”, zei Ome Kees, een Brabander volgens mij, ooit eens. En ja, als de ouwe dat zegt, dan
houdt je je eraan, toch?
Er is een halvemaan,
die zilveren schaduwen werpt op de voren die het fraaie en slanke schip in het donkere water van
de zee trekt. Voren die meteen verglijden en meteen zijn vergeten in de
‘eindeloze deining’ die de zee opwerpt. Er is dus slechts een halve
sterrenhemel en ja, er kan niet op die sterren genavigeerd worden, maar dat is
niet erg. Op de brug is de officier van de wacht niet erg druk. Hij heeft goed wachtvolk om zich heen. De koers is 347, afstand tot aan het dichtstbijzijnde
land is een mijl of dertien, er zijn geen hinderlijke vissers in zicht en ja,
het schip is stil en in rust. Hij ziet en checkt de lampen van de vuren van
Katwijk en Noordwijk. Hij maakt een peiling, checkt ook nog eens de kaart, zet
zijn driehoekje met potlood en schrijft de tijd erbij. Daarna bekijkt hij ook
nog eens de DECCA en ziet dat hij maar veertig meter of zo naast zijn peiling
zit. Hij is daarom natuurlijk tevreden over zichzelf en, met zijn rug geleund tegen
de voorkant van de kaartentafel droomt hij een beetje weg. Hij denkt aan zijn
vriendin, een MARVA der eerste klasse, een meisje met een lekker figuur met
mooie en stevige borsten en hij hoopt dat het, het aanstaande weekend, eens echt
tot een waar liefdespel gaat komen en dat het niet alleen maar blijft bij wat
voelen en kroelen. Het laatste weekend had ze hem afgehouden, het kon nu niet,
zei ze, diep ademend, want ja, je weet wel, toch, je begrijpt het toch? Ja, hij
had het begrepen, hij had twee oudere zussen en een niet eens zoveel oudere
moeder en ja, hij begreep dat het af en toe niet kon, dat liefdespel.
Hij is nog een jonge LTZ 3, die net zijn
certificaat als wachtofficier gehaald heeft. Hij checkt nog eens de radar en er
is verder geen schip in de buurt. Nu ja, vijf mijl uit vaart er een
containerbak, maar het CC heeft die al gevlagd en geen CPA* ingeschat.
Hij kijkt de brug rond naar zijn wacht divisie.
De roerganger, een betrouwbare en geroutineerde spodo zit in de stoel achter
zijn roer. Het schip vaart nu op auto, natuurlijk, maar de jongen is wel alert.
De VBD’er van de wacht zit wat te nelen met zijn maatjes in de centrale, maar hij
is ook bij de tijd en luistert allerlei zenders en frequenties af. Op de
brugvleugel ziet hij de korporaal ziekenpa, die hem toestemming had gevraagd om
te mogen roken, op de brugvleugel, een rode punt aan zijn zware trekken. Hoe heet
die man nu nog maar weer? Goh, hij weet de naam van die man niet, hij komt verder
nooit in de ziekenboeg. Maar hoe komt het nu dat een ziekenpa rookt? Raar.
De uitkijk is wel nog een jonge vent, heet die
man niet Teun? Hij is net uit de opleiding en het is dus zijn eerste schip en ja,
ook zijn tweede keer naar zee, nu ja, net als zijn geval.
De Commandant had hem veel succes gewenst met
zijn eerste torn als zelfstandig officier van de wacht en ja, de collegae officieren
hadden natuurlijk, helemaal jennend, met hun reddingsvesten op de brug gestaan
toen hij zijn eerste zelfstandige wacht ging lopen. Nu ja, dat was officieren
humor, had hij begrepen.
De jonge officier droomt nog wat weg naar zijn
Marva en haar zachte maar wel stevige boezem en herinnert zich een rijmpje dat,
ergens uit de jaren dat zijn opa nog jong was, de ronde deed. Hoe ging het nogal
weer? Oh ja: “Ik leg me nu te rusten en droom over U en Uw fraaie buste.” Hij
grinnikt wat voor zich uit, maakt zich op voor weer een check van de radar en
de DECCA en dan opeens roept de jonge uitkijk Teun: “Mijnheer, officier van de
wacht, een skelet, recht voor uit, mijnheer, vlak voor de toren!” Ongeloof
stijgt in hem op. “Wat, belazer je me nu? Wat loop je nou te lu…. man?” roept
hij naar de jonge odops. “Nee, mijnheer, echt, kijk dan!” klinkt het, haast
wanhopig.
Hij grijpt naar zijn kijker. De fraaie buste die
hij in gedachten voor ogen had, verdwijnt en de toren verschijnt, veel te groot
in zijn sterke glazen. Hij draait aan de kijker, focust en focust nog eens en,
hoewel hij goede ogen heeft, ziet hij geen moer. Maar de roerganger, ene Bert,
heeft het ook gezien. “Hij heb wel gelijk, m’nheer’, ik geloof da’k het ook
zag”. Mijnheer kijkt en kijkt, maar ziet niets.
Hij ondervraagt de uitkijk. “Wat heb je dan
gezien, Teun?” Teun vertelt zijn verhaal, aanvankelijk aarzelend, maar is wel
blij dat zijn maat Bert het ook heeft gezien. “Een skelet mijnheer. Met van die
ribben die zo oplichten en zo een enge schedel zeg maar. Hij had geen ogen,
hoor, gewoon alleen maar van die botten, van die ribben en een schedel en ja,
het liep op de bak!”
De korporaal ziekenpa is ondertussen, stil
lachend, afgedaald en komt iets later in zijn hok, het korporaalsverblijf. Daar
staat zijn maatje en collega X. Hij doet zijn verhaal. Hij loopt in zijn
ontbloot bovenlijf. Op zijn ribben en zijn schedel heeft hij fosfor gesmeerd,
dat hij haalde uit de breeklampjes die gebruikt worden tijdens het nachtelijke
BOZ’en. De ziekenpa vertelt over de totale verbazing en de lichte paniek op de
brug. In het korporaalsverblijf staat “Vienna” van Ultravox hard. Bier vloeit
ook vrij hard. Er wordt ook hard gelachen en zo wordt het weer een nieuwe dag aan
boord van dat schip dat Almo heet.
En ja, het was natuurlijk en bleef natuurlijk
een vrij groot geheim wie daar zo had gelopen. Onze ouwe was er snel klaar mee
en informeerde bij de ziekenpa of fosfor niet erg heel erg slecht was voor een
mens. De pa antwoordde dat het niet handig, zeg maar, was en ja, het gaf wel
brandvlekken. De ouwe nodigde het vermeende skelet in zijn kajuit en liet hem
zijn shirt uittrekken. Tja, ome Kees, die was niet achterlijk
=die stunt haalde de man overigens nog eens uit.
Maar dan hebben de mensen van de brug hem door en zeiken hem af=
Wederom een fraai verhaal !!!!!!! Was dat boekwerk soms van die duiker Frans v e ?????? (RIP )
BeantwoordenVerwijderenLUCAS. fF vE over de doden niets dan goed !Het is wel gek dat het boekwerk van Frans wederom gedrukt wordt Dus er is DUS wel vraag naar !!!bij de div marine luiWas pas nog op bezoek bij een overste en wat blijkt het boekwerk van Frans stond /lag bij hem in de boekenkast
BeantwoordenVerwijderenen zo zullen er meer zijn!